Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AL9050

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-08-2003
Datum publicatie
12-11-2003
Zaaknummer
02/0995
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

I.c. Marokkaans recht van toepassing op grond van het Chelouche-Van Leer arrest

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 27 augustus 2003

Rolnummer : 02/0995

Rol.nr rb. : 00/2511

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

A r r e s t

in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. H.C. Grootveld,

tegen

[benadeelde partij],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. E.J. van der Wilk.

HET GEDING

Bij exploot van 19 augustus 2002 is de vrouw in hoger beroep gekomen van het vonnis van de recht-bank te Rotterdam van 23 mei 2002.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in het be-stre-den vonnis heeft ver-meld.

Bij memorie van grieven (met producties) heeft de vrouw 5 grie-ven aangevoerd.

Bij memorie van antwoord (met producties) heeft de man de grie-ven bestreden.

De vrouw heeft op 16 januari 2003 nog een akte geno-men.

De partijen heb-ben hun procesdossier aan het hof over-ge-legd en arrest gevraagd.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. Tegen de feiten zoals door de rechtbank vastgesteld in het bestreden vonnis is niet opgekomen - behoudens hetgeen de vrouw in haar eerste twee grieven heeft gesteld - , zodat het hof in dit hoger beroep van die feiten uitgaat.

2. In de eerste grief stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte in zijn vonnis heeft overwogen dat partijen de Marokkaanse nationaliteit hebben. Partijen hadden die nationaliteit ten tijde van de huwelijksvoltrekking, maar thans hebben zij volgens de vrouw reeds geruime tijd de Nederlandse nationaliteit. Het als productie 1 aangekondigde uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie ontbreekt in het procesdossier. In zijn memorie van antwoord stelt de man dat partijen thans zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit bezitten. Voor zover de vrouw deze nationaliteitswijziging - in grief 5 verder uitgewerkt - aanvoert als grond voor haar stelling dat Nederlands recht van toepassing is overweegt het hof het volgende. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat op grond van de verwijzingsregels zoals geformuleerd in het Chelouche-Van Leer arrest dient te worden vastgesteld welk recht van toepassing is op het huwelijksvermogensrecht van partijen. Volgens dit arrest is, bij gebreke van een rechtskeuze zoals in het onderhavige geval, het gemeenschappelijke nationale recht van de echtgenoten ten tijde van de huwelijkssluiting, toepasselijk. Nu beide partijen op dat moment de Marokkaanse nationaliteit hadden, beheerst het Marokkaanse recht het huwelijksgoederenrecht, hetgeen betekent dat er in het onderhavige geval niet sprake is van huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen. Dat partijen op een later tijdstip nog de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen doet aan dit oordeel niets af, nu aanknoping plaatsvindt op het moment van huwelijkssluiting en als gevolg daarvan latere wijzigingen niet relevant zijn. Hetgeen de vrouw met name in grief 5 hieromtrent verder aanvoert is onvoldoende om tot een uitzondering op bovenvermelde regel te leiden. De grieven 1 en 5 treffen geen doel.

3. In grief 2 stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat partijen op [datum] te [plaats] met elkaar zijn gehuwd, doch de voorgeschiedenis ten aanzien van het huwelijk niet heeft vermeld. Het hof leest in de toelichting van de vrouw dat zij de voorgeschiedenis voorafgaande aan het huwelijk van partijen van belang acht inzake de vaststelling van de verwijzingsregels. Niet is gesteld of anderszins gebleken dat partijen voorafgaande aan hun huwelijk informatie hebben ingewonnen op grond waarvan zij in redelijkheid ervan mochten uitgaan dat Nederlands recht op hun huwelijksvermogensrecht van toepassing is. Het hof is van oordeel dat hetgeen de vrouw heeft gesteld terzake de voorhuwelijkse periode geen grond is om van de verwijzingsregels af te wijken zoals die zijn geformuleerd in het arrest Chelouche-Van Leer. Grief 2 treft geen doel.

4. In de derde grief stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte belang heeft gehecht aan het feit dat bij de echtscheidingsbeschikking is bepaald dat de vrouw, vanaf het ogenblik dat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, huurster zal zijn van de woonruimte [adres] te [woonplaats]. Het hof is van oordeel dat hetgeen de vrouw stelt in haar toelichting, volstrekt niet relevant is, in het kader van de vaststelling van het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensrecht van partijen. Grief 3 treft geen doel.

5. Grief 4 behoefte geen bespreking aangezien dat niet tot een ander oordeel kan leiden.

6. In grief 5 stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte de vrouw niet ontvankelijk heeft verklaard in het subsidiair gevorderde en het primair en meer subsidiair gevorderde heeft afgewezen. Het hof is voor wat betreft de subsidiaire vordering met de rechtbank van oordeel dat de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een vorderingsrecht heeft op de man. Het hof maakt de motivering van de rechtbank tot de zijne en verwijst overigens naar het in punt 2 hierover overwogene. Grief 5 treft geen doel.

7. Gezien het feit dat partijen ex-echtgenoten zijn zal het hof de kosten van dit hoger beroep compenseren.

8. Dit alles leidt ertoe dat het vonnis van 23 mei 2002 van de rechtbank te Rotterdam, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd.

BESLISSING VAN DE ZAAK IN HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van 23 mei 2002 van de rechtbank te Rotterdam, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin dat de partijen ieder de eigen kosten dragen.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van den Wildenberg, Pannekoek-Dubois en Labohm, bijgestaan door mr. Groenleer als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

27 augustus 2003.