Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AL7144

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-07-2003
Datum publicatie
03-10-2003
Zaaknummer
02/1110 KA
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opzet of bewuste roekeloosheid van werknemer bij snelheidsovertredingen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak: 25 juli 2003

Rolnummer: 02/1110 KA

Rolnr. rechtbank: 02/391

HET GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE, negende civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

DE WERKNEMER,

wonende te X,

hierna te noemen: De werknemer,

appellant,

procureur: mr. G.R. van der Plas,

tegen

E.M. SERVICE B.V.,

gevestigd te Almere,

hierna te noemen: EMS,

geïntimeerde,

procureur: mr. N.A. de Leeuw.

Het geding

Bij exploot van 11 september 2002 is De werknemer in hoger beroep gekomen van het vonnis door de rechtbank te Middelburg, sector kanton, locatie Terneuzen, op 3 juli 2002 gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven heeft De werknemer onder overlegging van vier producties zes grieven aangevoerd tegen het vonnis van de rechtbank. EMS heeft bij memorie van antwoord de grieven bestreden. De werknemer heeft vervolgens nog een nadere akte overleggen stukken genomen. Daarna heeft EMS arrest gevraagd.

De beoordeling van het hoger beroep

1. Het hof gaat uit van de feiten zoals die door de rechtbank in de eerste drie zinnen van 2.1 en in 2.3 van het bestreden vonnis zijn vastgesteld, nu die als zodanig in hoger beroep niet worden bestreden.

2. Het gaat kort gezegd om het volgende. EMS verricht voor leveranciers van zogenaamd witgoed servicewerkzaamheden. Een van haar klanten is Frenko N.V. in België. Tot 1 april 2001 was De werknemer als servicemonteur in dienst van Frenko en gedetacheerd bij EMS. EMS heeft een procedure tegen De werknemer gevoerd bij de rechtbank te Middelburg, die geëindigd is met een op 1 oktober 2001 gesloten vaststellingsovereenkomst. EMS vordert de kosten van twee verkeersboetes, kosten van brandstof waarbij met behulp van een bankpas voor rekening van EMS zou zijn getankt, alsmede buitengerechtelijke kosten. De rechtbank heeft deze vorderingen toegewezen.

3. Grief 4 luidt:

Ten onrechte heeft de sector kanton van de rechtbank te Middelburg in haar vonnis d.d. 3 juli 2002 onder 5.1 onder meer overwogen:

"Gelet op de mate van overschrijding van de maximum snelheid zijn de overtredingen zonder meer te beschouwen als begaan met opzet of bewuste roekeloosheid, zoals EMS stelt."

4. Hieromtrent overweegt het hof het volgende. Het gaat om twee snelheidsovertredingen. De eerste is gepleegd op 30 november 2000 in Serooskerke gemeente Schouwen-Duiveland en betreft een na meetcorrectie geconstateerde snelheid van 131 km/uur, waar een snelheid van 80 km/uur was toegestaan. De boete is ƒ 690,-. De tweede is gepleegd op 14 februari 2001 in Oostburg en betreft een na meetcorrectie geconstateerde snelheid van 126 km/uur, waar een snelheid van 80 km/uur was toegestaan. De boete is ƒ 590,-.

5. In hoger beroep heeft De werknemer niet betwist dat hij de beide snelheidsovertredingen heeft begaan. De werknemer heeft ook niet bewist dat de beide boetes ten laste van EMS zijn gekomen. Met de rechtbank acht het hof de overschrijdingen van de maximum snelheid van respectievelijk 51 en 46 km/uur zo hoog, dat zij zijn te beschouwen als te zijn begaan met opzet of bewuste roekeloosheid. Voorzover grief 4 van een andere opvatting uitgaat, faalt grief 4.

6. Grief 5 luidt:

Ten onrechte heeft de sector kanton van de rechtbank te Middelburg in haar vonnis d.d. 3 juli 2002 onder punt 5.2 onder meer overwogen:

"De werknemer dient aan EMS de schade te vergoeden die zij heeft geleden doordat De werknemer na 1 april 2001 heeft getankt met het tankpasje voor rekening van EMS en doordat zij de transacties wegens snelheidsovertredingen heeft moeten betalen."

In de toelichting op de grief heeft De werknemer gesteld, dat deze vorderingen vallen onder de op 1 oktober 2001 gesloten vaststellingsovereenkomst.

7. Hieromtrent overweegt het hof het volgende. De op 1 oktober 2001 gesloten vaststellingsovereenkomst bevat onder meer de volgende bepaling:

"Na ontvangst van dit bedrag zijn partijen alsmede Frenko N.V. over en weer finaal gekweten ter zake van zowel het bij de rechtbank aanhangige geschil als ook de vorderingen over en weer voortvloeiende uit de dienstbetrekking tussen De werknemer en Frenko N.V."

8. Naar het oordeel van het hof kan deze bepaling slechts betrekking hebben op vorderingen die ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst bekend waren. EMS heeft gesteld dat zij op 1 oktober 2001 nog niet had opgemerkt dat De werknemer na beëindiging van de arbeidsovereenkomst met Frenko N.V. gebruik is blijven maken van de tankpas die door EMS aan De werknemer ter beschikking was gesteld. Verder heeft EMS gesteld dat zij op 1 oktober 2001 nog niet op de hoogte was van de beide geldboetes. Deze stellingen zijn door De werknemer niet gemotiveerd weersproken. Dat EMS op 1 oktober 2001 nog niet bekend was met de verkeersboetes volgt bovendien reeds uit het feit dat de transactievoorstellen terzake deze verkeersboetes zijn verzonden op 17 oktober 2001 en 16 oktober 2001. Hieruit leidt het hof af, dat EMS op 1 oktober 2001 nog niet bekend was met de vorderingen terzake het misbruik van de tankpas en terzake de beide geldboetes. Dit betekent, dat deze vorderingen niet vallen onder de vaststellingsovereenkomst d.d. 1 oktober 2001. Grief 5 faalt.

9. Grief 6 luidt:

Ten onrechte heeft de sector kanton van de rechtbank te Middelburg in haar vonnis d.d. 3 juli 2002 onder punt 5.3 overwogen:

"De vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is toewijsbaar."

10. Hieromtrent overweegt het hof het volgende. In hoger beroep heeft De werknemer de gevorderde buitengerechtelijke kosten gemotiveerd betwist. EMS heeft ter motivering van de buitengerechtelijke kosten het volgende gesteld. Op 9 november 2001 heeft EMS De werknemer aangeschreven tot betaling van het toen bekende bedrag van ƒ 5.337,04 wegens misbruik van de tankpas. Naar aanleiding van die brief heeft mr. Nobus meegedeeld dat hij voor mr. De werknemer optreedt en dat zijn client betwist gebruik te hebben gemaakt van deze tankpas van EMS. Op 8 januari 2002 is mr. Nobus een kopie van de verklaring van de heer Koesveld toegezonden en in die brief is het dan bekende eindbedrag van € 2.822,38 voor hoofdsom vermeld. Op deze brief is niet meer gereageerd. Bij brief van 15 januari 2002 aan mr. Nobus heeft EMS aanspraak gemaakt op betaling van € 580,84 met rente wegens de snelheidsovertredingen. Ook op deze brief is niet gereageerd.

11. EMS heeft de gevoerde correspondentie niet overgelegd en geen specificatie gegeven van de aan de correspondentie bestede tijd. Naar het oordeel van het hof heeft EMS niet aangetoond meer verrichtingen te hebben gedaan dan die waarvoor de in de artikelen 237 tot en met 240 Rv. bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn niet toewijsbaar. Grief 6 is gegrond.

12. Grief 1 luidt:

Ten onrechte heeft de sector kanton van de rechtbank te Middelburg in haar vonnis d.d. 3 juli 2002 onder punt 5.1 onder meer overwogen:

"EMS heeft uitvoerig het een en ander gesteld om aannemelijk te maken dat na 1 april 2001 De werknemer gebruik heeft gemaakt van de tankpas met de pincode om voor rekening van EMS te tanken en dat hij de snelheidsovertredingen heeft begaan."

Grief 2 luidt:

Ten onrechte heeft de sector kanton van de rechtbank te Middelburg in haar vonnis d.d. 3 juli 2002 onder punt 5.1 onder meer overwogen:

"De werknemer betwist namelijk niet dat hij een tankpasje had, waarmee hij voor rekening van EMS kon tanken en dat hij als enige de pincode van dat pasje kende, zodat de kantonrechter dat als vaststaand aanneemt."

Grief 3 luidt:

Ten onrechte heeft de sector kanton van de rechtbank te Middelburg in haar vonnis d.d. 3 juli 2002 onder 5.1 onder meer overwogen:

"In het bijzonder laat De werknemer onverklaard hoe het mogelijk is dat in de periode van zeven maanden na 2 april 2001 vele tientallen malen met dat pasje is getankt, terwijl De werknemer of iemand anders voor wiens verrichtingen met het tankpasje hij jegens EMS aansprakelijk is, dat niet zou hebben gedaan."

13. Het hof zal de drie grieven gezamenlijk behandelen. EMS legt aan haar vordering tot vergoeding van de kosten van brandstof het volgende ten grondslag. De werknemer beschikte over een tankpasje, uitgegeven door BP, waarmee hij voor rekening van EMS kon tanken. De werknemer was de enige die de pincode, behorende bij dat pasje, kende. De werknemer heeft bij de beëindiging van het dienstverband met Frenko N.V. dit tankpasje niet teruggegeven. Hij is daarna met dit pasje blijven tanken en heeft zo EMS tot een bedrag van € 2.822,38 benadeeld.

14. De werknemer heeft in eerste aanleg slechts summier verweer gevoerd. In hoger beroep heeft De werknemer uitgebreider verweer gevoerd. In hoger beroep heeft De werknemer gesteld, dat hij het BP tankpasje reeds in de maand december 2000 heeft ingeleverd bij de heer H., directeur van Frenko N.V. In hoger beroep heeft De werknemer gemotiveerd betwist dat hij na 1 april 2001 voor rekening van EMS heeft getankt.

15. Op EMS rust de bewijslast dat De werknemer na 1 april 2001 voor een bedrag van € 2.822,38 voor rekening van EMS heeft getankt. EMS heeft een overzicht met data en bedragen overgelegd van tankbeurten in de periode van 2 april 2001 tot 2 november 2001. Uit niets blijkt echter dat de in dit overzicht vermelde tankbeurten met de aan De werknemer verstrekte pas zijn verricht. Verder heeft EMS een niet geheel duidelijke verklaring van K. overgelegd. Het hof acht het tot dusver door EMS geleverde bewijs onvoldoende. Het hof zal EMS conform haar aanbod in de gelegenheid stellen bewijs te leveren.

Beslissing

Het hof:

laat EMS toe te bewijzen dat De werknemer na 1 april 2001 voor een bedrag van € 2.822,38 voor rekening van EMS heeft getankt;

bepaalt, dat, indien EMS bewijs wil leveren door getuigen, zij getuigen kunnen voorbrengen voor de te dezen benoemde raadsheer-commissaris mr. A.A. Schuering in een der zalen van het Paleis van Justitie, Prins Clauslaan 60 te 's-Gravenhage, op maandag 1 september 2003 om 13.30 uur, dan wel, voor het geval een der partijen uiterlijk binnen veertien dagen na heden opgeeft dan verhinderd te zijn onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen gedurende de eerstkomende twee maanden, op een door de raadsheer-commissaris nader te bepalen datum en tijdstip;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Schuering, Beyer-Lazonder en Husson en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 juli 2003, in bijzijn van de griffier.