Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AL3147

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-01-2003
Datum publicatie
07-10-2003
Zaaknummer
2001/1102
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is voldoende bewijs geleverd om aante nemen dat de vrouw akkoord is gegaan met toedeling van een huis aan de man zonder verrekening van de overwaarde?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 8 januari 2003

Rolnummer : 2001/1102

Rol.nr rb. : 24206 HA ZA 98-2810

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

A r r e s t

in de zaak van:

[belanghebbende],

wonende te Ameide, gemeente Zederik,

appellant,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. J. Verhoeven,

tegen

[benadeelde partij],

wonende te Arkel, gemeente Giessenlanden,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. W. Taekema.

HET GEDING

Bij exploot van 31 augustus 2001 is de man in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 3 mei 2000, 23 augustus 2000 en 11 juli 2001, door de recht-bank te Dordrecht tussen de partijen gewezen.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in de be-stre-den vonnissen heeft ver-meld.

Bij memorie van grieven heeft de man zes grie-ven aangevoerd.

Bij memorie van antwoord heeft de vrouw de grie-ven bestreden.

De partijen heb-ben hun procesdossiers aan het hof over-ge-legd.

BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

Tegen het vonnis van 3 mei 2000 heeft de man geen grieven gericht. Daarom zal hij in zijn hoger beroep tegen dat vonnis niet ontvankelijk worden verklaard.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. Tegen de feiten zoals door de rechtbank vastgesteld onder rechtsoverweging 1 in het bestreden vonnis van 3 mei 2000 is niet opgekomen, zodat het hof in dit hoger beroep van die feiten uitgaat.

2. Het hof zal de grieven I tot en met IV gezamenlijk behandelen, nu zij zich daartoe lenen. Deze grieven komen er in de kern op neer dat de rechtbank in het vonnis van 11 juli 2001 ten onrechte heeft geoordeeld dat de man onvoldoende bewijs heeft geleverd om te concluderen dat de vrouw akkoord is gegaan met toedeling van het huis aan de man zonder verrekening van de overwaarde.

3. De genoemde grieven falen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de man niet in zijn bewijslevering geslaagd is. Het hof overweegt daartoe het volgende. Partijen zijn het er over eens dat er ten tijde van hun feitelijk uiteengaan sprake was van overwaarde van de echtelijke woning. De vrouw verklaart als getuige zelfs dat het naar haar schatting om ongeveer anderhalve ton ging. De man heeft zelf zowel ter comparitie als tijdens zijn getuigenverhoor verklaard dat partijen niet over de (hoogte van die) overwaarde hebben gesproken. Dit wordt door de vrouw bevestigd. Tot zover blijkt dus niet van overeenstemming over toedeling van het huis aan de man zonder verrekening van de overwaarde. Dat partijen in een later stadium omtrent dit punt alsnog met elkaar in overleg zijn getreden en toen zijn overeengekomen dat de woning zonder verrekening aan de man zou worden toegescheiden, kan niet uit de verklaringen van de getuigen worden afgeleid, ook niet in samenhang met de inhoud van het dossier van de notaris, voor zover dat in het geding is gebracht. De getuige [getuige 1] kan zich niet herinneren of zij met de vrouw over overwaarde van het huis heeft gesproken. De vrouw verklaart als getuige dat zij zich dat ook niet kan herinneren. De getuige [getuige 1] leidt uit de door haarzelf gemaakte telefoonnotitie van 29 september (1993 ?) enkel af dat zij toen met de vrouw over een overbedelingsuitkering heeft gesproken. Deze getuige kan zich evenmin herinneren dat zij met de man over eventuele overwaarde van de woning heeft gesproken. Zij kan dit ook niet uit haar dossier afleiden. Op grond van het voorgaande en in het licht van de omstandigheid dat partijen het er over eens zijn dat er ten tijde van hun uiteengaan sprake was van overwaarde en de man geen goede reden heeft aangevoerd, waarom de vrouw zou hebben afgezien van het haar toekomende deel van die overwaarde, kan naar het oordeel van het hof uit de enkele aantekening "geen overbed. uitk" in genoemde telefoonnotitie niet afgeleid worden dat de vrouw accoord is gegaan met toedeling van het huis aan de man zonder verrekening van de overwaarde. Dit oordeel wordt niet anders door de accoordverklaring van de vrouw met de concept-akte van scheiding en deling. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de verklaring van de vrouw dat zij ervan uit ging dat de akte slechts bedoeld was om het huis op naam van de man te krijgen, waardoor de financiële lasten niet langer voor haar rekening zouden komen, geloofwaardig voorkomt. De verklaring van de getuige [getuige 2] draagt niet bij tot het bewijs. Anders dan de man stelt heeft deze getuige niet verklaard dat er geen overbedelingsuitkering was overeengekomen. Deze getuige heeft verklaard dat hij uit voornoemde telefoonnotitie opmaakt dat het de vrouw onverschillig was wat er met het huis gebeurde en voorts dat hij indertijd van zijn secretaresse gehoord had dat de vrouw tegen haar gezegd zou hebben dat het haar een worst zou wezen wat er met het huis gebeurde. Ook hieruit kan niet worden afgeleid dat de vrouw afzag van verrekening.

4. Uit de toelichting op grief V blijkt dat de man zich met deze grief op het standpunt stelt dat de rechtbank op gronden van redelijkheid en billijkheid als peildatum voor de waarde van de woning van juni dan wel november 1993 had dienen uit te gaan. Hij acht het niet redelijk dat de vrouw door jarenlang niets te doen volledig meeprofiteert van de fors gestegen huizenprijzen, terwijl partijen het er in juni 1993 al over eens waren dat de woning aan de man zou worden toegescheiden. Het hof verwerpt dit standpunt. Dat de akte van scheiding en deling in ieder geval op 6 juni 2000 (de datum van het taxatierapport) nog niet was opgemaakt kan niet enkel de vrouw verweten worden. De man had zelf initiatieven kunnen ontplooien om snel tot een definitieve afronding van de verdeling van de woning te komen, ook in het geval dat hij in de veronderstelling verkeerde dat de vrouw van mening was dat de eventuele overwaarde van de woning overeenkwam met de aan haar toegescheiden auto, geld en inboedel.

5. Ook grief VI faalt. In deze grief betoogt de man dat de rechtbank had dienen te onderzoeken of in het kader van de verdeling van de huwelijkse goederengemeenschap de aan de vrouw toegescheiden auto, geld en inboedel ten tijde van de feitelijke verdeling in waarde niet (nagenoeg) overeenkwam met de eventueel te verdelen overwaarde, zodat een redelijke verdeling al had plaatsgevonden, althans had de rechtbank met de waarde van de aan de vrouw toegescheiden auto, geld en inboedel rekening dienen te houden bij verdeling van de overwaarde. Dit betoog faalt reeds omdat de man dit in eerste aanleg niet heeft gevorderd. Er is evenmin reden voor het hof om dit te onderzoeken. In de eerste plaats is immers in de vorige rechtsoverweging overwogen dat er geen aanleiding is om van een eerdere dan de door de rechtbank bepaalde peildatum uit te gaan. Verder blijkt uit de door de vrouw in eerste aanleg overgelegde aankoopnota dat de vrouw de auto heeft ingeruild tegen een bedrag van f 5.500,-. De vrouw stelt voorts dat zij op 25 mei 1993 f 7.500,- van de gemeenschappelijke rekening heeft opgenomen en heeft dat in eerste aanleg onderbouwd door het overleggen van een copie van een mutatieoverzicht. De man heeft dit bedrag in hoger beroep niet gemotiveerd betwist. De man heeft voorts in eerste aanleg erkend dat de vrouw maar een klein deel van de inboedel heeft meegenomen. De vrouw heeft in haar antwoordconclusie na enquête gesteld dat zij, naast haar persoonlijke zaken, slechts een kast en een spiegel met een waarde van tezamen f 300,- heeft meegenomen. Zij heeft de rest van de inboedel, die bij de man is achtergebleven, op f 50.000,- bepaald. De man heeft deze stellingen omtrent de (waarde van de) inboedel noch in eerste aanleg noch in hoger beroep gemotiveerd betwist. De waarde van de door de vrouw meegenomen zaken en van de bij de man gebleven inboedel staat derhalve vast. Voor bewijslevering is geen plaats. Uit het voorgaande vloeit voort dat de waarde van de door de vrouw meegenomen zaken al niet opweegt tegen de waarde van de bij de man gebleven inboedel. Er is daarom geen reden om de waarde van de door de vrouw meegenomen zaken in mindering te brengen op de overwaarde van de woning.

6. Het bovenstaande brengt mee dat de bestreden von-nissen van 23 augustus 2000 en 11 juli 2001 moeten worden be-krach-tigd. Nu deze procedure voortvloeit uit de voormalige echtelijke verhouding, zal het hof de kosten van de procedure in hoger beroep compenseren als na te melden.

BESLISSING VAN DE ZAAK IN HET HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart de man niet ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het door de rechtbank te Dordrecht tussen de partijen op 3 mei 2000 gewezen vonnis;

bekrachtigt de vonnissen door de rechtbank te Dordrecht tussen de partijen op 23 augustus 2000 en 11 juli 2001 gewezen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af hetgeen meer of anders gevorderd is;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat de partijen ieder de eigen kosten dragen.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van den Wildenberg, Fockema Andreae-Hartsuiker en Stille en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 januari 2003, in tegenwoordigheid van de griffier.