Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AK4567

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-08-2003
Datum publicatie
17-09-2003
Zaaknummer
BK-02-03605
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het verschil tussen de waarde in het economische verkeer en de overeengekomen tegenprestatie in geld, waarbij opgeteld de waarde van de schulden en de claims, is dermate aanzienlijk waardoor de wederzijdse prestaties ten tijde van de verkoop niet in evenwicht waren.

Er is sprake van een onttrekking. Koper en verkoper moeten, gelet op hun gelieerdheid, zich er van bewust zijn geweest dat de overdracht van de economische eigendom van (gedeelten van) onroerende zaken tegen een te lage prijs heeft plaatsgehad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-1715
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

eerste meervoudige belastingkamer

26 augustus 2003

nummer BK-02/03605

UITSPRAAK

op het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Ondernemingen P (thans de voorzitter van het managementteam van de regio . . .) van de Belastingdienst, betreffende na te noemen aanslag.

1. Aanslag en bezwaar

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1995 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 833.291.

1.2. De tegen de aanslag gerichte bezwaren van belanghebbende zijn bij de bestreden uitspraak afgewezen.

2. Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Gerechtshof te Amsterdam. Dat Hof heeft bij uitspraak van 10 januari 2001 het beroep ongegrond verklaard. Op het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep in cassatie heeft de Hoge Raad bij arrest van 9 augustus 2002, nr. 36.910, BNB 2002/331c de uitspraak van voornoemd Hof vernietigd en de zaak ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

2.2. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich schriftelijk uit te laten naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad,

van welke gelegenheid beide partijen gebruik hebben gemaakt.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 10 juni 2003, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.

3. Vaststaande feiten

In het geding na verwijzing dient te worden uitgegaan van de door het Gerechtshof te Amsterdam onder 2.1 tot en met 2.13 van zijn uitspraak vastgestelde, in cassatie niet bestreden, feiten. Voorts is in cassatie en na verwijzing als niet meer in geschil dan wel door één der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, nog het volgende komen vast te staan:

3.1. De waarde in het economische verkeer van de door belanghebbende aan A N.V. overgedragen economische eigendom van (gedeelten van) onroerende zaken, genoemd in 2.3 van de uitspraak van het Hof Amsterdam, (hierna: de onroerende zaken) bedroeg bij de overdracht ƒ 2.690.000.

3.2. Het conservatoir beslag dat op 23 januari 1995 op onder meer de panden a-straat 1 en b-straat 2 te Q is gelegd voor een bedrag van ƒ 275.000 heeft geleid tot een claim ten bedrage van ƒ 102.528.

3.3. Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat de waarde van de schulden en de claims, waarvan de aansprakelijkheid door A N.V. van belanghebbende is overgenomen, uiteindelijk kan worden vastgesteld op (ƒ 486.996 - ƒ 275.000 + ƒ 102.528 =) ƒ 314.524. Van laatstvermeld bedrag is een gedeelte groot ƒ 131.762 niet in de fiscale vermogensopstelling van belanghebbende gepassiveerd, zodat dit bedrag als waardedrukkende factor in aanmerking kan worden genomen. Van het bedrag van ƒ 314.524 is ƒ 182.762 wel in de fiscale vermogensopstelling, via de rekening-courantverhouding van belanghebbende over 1995, verwerkt.

3.4. De onttrekking, indien daarvan sprake is, kan tot het resultaat van belanghebbende over het jaar 1995 worden gerekend.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. Na verwijzing is tussen partijen in geschil het antwoord op de vraag of de Inspecteur de bij de aanslagregeling toegepaste correctie, oorspronkelijk bedragend ƒ 837.403 en in de loop van het geding verminderd tot ƒ 701.529, terecht heeft aangebracht, welke vraag de Inspecteur bevestigend en belanghebbende ontkennend beantwoordt.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij hun standpunten doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

5. Conclusies van partijen

5.1. Het beroep van belanghebbende strekt primair tot vermindering van de aanslag tot nihil en subsidiair - naar het Hof begrijpt - tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar bedrag van ƒ 701.529.

5.2. De Inspecteur heeft uiteindelijk geconcludeerd tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar bedrag van ƒ 701.529.

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1. Blijkens rechtsoverweging 3.2 van het arrest van de Hoge Raad bepaalt de waarde van de schulden en de claims ter zake waarvan de koper de aansprakelijkheid jegens de juridische eigenaar van de onroerende zaken heeft overgenomen, mede de omvang van diens tegenprestatie. Na verwijzing dient te worden onderzocht of de wederzijdse prestaties van koper en verkoper van de onroerende zaken in evenwicht waren. Indien dat het geval is kan reeds om die reden geen onttrekking worden aangenomen. In geval wel sprake is van een onttrekking dient bij de berekening van de omvang van die onttrekking rekening te worden gehouden met de waarde van de overgenomen schulden en claims, waarbij geldt dat dit alleen tot een verlaging van de correctie op de aangegeven winst leidt indien en voorzover in de fiscale vermogensopstelling van belanghebbende de passivering van de schuld en de claims niet reeds afzonderlijk heeft plaatsgevonden. In die situatie heeft belanghebbende in zoverre geen belang bij de bestrijding van het als onttrekking in aanmerking genomen bedrag.

6.2. Het Hof overweegt omtrent de in 6.1 als eerste genoemde vraag het volgende. De waarde in het economische verkeer van de onroerende zaken bedroeg ƒ 2.690.000. Het Hof Amsterdam heeft in cassatie onbestreden geoordeeld (rechtsoverwegingen 5.2. en 5.3.) dat bij het bepalen van deze waarde, afkomstig uit het taxatierapport van de Inspecteur van 30 september 1997 (exclusief het pand te R van ƒ 170.000) en van 1 oktober 1997 (inclusief het pand te R), met alle relevante omstandigheden rekening is gehouden. Deze oordelen zijn in cassatie door belanghebbende niet bestreden met als gevolg dat deze waarde in het geding na verwijzing vaststaat.

6.3. De onroerende zaken zijn overgedragen tegen een bedrag van ƒ 1.852.597 (de boekwaarde). Teneinde de volledige tegenprestatie van koper in ogenschouw te nemen, dient mede in aanmerking genomen te worden de waarde van de door de koper overgenomen schulden en claims. Partijen hebben ter zitting de waarde daarvan uiteindelijk vastgesteld op ƒ 314.524.

6.4. Het verschil tussen de waarde in het economische verkeer en de overeengekomen tegenprestatie in geld, waarbij opgeteld de waarde van de schulden en claims, is dermate aanzienlijk (ƒ 522.879) dat daaruit niet de gevolgtrekking kan worden gemaakt dat de wederzijdse prestaties ten tijde van de verkoop in evenwicht waren. Het is aannemelijk dat belanghebbende tegen een duidelijk te lage prijs aan A N.V., de gelieerde vennootschap, heeft verkocht. Koper en verkoper moeten, gelet op hun gelieerdheid, zich hiervan bewust zijn geweest. Belanghebbende heeft zich derhalve een voordeel laten ontgaan.

6.5. Tussen partijen is niet in geschil dat ter zake van de schulden en claims slechts een bedrag van ƒ 131.762 niet in de fiscale vermogensopstelling van belanghebbende is gepassiveerd en dat ten aanzien van een bedrag van ƒ 182.762 dat wel het geval is. De correctie op de aangegeven winst dient dan te worden gesteld op (ƒ 522.879 + ƒ 182.762 of ƒ 837.403 - ƒ 131.762) is ƒ 705.641. Het bij de aanslag vastgestelde belastbaar bedrag dient te worden verminderd tot ƒ 701.529.

7. Proceskosten en griffierecht

7.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende in beroep voor het Hof Amsterdam en in het geding na verwijzing gemaakte proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op 1.449 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (3 punten à € 322 x 1,5 (gewicht van de zaak)).

7.2. Voorts dient aan belanghebbende het voor deze zaak gestorte griffierecht te worden vergoed.

8. Beslissing

Het Gerechtshof

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep,

- vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar bedrag van ƒ 701.529,

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het beroep, aan de zijde van belanghebbende gevallen en vastgesteld op € 1.449, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden,

- gelast deze rechtspersoon het voor deze zaak gestorte griffierecht van € 204,20 (ƒ 450) aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld op 26 augustus 2003 door mrs. Savelbergh, Van Walderveen en Verhagen, in tegenwoordigheid van de gerechtsauditeur mr. Postema. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Crabbendam.

(Crabbendam)

(Savelbergh)

Aangetekend aan

partijen verzonden:

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.