Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AK4566

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-06-2003
Datum publicatie
17-09-2003
Zaaknummer
BK-02/01886
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bouwleges 1999. Leges t.z.v. aanvraag bouwvergunning. Verhoging heffingsgrondslag (uiteindelijke bouwkosten) na ovedracht vergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2004/105
FutD 2003-1688
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

zevende enkelvoudige belastingkamer

25 juni 2003

nummer BK-02/01886

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak op het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van de ambtenaar, belast met de heffing van belastingen van de gemeente Rotterdam (hierna: de Inspecteur), op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen het van haar gevorderde bedrag aan leges over het jaar 1999.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 11 juni 2003, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn verschenen mr. A, B en C namens de Inspecteur. Van de zijde van belanghebbende is niemand verschenen.

Beslissing

Het Gerechtshof

– verklaart het beroep gegrond,

– vernietigt de uitspraak waarvan beroep alsmede het gevorderde bedrag aan leges, en

– gelast de gemeente Rotterdam het voor deze zaak gestorte griffierecht van € 218 aan belanghebbende te vergoeden.

Gronden

1. Belanghebbende heeft zich ter bestrijding van het gevorderde legesbedrag onder meer op het standpunt gesteld dat zij niet de legesplichtige is in de zin van de Verordening.

2. In artikel 2 van de Verordening is als legesplichtige aangewezen de aanvrager van de dienst dan wel degene te wiens behoeve de dienst wordt verleend.

3. De Inspecteur heeft tegenover het voormelde standpunt van belanghebbende aangevoerd dat belanghebbende de aanvrager van de bouwvergunning is geweest, dat zulks in het bezwaar- en beroepschrift ook is erkend en dat belanghebbende op het aangiftebiljet als legesplichtige wordt aangemerkt.

4. De tot de gedingstukken behorende aanvraag voor de bouwvergunning, ter zake waarvan de onderhavige leges zijn gevorderd, vermeldt onder 2 als aanvrager Exploitatiemaatschappij E B.V. te P, onder 3 als gemachtigde F B.V. te R en onder 5, sub d, als degene aan wie de aanslag bouwleges moet worden gestuurd Exploitatiemaatschappij E B.V. te P.

5. Het eveneens tot de gedingstukken behorende aangiftebiljet vermeldt in de aanhef als legesplichtige "X groep H" te Amsterdam. Onder vraag 1a, luidende "Indien naam en/of adres hierboven onjuist zijn, dan gelieve s.v.p. hiernaast de juiste gegevens in te vullen:", is ingevuld "Maatschap H, H, J".

6. In het licht van de onder 4 en 5 vermelde omstandigheden acht het Hof niet aannemelijk gemaakt dat de bouwvergunning door belanghebbende is aangevraagd. Gelet op de inhoud van het bezwaarschrift en het beroepschrift deelt het Hof evenmin de mening van de Inspecteur dat belanghebbende daarin heeft erkend dat zij de aanvrager is geweest.

7. Nu voor het overige geen feiten zijn gesteld of gebleken op grond waarvan moet worden geoordeeld dat belanghebbende is aan te merken als legesplichtige in de zin van artikel 2 van de Verordening, slaagt het onder 1 weergegeven standpunt van belanghebbende. Het gevorderde bedrag aan leges moet derhalve worden vernietigd.

8. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, aangezien gesteld noch gebleken is dat belanghebbende dergelijke kosten heeft gemaakt. Wel dient aan belanghebbende het voor deze zaak gestorte griffierecht te worden vergoed.

Deze uitspraak is vastgesteld op 25 juni 2003 door mr. Schuurman en op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mr. Holdert.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt, is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.