Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AK4565

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-06-2003
Datum publicatie
17-09-2003
Zaaknummer
Bk-02/03989
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afvalstoffenheffing 2002. Inzamelingsplicht. Hoeveelheid afval. Gelijkheids- en vertrouwensbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2004/100
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

zevende enkelvoudige belastingkamer

25 juni 2003

nummer BK-02/03989

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak op het beroep van X. te Z tegen de uitspraak van de ambtenaar, belast met de heffing van belastingen van de gemeente Delft (hierna: de Inspecteur), op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde aanslag in de afvalstoffenheffing voor het jaar 2002.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 11 juni 2003, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen.

Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Gronden

1. Belanghebbende betoogt dat, gelet op de (zeer) geringe hoeveelheid door hem aangeboden afval en op het feit dat hij en zijn huisgenoot meer dan de helft van het jaar elders verblijven, de aanslag moet worden opgelegd naar het tarief voor eenpersoonshuishoudens. Hij heeft in dat verband mede verwezen naar de, kennelijk door de gemeente Delft uitgegeven, brochure "Gemeentelijke Belastingen 2002".

2. Vaststaat dat in de gemeentelijke basisadministratie op het onderhavige adres meer dan een persoon staat ingeschreven, dat sprake is van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge artikel 10.11 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt, dat in het perceel geregeld huishoudelijke stoffen kunnen ontstaan en dat het perceel door belanghebbende en zijn huisgenoot feitelijk wordt gebruikt. Hiervan uitgaande is de aanslag, gelet op de artikelen 2, 3 en 4 van de Verordening, terecht opgelegd.

3. Voor de onderworpenheid aan de afvalstoffenheffing is slechts van belang dat ten aanzien van het perceel een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt, welke vraag hierboven bevestigend is beantwoord; niet van belang is of, en zo ja in welke mate, belanghebbende daadwerkelijk gebruik maakt van die inzameling (vgl. Hoge Raad 19 oktober 1983, nr. 21.882, gepubliceerd in BNB 1983/320). Evenmin is van belang in welke mate in het perceel daadwerkelijk huishoudelijke afvalstoffen ontstaan of dat de woning slechts een gedeelte van het jaar wordt bewoond (vgl. Hoge Raad 30 mei 2001, nr. 36.047, gepubliceerd in BNB 2001/303).

4. Blijkens hoofdstuk I van de bij de Verordening behorende Tarieventabel is het tarief van de afvalstoffenheffing voor meerpersoonshuishoudens hoger dan het tarief voor eenpersoonshuishoudens. Aan dit tariefsverschil ligt, naar de Inspecteur onweersproken heeft gesteld, ten grondslag de opvatting dat meerpersoonshuishoudens doorgaans meer afval produceren dan eenpersoonshuishoudens. Voorts heeft de Inspecteur, eveneens onweersproken, betoogd dat de tariefsdifferentiatie om redenen van doelmatigheid en uitvoerbaarheid tot dit onderscheid is beperkt. Niet kan worden gezegd, mede gelet op de op dit punt aan de gemeentelijke wetgever toekomende ruime beoordelingsvrijheid, dat deze redengeving iedere redelijkheid ontbeert.

5. De toetsing door de belastingrechter van de door de gemeente gehanteerde tarieven voor de afvalstoffenheffing is beperkt. Voor diens ingrijpen is slechts plaats indien de tariefstelling leidt tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing waarop de wetgever met het toekennen aan de gemeenten van de bevoegdheid tot het heffen van afvalstoffenheffing niet het oog kan hebben gehad. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4 is overwogen is van een dergelijke onredelijke en willekeurige belastingheffing geen sprake. De enkele omstandigheid dat belanghebbende in relatie tot de door hem aangeboden hoeveelheid afval een verhoudingsgewijs hoog bedrag aan afvalstoffenheffing betaalt, doet daaraan niet af.

6. Voorzover belanghebbende bedoelt een beroep te doen op artikel 9 van de Verordening faalt het beroep, aangezien dat artikel slechts ziet op situaties van vestiging in of vertrek uit de gemeente Delft, welke situaties zich in casu niet voordoen.

7. Voorzover belanghebbendes verwijzing naar de vorengenoemde brochure moet worden opgevat als een beroep op het vertrouwensbeginsel, faalt het beroep eveneens, nu de Inspecteur onweersproken heeft aangevoerd dat in die brochure is vermeld dat daaraan geen rechten kunnen worden ontleend.

8. Op grond van al het vorenoverwogene moet het beroep ongegrond worden geoordeeld. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Deze uitspraak is vastgesteld op 25 juni 2003 door mr. Schuurman en op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mr. Holdert.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt, is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.