Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AK4426

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-08-2003
Datum publicatie
17-09-2003
Zaaknummer
2200126603
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte en zijn mededader(s) hebben zich schuldig gemaakt aan zeer ernstige geweldsdelicten, waarbij twee personen door vuurwapengebruik om het leven zijn gekomen en één of meer andere personen door kogels zijn geraakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummers 1009113202 en 1010102001 (TUL)

datum uitspraak 29 augustus 2003

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 5 maart 2003 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 15 augustus 2003.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie nader omschreven.

Van de dagvaarding en van de vordering nadere omschrijving tenlastelegging zijn kopieën gevoegd in dit arrest.

3. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte terzake van het onder 1 impliciet subsidiair, 3, 4 en 5 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren met aftrek van voorarrest en is de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijke veroordeling als vermeld in het vonnis.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4. Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is blijkens mededeling van de raadsman van de verdachte op de terechtzitting niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissing ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van het hof onderworpen.

5. Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

6. Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 impliciet primair is tenlastegelegd.

De verdachte moet derhalve hiervan worden vrijgesproken.

7. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

Hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

8. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

9. Kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op:

1 impliciet subsidiair: medeplegen van doodslag;

3 : het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

4 : handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit wordt begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

5 : medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit wordt begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

10. Strafbaarheid van het feit en de verdachte

De raadsman heeft, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat aan verdachte, in geval het hof komt tot een bewezenverklaring van feit 1, een beroep op noodweer(exces) toekomt.

De verdachte, aldus de raadsman, zou immers op het latere slachtoffer [naam] hebben geschoten teneinde het leven te redden van zijn metgezel [naam], welk handelen was ingegeven door de navolgende omstandigheden.

[naam] had zijn hand in zijn zak gestoken althans op zijn heup gelegd en daarbij de woorden uitgesproken

'First man win'. [naam], die zich op korte afstand van [naam] bevond, had gepoogd een handvuurwapen op [naam] af te vuren maar dat wapen weigerde.

Het hof zal, anders dan de rechtbank, voorbijgaan aan de omstandigheid dat dit verweer zich bezwaarlijk laat verenigen met verdachtes proceshouding, erop neerkomend dat de verdachte in het geheel niet geschoten heeft, en overweegt te dien aanzien het volgende.

Uit het onderzoek in deze zaak zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die tot de conclusie zouden dienen te leiden dat verdachtes handelen, het van korte afstand met een vuurwapen schieten op het hoofd van [naam], werd geboden door de noodzakelijke verdediging van, zoals betoogd, het lijf van genoemde [naam] tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

Ook de door de raadsman aangevoerde omstandigheden vermogen niet een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding op te leveren waartegen de verdachte zich of zijn metgezel door het gebruik van een vuurwapen had te verdedigen, temeer nu geen omstandigheid aannemelijk is geworden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het slachtoffer [naam] daadwerkelijk een vuurwapen voor de dag had gehaald en/of gericht op die [naam].

Nu in casu geen sprake is geweest van een noodweersituatie faalt (ook) het beroep op noodweerexces. Het hof verwerpt het verweer.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

11. Strafmotivering

De advocaat-generaal mr. Haverkate heeft gevorderd dat de verdachte terzake van het onder 1 impliciet primair, 3, 4 en 5 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte en zijn mededader(s) hebben zich schuldig gemaakt aan zeer ernstige geweldsdelicten, waarbij twee personen door vuurwapengebruik om het leven zijn gekomen en één of meer andere personen door kogels zijn geraakt.

Het laat zich aanzien dat de nabestaanden van de dodelijke slachtoffers diep getroffen zijn.

Het schietincident vond plaats aan en op de openbare weg in de directe omgeving van een uitgaansgelegenheid, waar

andere mensen aanwezig waren. Deze werden daardoor ongewild met de schietpartij geconfronteerd en belandden in een levensgevaarlijke situatie.

Dergelijke geweldsdelicten dragen een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter en brengen daarnaast bij de burgers angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan.

Daarnaast heeft de verdachte een aantal dagen na de schietpartij een vuurwapen met bijbehorende munitie voorhanden gehad. Kennelijk hebben de fatale gevolgen van die schietpartij de verdachte er niet van weerhouden opnieuw een met scherpe patronen geladen vuurwapen op zak te hebben.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister eerder is veroordeeld wegens diefstal met geweld, terwijl de verdachte ten tijde van het plegen van de onderhavige feiten bovendien in een proeftijd liep van die veroordeling, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof is van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te melden lange duur een passende reactie vormt.

12. Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 9 mei 2001 onder 1010102001 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van achttien maanden met aftrek van voorarrest waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan, dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan, terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde bijkomende straf is derhalve gegrond.

Het hof zal derhalve de tenuitvoerlegging van de niet-tenuitvoergelegde straf gelasten.

13. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14g, 47, 57, 141 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede de artikelen 26 (oud) en 55 van de Wet wapens en munitie.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep -voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen- en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair, 3, 4 en 5 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van TIEN JAREN.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering van het openbaar ministerie ex artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht en gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 9 mei 2001 van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van ZES MAANDEN.

Dit arrest is gewezen door mrs. Heemskerk, Van der Putten-Göbbels en Van den Berg, in bijzijn van de griffier Van der Schalk. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 29 augustus 2003.