Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AK4142

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-07-2003
Datum publicatie
16-09-2003
Zaaknummer
BK-02/03937
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Nedeco-regeling. In geschil is hoe de grondslag voor de toepassing van de 35%-aftrek dient te worden berekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 1662
FutD 2003-1724

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

tweede enkelvoudige belastingkamer

14 juli 2003

nummer BK-02/03937

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Particulieren P van de Belastingdienst, op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1999.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 30 juni 2003, gehouden te Den Haag. Aldaar is verschenen A namens de Inspecteur. Van de zijde van belanghebbende is niemand verschenen. De gemachtigde van belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief met ontvangstbevestiging, verzonden op 26 mei 2003 aan B op het adres b-straat 133 te Rotterdam, onder vermelding van plaats en tijdstip uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Blijkens een door de griffier op 28 mei 2003 van TPG Post ontvangen retourkaart is de vorenbedoelde brief op het voormelde adres uitgereikt.

Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Gronden

1. Belanghebbende was in 1999 werkzaam bij C en werd regelmatig uitgezonden naar het buitenland. In het onderhavige jaar heeft belanghebbende in totaal 105 dagen in het buitenland gewerkt.

2. Belanghebbende heeft in 1999 de volgende inkomsten genoten:

ƒ 192.706 C

ƒ 7.959 privé-gebruik auto

ƒ 200.665 totaal

Voorts heeft hij een belaste onkostenvergoeding van ƒ 10.655 en een onbelaste onkostenvergoeding van ƒ 1.740 van zijn werkgever ontvangen.

3. Na aanvulling van zijn aangifte voor de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1999 heeft belanghebbende aan beroepskosten een bedrag van ƒ 34.817 in aftrek gebracht, waarvan ƒ 3.174 betrekking heeft op het arbeidskostenforfait. Het resterende deel (ƒ 31.643) heeft betrekking op het Besluit van 7 december 1999,

nr. IFZ1999/1060M, BNB 2000/72, (hierna: de Nedeco-regeling).

4. Bij de aanslagregeling heeft de Inspecteur de aftrek ingevolge de Nedeco-regeling, uitgaande van 105 verblijfsdagen in het buitenland, een jaarloon van ƒ 200.665, een belaste vergoeding van ƒ 10.655 en een onbelaste vergoeding van ƒ 1.740, als volgt berekend: 105/365 * (ƒ 200.655 - ƒ 10.655) = ƒ 54.660 minus een evenredig deel van de overhevelingstoeslag over de perioden van uitzending ad ƒ 498, vermeerderd met de ontvangen belaste en onbelaste vergoedingen van in totaal ƒ 12.355 is ƒ 65.517. De aftrek is berekend op 35% van dit bedrag, hetgeen resulteert in een aftrek van ƒ 23.280. De totale beroepskosten komen daarmee uit op ƒ 23.280, verminderd met de onbelaste vergoeding ad

ƒ 1.740 en vermeerderd met ƒ 3.174 forfaitaire aftrek, is ƒ 24.714.

5. Tussen partijen is in geschil hoe de grondslag voor de toepassing van de 35%-aftrek dient te worden berekend.

6. Belanghebbende stelt dat daarbij moet worden uitgegaan van het daadwerkelijk genoten loon gedurende de uitzending. De Inspecteur stelt zich daarentegen op het standpunt dat, nu de Nedeco-rege-ling een forfaitaire regeling is, niet kan worden afgeweken van de in de Nedeco-regeling opgenomen rekenregels. Indien het Hof het standpunt van de Inspecteur volgt, gaat belanghebbende met de berekening van de Inspecteur akkoord.

7. In onderdeel 4 van de Nedeco-regeling wordt aangegeven hoe de grondslag van de forfaitaire aftrek dient te worden berekend. Het loon waarover de 35%-aftrek wordt berekend, dient te worden bepaald op basis van de formule:

A * (B - C) + E - F gedeeld door D

waarbij A voorstelt: het aantal verblijfsdagen in het buitenland;

B voorstelt: het genoten jaarloon;

C voorstelt: de ter zake van de uitzending(en) ontvangen belaste vergoedingen en verstrekkingen die in het loon zijn begrepen (met inachtneming van het gestelde in punt 3 van de Nedeco-regeling);

D voorstelt: 365 of 366 dagen;

E voorstelt: de ter zake van de uitzending(en) ontvangen belaste vergoedingen en verstrekkingen die in het loon zijn begrepen alsmede de ter zake van de uitzending(en) ontvangen belaste en onbelaste vergoedingen en verstrekkingen die niet in het loon zijn begrepen (met inachtneming van het gestelde in punt 3 van de Nedeco-regeling);

F voorstelt: de overhevelingstoeslag over de periode(n) van uitzending.

9. Naar het oordeel van het Hof biedt de tekst van de Nedeco-regeling geen ruimte om bij de bepaling van de grondslag voor de toepassing van de 35%-aftrek, zoals belanghebbende verdedigt, in plaats van het loon ter zake van de uitzending te berekenen volgens de in de Nedeco-regeling opgenomen formule, uit te gaan van het werkelijk genoten salaris gedurende de uitzendingen.

10. Belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. Belanghebbende heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld, waaruit, indien deze voldoende aannemelijk zouden zijn gemaakt, kan volgen dat in de meerderheid van de vergelijkbare gevallen een juiste toepassing van de in de Nedeco-regeling opgenomen rekenregels achterwege is gebleven en in die gevallen een gunstiger behandeling heeft plaatsgevonden.

11. Het vorenstaande brengt mee dat het beroep ongegrond is.

12. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Deze uitspraak is vastgesteld op 14 juli 2003 door mr. Vonk en op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mr. Bergman.

(Bergman) (Vonk)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt, is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.