Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AK3777

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-05-2003
Datum publicatie
17-09-2003
Zaaknummer
2001/0411
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Samenwonende partijen: hebben partijen hun samenwoning aldus ingericht alsof zij in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak : 28 mei 2003

Rolnummer : 2001/0411

Rol.nr rb. : 659/98

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

A r r e s t

in de zaak van:

[eiser],

wonende te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen,

appellant,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. H.C. Grootveld,

tegen

[benadeelde partij],

wonende te Middelburg,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur jhr. mr. A.J. Sandberg.

HET GEDING

Bij exploot van 5 maart 2001 is de man in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 15 maart 2000 en 10 januari 2001, door de arrondissementsrechtbank te Middelburg tussen de partijen gewezen.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in de be-stre-den vonnissen heeft ver-meld.

Bij memorie van grieven met twee producties heeft de man zes grie-ven aangevoerd en bewijs aangeboden van zijn stellingen.

Bij memorie van antwoord met één productie heeft de vrouw de grie-ven bestreden.

Partijen heb-ben hun procesdossiers aan het hof over-ge-legd.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. Partijen hebben samengewoond. Partijen hebben ten tijde van hun samenwoning op [datum] een kredietovereenkomst gesloten met de [naam bank] met contractnummer [nummer] waarbij partijen zich hoofdelijk verbonden de opgenomen gelden alsmede de verschuldigde kredietvergoeding aan de bank te betalen in maandelijkse termijnen van

ƒ 600,--. Ingevolge deze overeenkomst is aan partijen een krediet in rekening-courant verleend van maximaal ƒ 30.000,--. Partijen gaven bij die overeenkomst aan de [naam bank] opdracht ten laste van het hen bij deze overeenkomst verstrekte krediet over te maken aan de [naam bank] een bedrag van ƒ 14.757,-- met betrekking tot contractnummer [nummer].

Ten tijde van de samenwoning van partijen (en ook nog daarna) zijn op grond van de kredietovereenkomst aan de [naam bank] verschuldigde maandelijkse termijnen van

ƒ 600,-- van mei 1991 tot en met januari 1996 betaald door de man. Door de vrouw zijn, toen de man in Breda studeerde, maandelijkse termijnen (voor de helft) voldaan door storting van een bedrag van ƒ 300,-- op rekening van de ouders van de man. De vrouw beschikte gedurende het tijdvak dat zij met de man samenwoonde niet over een rijbewijs.

Bij verstekvonnis van genoemde rechtbank van 23 april 1997 is de vrouw veroordeeld om aan de [naam bank] te betalen een bedrag van ƒ 29.581,43 vermeerderd met kredietvergoeding vanaf 18 februari 1997 tot aan de dag der voldoening.

2. Het kennelijke uitgangspunt van de man is - mede gelet op zijn bewijsaanbod in hoger beroep - dat partijen 'in de periode dat zij met elkander hebben samengewoond die samenwoning aldus hebben ingericht alsof zij in algehele gemeenschap van goederen met elkaar waren gehuwd, dat partijen in die periode alles gemeenschappelijk hadden en dat alle uitgaven in die periode, inzonderheid die tot aanschaf van motorvoertuigen werden gedaan in gemeen overleg en ten behoeve van gemeenschappelijk nut en plezier'. De man stelt voorts dat hij tijdens der partijen samenwoning geen eigen vermogen had.

3. De man heeft als getuige (proces-verbaal van getuigenverhoor 14 april 2000) verklaard dat toen partijen hun relatie aangingen, zij niets geregeld hebben in de vorm van een 'samenlevingscontract of iets dergelijks'. Nu voorts niet is gesteld of gebleken van een andere grond die aanleiding kan zijn er van uit te gaan dat tussen partijen een, althans enige gemeenschap van goederen heeft bestaan, dient het uitgangspunt van de man met betrekking tot het bestaan van zo'n gemeenschappelijk vermogen te worden verworpen. Bovendien heeft het 'in overleg' doen van uitgaven 'ten behoeve van gemeenschappelijk nut en plezier' - indien de man dat al zou kunnen bewijzen - geen gemeenschappelijke eigendom tot gevolg. Het daarop betrekking hebbende bewijsaanbod van de man - waarbij hij niet aangeeft op welke wijze hij bewijs zal leveren - wordt door het hof gepasseerd als te algemeen en te weinig gespecificeerd.

4. De eerste grief richt zich tegen de vaststelling door de rechtbank in haar vonnis van 15 maart 2000 onder 2.1 dat met betrekking tot contractnummer [nummer] tussen de man en de [naam bank] een kredietovereenkomst was gesloten waarbij aan hem een krediet in rekening-courant werd verleend tot maximaal ƒ 15.000,--.

5. De grief faalt. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft de man gesteld dat hij degene is die onder contractnummer [nummer] met de [naam bank] een kredietovereenkomst heeft gesloten waarbij aan hem een krediet in rekening-courant werd verleend tot maximaal ƒ 15.000,--. De intenties van de man waarmee hij die overeenkomst is aangegaan maken dat niet anders, evenmin als de intenties die de vrouw daarbij zou hebben gehad naar de man stelt en die de vrouw gemotiveerd heeft bestreden.

Voorts stelt het hof vast dat het in eerste aanleg en in hoger beroep door de man gestelde feit dat in de periode dat partijen al samenwoonden in de [adres] de man een kredietovereenkomst onder contractnummer [nummer] met de [naam bank] heeft gesloten en dat daarmee een personenauto, merk Opel, type Kadett werd aangeschaft voor ƒ 15.000,-- (conclusie van antwoord in conventie en van eis in voorwaardelijke reconventie, sub 5 en 6, alsmede memorie van grieven sub 2.1) in tegenspraak is met hetgeen de man zelf als getuige in eerste aanleg heeft verklaard blijkens het proces-verbaal van getuigenverhoor in eerste aanleg gehouden op 14 april 2000:

'Op dat moment had ik een Opel kadett. Voor onze relatie begon was dat mijn auto, ……………'

Deze wijziging van standpunt van de man wordt op geen enkele wijze toegelicht. Het standpunt van de man in hoger beroep is ook in strijd met de verklaringen van zijn moeder, zijn vader en zijn broer [getuige] als getuigen in eerste aanleg blijkens genoemd proces-verbaal van getuigenverhoor.

6. Met de tweede grief richt de man zich tegen overweging 2.2 van het vonnis van 15 maart 2000, voor zover daarin wordt overwogen dat de opbrengst bij verkoop van de door middel van opnamen van het rekening-courantkrediet aangeschafte motorrijtuigen ten goede kwam aan het vermogen van de man, terwijl door hem ook de onderhoudskosten van de motorrijtuigen werden voldaan.

7. De vrouw heeft - kort gezegd - gemotiveerd betwist dat de opbrengst van de verkoop door de man van motorvoertuigen aan beide partijen ten goede kwam.

8. Niet is gebleken dat de motorrijtuigen aan partijen gemeenschappelijk toebehoorden en evenmin dat de opbrengst van de verkoop van motorrijtuigen door de man, mede aan de vrouw ten goede is gekomen. De verklaringen in eerste aanleg afgelegd door de getuigen leiden niet tot een andere conclusie. De tweede grief is derhalve ten onrechte voorgesteld.

9. Het lot van de tweede grief is ook dat van de derde. Daaraan ligt ten grondslag dat het hof hierover onder 3 reeds heeft vastgesteld dat van een gemeenschap van goederen zoals door de man gesteld geen sprake is en ook anderszins niet is gesteld of gebleken dat op enige andere grond tussen partijen enige vermogensrechtelijke gemeenschap heeft bestaan.

10. Ook de vierde en de vijfde grief treffen geen doel. Immers, niet is gebleken van het bestaan van enige gemeenschap van goederen tussen partijen. Wel staat tussen hen vast dat de motorvoertuigen steeds waren geregistreerd ten name van de man en voorts dat hij feitelijk de kooppenningen bij aankoop daarvan heeft voldaan. Onder die omstandigheden is het - bij gebreke van andere aanwijzingen - voldoende aannemelijk dat hij de eigenaar is geweest van deze voertuigen. Het enkele feit dat partijen hebben samengewoond, is onvoldoende om te concluderen dat de vrouw enig vermogensrechtelijk belang heeft gehad bij die voertuigen.

Mitsdien heeft de rechtbank terecht de man in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat partijen gezamenlijk eigenaar waren van de motorvoertuigen die door middel van de kredietfaciliteit werden gefinancierd.

Uit hetgeen door de getuigen blijkens het proces-verbaal van getuigenverhoor in dat verband is verklaard, heeft de rechtbank op goede gronden - die het hof hierbij overneemt en tot de zijne maakt - geoordeeld dat niet kan worden geconcludeerd dat partijen gezamenlijk eigenaren waren van die motorvoertuigen.

11. Inzake de zesde grief overweegt het hof dat de man daarmee kennelijk bedoelt het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 2.3 van het vonnis van 10 januari 2001 te bestrijden dat door de vrouw, na beëindiging van der partijen samenleving bedragen ten laste van de kredietfaciliteit zijn opgenomen. Ook hier heeft de rechtbank naar het oordeel van het hof op goede gronden, die het hof eveneens tot de zijne maakt, beslist dat de man in het hem opgedragen bewijs niet is geslaagd. De grief moet worden verworpen.

12. Aan het resterende bewijsaanbod van de man - waarbij ook ontbreekt op welke wijze dat bewijs zal worden geleverd - moet eveneens worden voorbijgaan als te algemeen en te weinig gespecificeerd.

13. De vrouw vordert in hoger beroep dat het hof op de voet van artikel 355 lid 2 Rv (oud) ook beslist op - kort gezegd - het in dit geding resterende geschil tussen partijen inzake door de man aan de vrouw overgemaakte bedragen van in totaal ƒ 3.150,--. Dit moet worden afgewezen - nu blijkens door de griffier van het hof ter griffie van de rechtbank ingewonnen ambtsberichten ten tijde van het instellen van het onderhavige hoger beroep, (nog) geen (eind)vonnis was gevraagd, zodat het geding in eerste aanleg zich (nog) niet bevond in staat van wijzen.

14. Het bovenstaande brengt mee dat de bestreden von-nissen moeten worden be-krachtigd. De man dient als in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding in hoger beroep te worden veroordeeld.

BESLISSING VAN DE ZAAK IN HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de vonnissen door de rechtbank te Middelburg tussen partijen op 15 maart 2000 en 10 januari 2001 gewezen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af hetgeen meer of anders gevorderd is;

veroordeelt de man in de kosten van het geding in hoger be-roep, aan de zijde van de vrouw tot deze uitspraak begroot op € 986,55, gespeci-ficeerd als volgt:

- € 215,55 vastrecht,

- € 771,-- salaris procureur,

te betalen aan de griffier van dit hof, die daarmee zal hande-len overeenkomstig het bepaalde in artikel 243 Rv.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van den Wildenberg, Pannekoek-Dubois en Stille, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2003, in tegenwoordigheid van de griffier.