Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AK3509

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-02-2003
Datum publicatie
08-10-2003
Zaaknummer
00/1154
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwikeling huwelijkse voorwaarden. Peildatum voor de waardering van het te vermogen gesteld op de datum dat partijen geen gemeenschappelijke huishouding meer voeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak : 19 februari 2003

Rolnummer : 00/1154

Rolnr. rb. : 99.3367

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

A r r e s t

in de zaak van:

[appellant],

wonende te Nieuw Vennep,

appellant, tevens incidenteel geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. F.B. Kloppenburg,

tegen

[verweerster],

wonende te Leiderdorp,

geïntimeerde, tevens incidenteel appellant,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur aanvankelijk mr. J.M.C. ten Hoope, thans mr. E.A.C. van Kempen

HET GEDING

Bij exploot van 13 september 2000 is de man in hoger beroep gekomen van het (tussen)vonnis van 28 juni 2000, door de recht-bank te 's-Gravenhage tussen de partijen gewezen.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in het be-stre-den vonnis heeft ver-meld.

Bij memorie van grieven heeft de man twee grie-ven aangevoerd.

Bij memorie van antwoord heeft de vrouw de grie-ven bestreden. Tevens heeft zij incidenteel hoger beroep ingesteld onder aanvoering van één grief.

Bij memorie van antwoord in het incidentele hoger beroep heeft de man de grief bestreden.

De partijen heb-ben hun procesdossiers aan het hof over-ge-legd en arrest gevraagd.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE-LE HOGER BEROEP

1. De partijen zijn met elkaar gehuwd geweest, na het maken van huwelijks voorwaarden, onder meer inhoudend een uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen en een verrekenbeding. Artikel 5 van de huwelijks voorwaarden luidt, voorzover hier van belang:

"Zolang de echtgenoten een gemeenschappelijke huishouding voeren, zullen zij na afloop van elk jaar berekenen hetgeen van hun inkomsten in dat jaar, zo uit arbeid als uit vermogen, na betaling der in het vorige artikel genoemde kosten der huishouding en belastingschulden, onverteerd is gebleven….Vervolgens zal de echtgenoot die blijkens de berekening het grootste restant heeft, zodanige uitkering aan de andere echtgenoot verplicht zijn te doen, dat beide echtgenoten ieder de helft bezitten van het in dat jaar totaal onverdeeld geblevene." De gemeenschappelijke huishouding van de partijen is per 1 november 1997 beëindigd. Tot het te verrekenen vermogen behoort ondermeer de waarde van de voormalige echtelijke woning te Nieuw Vennep, die op naam van de man staat, en de waarde van de economische eigendom van de man van een woning te Amsterdam.

2. In appel vordert de man primair voor recht te verklaren dat de datum van waardering van de te verrekenen vermogensbestanddelen de datum van het einde van de verrekeningsverplichting, zijnde 1 november 1997, dient te zijn, alsmede dat daarbij voor de woning te Nieuw Vennep de waarde in bewoonde staat in acht genomen dient te worden en dat de partijen met inachtneming van deze beslissingen bij de rechtbank dienen voort te procederen.

3. In zijn eerste grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte in rechtsoverweging 3.8 voor recht heeft verklaard dat de peildatum voor de waardering van het te verrekenen vermogen de datum van de feitelijke verrekening is. Uit de gewisselde stukken van partijen volgt dat zij tijdens het huwelijk geen uitvoering hebben gegeven aan het in artikel 5 opgenomen beding terzake verrekening van overgespaard inkomen. Gelet op het voorgaande dient naar het oordeel van het hof, voor de vaststelling van de wederzijdse verrekeningsvordering, als peildatum te gelden de datum dat partijen geen gemeenschappelijke huishouding meer voeren, zijnde de datum dat partijen feitelijk gescheiden leven. Uit de gewisselde stukken van partijen - alsmede uit de staat van aanbrengst van partijen - volgt dat partijen bij de aanvang van het huwelijk niet over noemenswaardige vermogensbestanddelen beschikte. Het hof gaat ervan uit, dat uit bespaard inkomen van de man en de vrouw vermogen is opgebouwd. De obligatoire verplichting tot verrekening op grond van artikel 5 van de overeenkomst van huwelijksvoorwaarden brengt geen wijziging in de goederenrechtelijke werking van het door partijen gekozen stelsel van uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen. Gezien het feit dat de in geschil zijnde onroerende zaken ten tijde van het huwelijk zijn aangeschaft en niet is gesteld of gebleken dat deze onroerende zaken met privé-gelden van één der partijen zijn aangeschaft, kan in het onderhavige geval het te verrekenen bedrag begroot worden op de waardestijging van de onroerende zaken vanaf datum aankoop tot het moment dat partijen geen gemeenschappelijke huishouding meer voeren. Het tussen partijen bestaande goederenstelsel verzet zich er tegen dat de ene echtgenoot een rechtstreekse aanspraak krijgt op waardestijging van vermogensbestanddelen die door de andere echtgenoot zijn aangeschaft, tenzij er een onweerlegbaar vermoeden bestaat dat het de bedoeling van beide partijen is geweest dat de waardestijging van een goed aan hen beiden dient toe te komen. De verkrijging door één van de echtgenoten van een goed, brengt in beginsel met zich mede dat vermogensfluctuaties van het goed ten laste of ten goede komen van de echtgenoot die het goed heeft verworven. Naar het oordeel van het hof zijn in het onderhavige geval door de vrouw onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld, waaruit zou moeten volgen dat in economische zin de onroerende zaken aan beide partijen moeten worden toegerekend. Terzake de peildatum voor de vaststelling van het tussen partijen uit hoofde van de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden te verrekenen bedrag slaagt de grief van de man.

4. In zijn tweede grief klaagt de man dat de rechtbank zich in rechtsoverweging 3.9 ten onrechte op het standpunt stelt dat de waarde van de woning in Nieuw Vennep in onbewoonde staat dient te worden verrekend. De man voert daarbij aan dat de vrouw nog gedurende twee jaar na 1 november 1997 de woning heeft bewoond. Deze grief van de man faalt. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen dient in het onderhavige geval de verrekening begroot te worden op de waardestijging van de onroerende zaak. Bij de vaststelling van de waarde brengt de redelijkheid in deze met zich mede, dat voor de waardering uitgegaan moet worden van de waarde in onbewoonde staat, temeer nu de man weer de vrije beschikking heeft over de onroerende zaak. Het feit dat de vrouw na het feitelijk uiteengaan van partijen nog enige tijd in de woning heeft verbleven doet hieraan niet af.

5. De incidentele grief van de vrouw richt zich tegen rechtsoverweging 3.11 in het bestreden vonnis, voorzover de rechtbank overweegt dat voorstelbaar is dat voor de woning in Amsterdam de waarde in bewoonde staat bij de afrekening tussen partijen bepalend is. De rechtbank overweegt dit in het kader van het feit dat de juridische eigendom van deze woning aan derden toekomt. In het bestreden vonnis is noch in de overwegingen noch in het dictum een beslissing gegeven omtrent de vraag of voor de afrekening tussen partijen de waarde van deze woning in bewoonde dan wel onbewoonde staat dient te worden meegenomen. Voorts heeft de rechtbank een comparitie gelast teneinde (onder meer) met de partijen te bespreken hoe de waardering van dit pand moet plaatsvinden, naar het hof begrijpt rekening houdend met alle omstandigheden van het geval. In dit licht bezien is het appel van de vrouw prematuur en is zij hierin niet ontvankelijk.

6. De partijen hebben tenslotte over en weer gevorderd elkaar in de kosten van beide instanties te veroordelen. Het hof ziet echter in de omstandigheid dat de partijen ex-echtelieden zijn aanleiding de kosten te compenseren.

BESLISSING

Het hof:

verklaart de vrouw niet ontvankelijk in haar incidenteel appel;

vernietigt het vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 28 juni 2000, voorzover daarin is overwogen dat de peildatum voor de waardering van het te verrekenen vermogen de datum van de feitelijke verrekening is en in zoverre opnieuw rechtdoende: verklaart voor recht dat de peildatum voor de waardering van het te verrekenen vermogen de datum is waarop de gemeenschappelijke huishouding is geëindigd, zijnde 1 november 1997;

bekrachtigt het bestreden vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

compenseert de proceskosten, zo dat ieder de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. De Bruijn-Lückers, Pannekoek-Dubois en Labohm en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 februari 2003, in tegenwoordigheid van de griffier.