Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AI5638

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-09-2003
Datum publicatie
04-09-2003
Zaaknummer
99/1040
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2005:AT2056
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2005:AT2056
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Scientology c.s. hebben in dit geding gevorderd, samengevat:

a) te verklaren voor recht dat de (in eerste aanleg gedaagde) providers door het zonder toestemming van hen (Scientology c.s.), als direct of indirect rechthebbenden, voor derden toegankelijk op door hen gecontroleerde, dan wel aan hen toebehorende computersystemen aanwezig hebben van

1) een verveelvoudiging van werken waarvan Scientology het auteursrecht bezit,

2) een "link" welke bij activering veroorzaakt dat een verveelvoudiging van een werk waarvan Scientology het auteursrecht bezit wordt vertoond op het scherm van de gebruiker,

zich schuldig maken aan een openbaarmaking en/of verveelvoudiging in de zin van de Auteurswet 1912 (hierna: Aw) en/of onrechtmatig jegens hen handelen indien zij van de aanwezigheid van voornoemde documenten respectievelijk het bestaan van voornoemde "link" op de hoogte zijn dan wel hadden behoren te zijn;

b) te verklaren voor recht dat de werken bekend onder de naam OT I tot en met OT VII), althans OT II en OT III niet rechtmatig zijn openbaar gemaakt in de zin van artikel 15a onder 1 Aw ;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2003, 664
NJF 2003, 93
Computerrecht 2003, p. 350 met annotatie van K.J. Koelman
IER 2003, 69 met annotatie van F.W. Grosheide
BIE 2004, 57 met annotatie van A.A. Quaedvlieg
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 4 september 2003

Rolnr. 99/1040

Rolnr.rb. 96/1048

Het Gerechtshof te 's-Gravenhage, kamer M C-5, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van:

1. het rechtspersoonlijkheid bezittende kerkgenootschap naar buitenlands recht

CHURCH OF SPIRITUAL TECHNOLOGY,

gevestigd te Los Angeles, Verenigde Staten van Amerika,

2. het rechtspersoonlijkheid bezittende kerkgenootschap naar buitenlands recht

RELIGIOUS TECHNOLOGY CENTER,

gevestigd te Los Angeles, Verenigde Staten van Amerika,

3. de rechtspersoon naar buitenlands recht

NEW ERA PUBLICATIONS INTERNATIONAL ApS,

gevestigd te Kopenhagen, Denemarken,

hierna ook te noemen: Scientology, RTC en NEPI, dan wel gezamenlijk Scientology c.s.,

appellanten, tevens incidenteel geintimeerden,

procureur: mr E. Grabandt,

advocaat: mr R. Hermans (Amsterdam),

t e g e n:

1 . DATAWEB B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

2. de stichting STICHTING TEMPORARY,

(voorheen Stichting XS4ALL)

gevestigd te Amsterdam,

3. de stichting STICHTING DE DIGITALE STAD,

gevestigd te Amsterdam,

4. CISTRON INTERNET SERVICES B.V.,

gevestigd te Alphen aan den Rijn,

5. INTERNET ACCESS EINDHOVEN B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

6. de vennootschap naar buitenlands recht

EURONET INTERNET INC.,

gevestigd te Wilmington, Verenigde Staten van Amerika,

7. WIREHUB! INTERNET B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

8. de stichting STICHTING INTERNET ACCESS,

gevestigd te Slochteren,

9. [A],

(handelende onder de naam B-ART MIDDEN NEDERLAND),

wonende te Leidschendam,

10. de vennootschap onder firma LUNATECH RESEARCH B.V. i.o.,

(voorheen de vennootschap onder firma Lunatech Research),

gevestigd te Rotterdam,

11. [B], vennoot van geïntimeerde sub 10,

wonende te Rotterdam,

12. [C], vennoot van geïntimeerde sub 10,

wonende te Workingham, Verenigd Koninkrijk

13. [D], vennoot van geïntimeerde sub 10,

wonende te Schagen,

14. [E], vennoot van geïntimeerde sub 10,

wonende te Odijk, gemeente Bunnik,

15. de vennootschap onder firma SPIRIT INTERACTIVE DIENSTEN B.V. i.o.,

gevestigd te Rotterdam,

16. N.V. ENECO, vennoot van geïntimeerde sub 15,

gevestigd te Rotterdam,

17. ROTTERDAMS DAGBLAD B.V., vennoot van geïntimeerde sub 15,

gevestigd te Rotterdam,

18. de gemeente ROTTERDAM (ONTWIKKELINGSBEDRIJF ROTTERDAM),

vennoot van geïntimeerde sub 15,

zetelend te Rotterdam,

19. METROPOLIS INTERNET B.V.,

gevestigd te Dordrecht,

20. [F],

wonende te Amsterdam,

21. B-ART NOORD NEDERLAND B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

22. de stichting STICHTING TELEBYTE,

gevestigd te Nijmegen,

hierna ook te noemen: [F] (geïntimeerde sub 20) en de Providers (geïntimeerden sub 1 tot en met 5, 7 tot met 19, 21 en 22),

geïntimeerden, [F] en de Providers tevens incidenteel appellanten,

procureur: mr W. Taekema

advocaten: mr P.H. Bakker Schut en mr J.C.H. van Manen (beiden te Amsterdam).

Het geding

Scientology c.s. zijn bij exploiten van 8 en 9 september 1999 in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank 's-Gravenhage tussen Scientology c.s. als eisers enerzijds en onder meer geïntimeerden als gedaagden anderzijds gewezen vonnis van 9 juni 1999. Zij hebben daartegen drie (onvoorwaardelijke) grieven en drie voorwaardelijke grieven aangevoerd.

De procedure tussen Scientology c.s. en geïntimeerde sub 6 is op 27 april 2000 geroyeerd. De Providers en [F] hebben de grieven bestreden. Zij hebben, incidenteel appellerend, acht grieven tegen het vonnis aangevoerd, welke door Scientology c.s. zijn bestreden.

Partijen hebben vervolgens hun standpunten doen bepleiten door hun voornoemde advocaten aan de hand van pleitnotities, waarna zij onder overlegging van hun processtukken arrest hebben gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Nu de procedure tegen geïntimeerde sub 6 is geroyeerd, behoeft daarop niet meer te worden beslist.

2. Het gaat in dit geding, kort aangeduid, om het volgende. In 1991 heeft Scientology tegen onder m[G], voormalig lid van Scientology, een procedure aangespannen. In die procedure heeft [G] een schriftelijke partijverklaring (de zgn. [G] Affidavit) ingebracht, met bijlagen waaronder vertrouwelijke delen uit de werken over de Scientology-leer en -organisatie, welke werken bekend zijn onder de naam Operating Thetan I tot en met Operating Thetan VII (hierna ook te noemen OT I tot en met OT VII)). [F] heeft in 1995 de [G] Affidavit met bijlagen waaronder vertrouwelijke delen uit de OT-werken, op haar websites bij (voorheen genaamd) XS4ALL en bij Planet Internet geplaatst. Nadat zij deze vóór 23 februari 1996 had verwijderd, heeft [F] haar eigen relaas over Scientology op haar websites (hierna aan te duiden als: website (in het enkelvoud)) gezet, in welk relaas enige citaten uit onder meer OT II, OT III en Ability zijn opgenomen (producties 19a, 19b en 19c in kort geding, overgelegd bij conclusie van antwoord van mr Bakker Schut).

3. De door de rechtbank vastgestelde feiten, weergegeven onder 1 van het vonnis, zijn niet bestreden, zodat ook het hof van deze feiten zal uitgaan.

Dit brengt mee dat ook in hoger beroep ervan zal worden uitgaan dat de citaten uit OT II en OT III op de website van [F] overeenkomen met de desbetreffende teksten uit de originele werken OT II en OT III.

4. Scientology c.s. hebben in dit geding gevorderd, samengevat:

a) te verklaren voor recht dat de (in eerste aanleg gedaagde) providers door het zonder toestemming van hen (Scientology c.s.), als direct of indirect rechthebbenden, voor derden toegankelijk op door hen gecontroleerde, dan wel aan hen toebehorende computersystemen aanwezig hebben van

1) een verveelvoudiging van werken waarvan Scientology het auteursrecht bezit,

2) een "link" welke bij activering veroorzaakt dat een verveelvoudiging van een werk waarvan Scientology het auteursrecht bezit wordt vertoond op het scherm van de gebruiker,

zich schuldig maken aan een openbaarmaking en/of verveelvoudiging in de zin van de Auteurswet 1912 (hierna: Aw) en/of onrechtmatig jegens hen handelen indien zij van de aanwezigheid van voornoemde documenten respectievelijk het bestaan van voornoemde "link" op de hoogte zijn dan wel hadden behoren te zijn;

b) te verklaren voor recht dat de werken bekend onder de naam OT I tot en met OT VII), althans OT II en OT III niet rechtmatig zijn openbaar gemaakt in de zin van artikel 15a onder 1 Aw ;

c) [F] te bevelen, op straffe van een dwangsom, iedere inbreuk op de auteursrechten van Scientology te staken en gestaakt te houden, waaronder iedere openbaarmaking en/of verveelvoudiging van de documenten Ability en OT I tot en met OT VII, althans van de documenten Ability, OT II en OT III;

d) de providers te bevelen, op straffe van dwangsommen,

primair: iedere inbreuk op de auteursrechten van Scientology te staken en gestaakt te houden, waaronder iedere openbaarmaking en/of verveelvoudiging van de documenten Ability, OT I tot en met OT VII , althans van de documenten Ability, OT II en OT III;

subsidiair: zorg te dragen voor onmiddellijke verwijdering van inbreukmakende documenten, waaronder Ability en OT I tot en met OT VII, althans van de documenten Ability, OT II en OT III, zodra zij worden gewezen op de aanwezigheid daarvan op hun computersysteem dan wel een door hen gecontroleerd computersysteem;

meer subsidiair: zodra zij worden gewezen op de aanwezigheid van eerder genoemde inbreukmakende documenten op hun computersysteem dan wel een door hen gecontroleerd computersysteem, de desbetreffende gebruiker te verzoeken de inbreukmakende documenten onmiddellijk te verwijderen bij gebreke waarvan zij de gebruiker verdere toegang tot hun computersyteem zullen ontzeggen;

e) de providers te bevelen, op straffe van dwangsommen, Scientology c.s. te informeren over de namen en adressen van derden die via hun computersysteem of een door hen gecontroleerd computersysteem inbreukmakende documenten openbaar gemaakt of verveelvoudigd hebben, dan wel zullen openbaar maken of verveelvoudigen.

De rechtbank heeft bij het vonnis waarvan beroep de gevorderde verklaringen voor recht sub a) en de jegens de providers (met uitzondering van de vennootschap onder firma Lunatic Research en haar vennoten en Dutch Channel Ltd) gevorderde bevelen sub d) subsidiair en e) toegewezen als in het vonnis is vermeld, en heeft de vorderingen voor het overige afgewezen.

5. In hoger beroep is niet meer weersproken dat (delen van) de werken OT II, OT III en Ability een eigen, oorspronkelijk karakter bezitten en het persoonlijk stempel van de maker dragen en aldus auteursrechtelijk beschermd zijn.

In hoger beroep herhalen [F] en de Providers hun betwisting dat het auteursrecht op de OT-werken toekomt aan Scientology. De rechtbank heeft overwogen, [H] de auteursrechten op zijn werken bij testament heeft vermaakt aan de Trustee of Author's Family Trust B en dat blijkens de ten processe overgelegde akte van "Assignment" met de daarbij behorende "Attachment B" (productie 10 bij conclusie van eis in eerste aanleg van Scientology c.s.) de auteursrechten op OT I tot en met OT III, die in die akte worden vermeld, evenals het auteursrecht op Ability, zijn overgedragen aan Scientology, en dat aan RTC respectievelijk NEPI een licentie is verleend met betrekking tot (onder meer) OT II en OT III respectievelijk (onder meer) Ability. Nu [F] en de Providers dit onvoldoende hebben weersproken, gaat het hof ervan uit dat Scientology, voor zover van belang, auteursrechthebbende is op de werken OT II, OTIII en Ability en dat RTC en NEPI licentiehoudster zijn met betrekking tot OT II en OT III respectievelijk Ability.

Wat de overige werken betreft stellen Scientology c.s. onder 19 van hun memorie van antwoord in het incidenteel appèl dat het feit dat in deze procedure alleen het auteursrecht van Scientology c.s. op de werken OT II, OT III en Ability is komen vast te staan niet afdoet aan de verplichting van de Providers om "de verveelvoudiging van andere werken", waarop Scientology auteursrecht heeft, te verwijderen dan wel te blokkeren na ontvangst van een kennisgeving aan de juistheid waarvan in redelijkheid niet valt te twijfelen.

Daar Scientology c.s. ook in hoger beroep niet nader hebben onderbouwd dat zij rechthebbende(n) zijn op andere werken dan OT II, OT III en Ability, gaat het hof aan de vermeende inbreuk op die "andere werken" voorbij.

6. Scientology c.s. hebben hun vorderingen (primair) gebaseerd op het recht zich te verzetten tegen het zonder toestemming openbaarmaken en verveelvoudigen van auteursrechtelijk beschermde werken waarvan zij het auteursrecht bezitten.

Hieronder zal worden nagegaan of er in het onderhavige geval sprake is van beperkingen op het auteursrecht, met name op grond van artikel 15a van de Auteurswet 1912 en artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna ook: EVRM), nu [F] en de Providers hun beroep op deze beperkingen in hoger beroep hebben gehandhaafd.

Het hof merkt in dit verband op dat het enkele overleggen van processtukken (al dan niet met producties) uit een eerder gevoerd kort geding en/of het zich daarop in algemene zin beroepen niet voldoen/voldoet aan het vereiste dat een partij die zich op bepaalde feiten en omstandigheden wil beroepen, dit op zodanige wijze moet doen dat voor de rechter voldoende duidelijk is wat als grondslag voor de vordering wordt voorgelegd en voor de wederpartij waarop zij haar verdediging dient af te stemmen (vgl. HR 31 december 1993, NJ 1994, 387 en HR 8 januari 1999, NJ 1999, 342).

7.1. Grief I in het principaal appèl, gericht tegen rechtsoverweging 13 van het vonnis, betreft de afwijzing (en de motivering daarvan) van de gevorderde verklaring voor recht, inhoudende dat de desbetreffende OT-werken niet rechtmatig openbaar zijn gemaakt in de zin van artikel 15a Aw.

7.2. Tussen partijen is niet in geschil dat (ook) de vraag, of de desbetreffende OT-werken (bijlagen van de [G] Affidavit) waaruit [F] op haar website heeft geciteerd, (eerder) rechtmatig openbaar zijn gemaakt, moet worden beoordeeld naar Nederlands recht, zijnde het recht van het land waar de auteursrechtelijke bescherming wordt ingeroepen.

Volgens artikel 15a Aw (welke bepaling is ontleend aan artikel 10 lid 1 Berner Conventie) is het citeren uit een auteursrechtelijk beschermd werk geoorloofd mits wordt voldaan aan een aantal in de wet omschreven voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat het werk waaruit wordt geciteerd reeds rechtmatig openbaar is gemaakt. Tussen partijen bestaat er kennelijk geen verschil van mening over dat het relaas van [F] op haar website aan de overige in artikel 15a Aw genoemde voorwaarden voldoet.

7.3. Niet weersproken is dat het door NEPI gepubliceerde werk Ability rechtmatig openbaar is gemaakt. Dit brengt mee dat het [F] op grond van artikel 15a Aw vrij staat te citeren uit Ability, mits aan de andere wettelijke voorwaarden wordt voldaan.

7.4. Scientology c.s. stellen zich op het standpunt dat de OT-werken nooit eerder rechtmatig openbaar zijn gemaakt en dat aan [F] ook geen toestemming is gegeven voor het citeren uit die werken. Die werken, aldus Scientology c.s., worden slechts in beveiligde ruimten ter inzage gegeven aan geselecteerde leden aan wie bovendien strikte geheimhouding is opgelegd. Volgens Scientology worden alleen die leden geselecteerd "die een bepaald niveau van spiritualiteit hebben bereikt en die door de Church worden uitgenodigd deel te nemen aan religieuze bijeenkomsten waarbij beperkt gebruik wordt gemaakt van de OT-werken."

7.5. [F] en de Providers voeren aan dat de stukken OT II en OT III, die sinds de jaren '50 bestaan, geruime tijd binnen de Scientology-gemeenschap hebben gecirculeerd en dat leden, die het desbetreffende "OT-level" hadden bereikt de documenten in hun bezit kregen (pleitnotities mr Van Manen in eerste aanleg, 28). Zij beroepen zich op een verklaring va[I] (zie Appendix p.115 e.v., KS-28, bij het Verweer van [F] (productie 2c in kort geding, overgelegd bij conclusie van antwoord van mr Bakker Schut) en de getuigenverklaring van [J], vice-president van RTC (kenbaar uit pagina's 52 en 53 van het door Scientology c.s. als productie 47 overgelegde Zweedse vonnis van 14 september 1998), dat ongeveer 20.000 tot 25.000 (en bij pleidooi in hoger beroep: minimaal 25.000) mensen OT II en OT III hebben gelezen, en op de pagina's 53 en 54 van dat vonnis.

Daarnaast stellen [F] en de Providers dat de teksten openbaar zijn gemaakt doordat deze gedurende geruime tijd in de bibliotheek van het District Court for the Central District of California ter inzage hebben gelegen en daarvan tegen betaling afschriften verkrijgbaar waren (zie Memorandum Opinion van 30 augustus 1995 in RTC vs. Lerma (productie 2c in kort geding; Appendix, p. 33, KS-9, bij het Verweer van [F] en voorts Memorandum Opinion and Order of the District Court Colorado van 15 september 1995 inzake F.A.C.T. NET/RTC (productie 3 in kort geding, overgelegd bij pleidooi in eerste aanleg door mr Pors)).

Scientology c.s. weerspreken op zichzelf niet dat door de jaren heen een groot aantal personen heeft kennisgenomen van de OT II en OT III, maar voeren aan dat dit geschiedde onder strikte geheimhouding. Zij betwisten dat werken aan leden werden (mee)gegeven, en voeren aan dat, indien derden (waaronder gewezen leden) inzage van de geschriften hebben gekregen, dit op onrechtmatige wijze is geschied.

7.6. Scientology c.s. betogen dat de term "openbaar gemaakt" in artikel 15a Aw de eerste openbaarmaking betreft; het gaat daarbij om het verschijnen, het toegankelijk maken van werken voor een algemeen publiek.

[F] en de Providers beroepen zich wat de uitleg van "openbaar gemaakt" in artikel 15a Aw betreft onder meer op artikel 12, lid 4 Aw en, naar het hof begrijpt, op artikel 12, lid 1, onder 2o Aw.

7.7. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Noch de Berner Conventie noch de Auteurswet 1912 geven een omschrijving van het (primaire) begrip "openbaar maken" (of van "verveelvoudigen"). Het begrip openbaar maken dient volgens de wetgever te worden verstaan naar zijn oorspronkelijke betekenis.

"Wat in de eerste plaats moet worden verstaan onder "het openbaar maken", waartoe de uitsluitende bevoegdheid een essentiale is van het auteursrecht, behoeft de wet niet te bepalen. Ten aanzien van ieder soort van letterkundig, wetenschappelijk of kunstwerk geeft het woord zijn natuurlijk begrip duidelijk aan. Bij letterkundig en wetenschappelijke werken, die in een geschrift bestaan, betekent het in druk doen verschijnen en voor het publiek verkrijgbaar stellen, uitgeven. Evenzoo bij muziekstukken. Bij schilderijen en beeldhouwwerken moet men eronder verstaan, het inzenden op enen tentoonstelling, voor het publiek toegankelijk. (…)" (memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Auteurswet 1912).

Omdat volgens de wetgever met het primaire begrip openbaar maken niet kan worden volstaan, is destijds daarnaast in de wet een aantal handelingen vermeld die "mede" als openbaarmaking worden beschouwd (zie artikel 12 Aw).

De memorie van antwoord bij de wet tot aanpassing van de Auteurswet 1912 aan de Akte van Parijs van de Berner Conventie, Stb. 1985, 307 (Tweede Kamer, zitting 1982-83, 16740, nr.7, pag. 8) houdt onder meer in:

" De eis van een rechtmatig openbaarmaking in artikel (thans) 15a is ontleend aan artikel 10, eerste lid van de Akte van Parijs van de Berner Conventie betreffende het citaatrecht en wordt daar gesteld omdat men het citaatrecht niet wilde laten gelden voor manuscripten of werken voor een beperkt publiek, maar alleen voor werken die tot het gehele publiek gericht zijn."

7.8. Naar het oordeel van het hof is met "openbaar gemaakt" in artikel 15a, lid 1 Aw dan ook bedoeld de eerste openbaarmaking in de oorspronkelijke betekenis. De openbaarmaking moet voorts rechtmatig zijn geweest.

Ten overvloede wordt voor het geval, dat ervan zou worden uitgegaan dat onder "openbaar gemaakt" in artikel 15a Aw mede de uitbreidingen ingevolge artikel 12 Aw zijn begrepen, nog het volgende overwogen.

Artikel 12, lid 1 onder 2o, Aw is niet van toepassing, omdat die bepaling de verbreiding van werken betreft die -anders dan de werken OT II en OT III - (nog) niet in druk zijn verschenen (manuscripten).

Het hof verwerpt het beroep op artikel 12, lid 4 Aw evenzeer. Deze bepaling heeft slechts betrekking op een voordracht, op- of uitvoering of voorstelling dan wel een tentoonstelling van een werk. Feiten en omstandigheden waaruit volgt dat daarvan bij de werken OT II en OT III sprake is geweest zijn door [F] en de Providers niet (genoegzaam) gesteld, noch is daarvan gebleken. Laatstbedoelde bepaling geeft overigens een omschrijving van aan de auteur voorbehouden exploitatiehandelingen en betreft dus niet het recht van eerste openbaarmaking (vgl. memorie van toelichting bij het wetsvoorstel (Tweede kamer, zitting 1964-65, nr.3) dat heeft geleid tot de wet van 27 oktober 1972 tot herziening van de Auteurswet 1912, Stb.1972, 579).

7.9. Uit de processtukken blijkt dat de [G] Affidavit met bijlagen gedurende een periode van ongeveer twee jaren ter inzage heeft gelegen in de bibliotheek van de District Court for the Central District of California en dat in die periode kopieën van dat document voor derden vrijelijk verkrijgbaar waren.

Hoewel uit de processtukken blijkt dat de [G] Affidavit (met de bijlagen) via het internet is verspreid en aldus in het publieke domein is gekomen, moet op grond van de processtukken ervan worden uitgegaan dat daartoe noch door Scientology noch door Scientology c.s. toestemming is verleend, zodat het hof ervan zal uitgaan dat op deze wijze de documenten niet rechtmatig openbaar zijn gemaakt.

7.10. Ten processse staat vast dat OT II en OT III vanaf de jaren '50 binnen Scientology zijn verspreid. Niet voldoende weersproken is voorts dat in de loop der jaren een groot aantal leden (het aantal van 20.000 à 25.000 is onvoldoende betwist) daarvan kennis heeft genomen. Verder is gebleken dat in elk geval thans de leden van Scientology zijn gebonden aan een geheimhoudingsverplichting en dat er sprake is van stringente beveiligingsmaatregelen op dit punt (zoals het hof op de bij pleidooi getoonde video-opname zelf heeft kunnen waarnemen). De juistheid van de -door Scientology c.s. betwiste- stelling van [F] en de Providers dat er in het verleden geen geheimhoudingsverplichting voor de leden gold en dat de OT-documenten vrijelijk binnen en buiten de Scientology-organisatie hebben gecirculeerd staat niet vast op grond van de processtukken. Daartoe zijn de verklaringen van [I] en [J] te weinig concreet. Bovendien valt ook uit hun verklaringen af te leiden dat er wel een geheimhoudingsplicht was maar dat die niet of niet voldoende werd nageleefd. Dit laatste is niet zonder meer gelijk te stellen aan een stilzwijgende toestemming om de documenten te verspreiden. Nu [F] en de Providers hun stelling onvoldoende hebben geconcretiseerd en/of onderbouwd en nu ook niet is gebleken dat wat het kennis nemen van OT II en OT III betreft er voor leden ook tegenover derden (niet-leden) geen geheimhoudingsplicht bestond en evenmin dat die documenten zonder beperking ook voor derden ter inzage waren, passeert het hof het bewijsaanbod van [F] en de Providers als onvoldoende gesubstantieerd en gaat het hof ervan uit dat de leden geen toestemming hadden die werken onbeperkt, dus ook onder derden, te verspreiden.

7.11. Het vorenstaande brengt mee dat aan de hierboven onder 7.2 genoemde voorwaarde van "rechtmatig openbaar gemaakt", als bedoeld in artikel 15a Aw, niet is voldaan.

7.12. In het arrest HR 20 oktober 1995, NJ 1996, 682 is onder meer overwogen:

"3.6.2. (...) Wel is in paragraaf 6 van Hoofdstuk I van de Auteurswet 1912 een aantal beperkingen van het auteursrecht opgenomen, waaraan in de regel een afweging ten grondslag ligt van de belangen van de rechthebbende op het auteursrecht tegenover de maatschappelijke of economische belangen van anderen of tegen het algemeen belang.

Deze uitdrukkelijke beperkingen sluiten echter niet uit dat de grenzen van het auteursrecht ook in andere gevallen aan de hand van een vergelijkbare afweging nader moeten worden bepaald, in het bijzonder wanneer de behoefte aan de desbetreffende begrenzing door de wetgever niet is onderkend en zij past in het stelsel van de wet, zulks in het licht van de ontwikkeling van het auteursrecht als middel tot bescherming van commerciële belangen.

Bij een zodanige afweging kan bij een of meer in de wet opgenomen beperkingen aansluiting worden gezocht."

In het genoemde arrest is beslist dat het wettelijk stelsel van de grenzen van het auteursrecht in de Auteurswet 1912 niet limitatief is. Het hof is evenwel van oordeel dat het stelsel van de Auteurswet (en de Berner Conventie) in dit geval geen ruimte biedt om de grenzen van het essentiële primaire begrip "openbaar maken" en de term "rechtmatig" in artikel 15a Aw ruimer te bemeten. Evenmin doet zich de omstandigheid voor, dat het belang niet is onderkend auteursrechtelijke beschermde werken beschikbaar te stellen om daaruit te citeren in een aankondiging, beoordeling, polemiek of wetenschappelijke verhandeling.

Grief I in het principaal appèl slaagt derhalve, maar kan gelet op hetgeen hierna zal worden overwogen niet tot vernietiging van het vonnis leiden.

8.1. [F] en de Providers betogen verder dat de uitoefening (en handhaving) van het auteursrecht door Scientology c.s. in strijd is met artikel 10 EVRM. Zij voeren aan dat [F] met het litigieuze relaas op haar website, waarin citaten uit de OT II, OT III (en Ability) voorkomen, heeft beoogd informatie te verstrekken over de Scientology-leer en -organisatie en te waarschuwen voor misstanden daarbij.

8.2. Ingevolge het tweede lid van artikel 10 EVRM kan het recht op informatievrijheid worden onderworpen aan beperkingen die in een democratische samenleving nodig zijn ter bescherming van onder meer de rechten van anderen. Onder die rechten valt in beginsel mede het auteursrecht, nu dit bij de wet is voorzien en dient ter bescherming van de rechten van anderen.

Denkbaar is dat er bijzondere gevallen zijn waarin de handhaving van het auteursrecht, zoals een inbreukverbod, moet wijken voor de informatievrijheid.

Hieronder zal worden nagegaan of in het onderhavige geval toewijzing van de vorderingen van Scientology c.s. - hetgeen leidt tot beperking van de informatievrijheid -, in een democratische samenleving nodig is, met andere woorden of deze beperking beantwoordt aan een dringende maatschappelijke behoefte ("pressing social need") en een gerechtvaardigd doel dient ("proportionate to the legitimate aim pursued"), waartoe -rekening houdende met alle omstandigheden van het geval- een proportionaliteitstoets/ belangenafweging dient plaats te vinden en waarbij aan de nationale autoriteiten een zekere beleidsvrijheid

("margin of appreciation") is overgelaten (vgl. EHRM 26 april 1979, NJ 1980, 146).

8.3. Met betrekking tot de leer en organisatie van Scientology c.s.en de gang van zaken bij de Scientology-organisatie is uit de -in zoverre niet voldoende weersproken- processtukken het volgende gebleken:

- Aangaande de Scientology-leer uit OT III:

Miljoen jaren geleden heeft Xenu, de kwade prins die over het Galactisch Universum heerste, een overbevolkingsprobleem opgelost door mensen naar de aarde te transporteren en twee kernbommen te laten exploderen, één op Las Palmas en één op Hawaï. Hun zielen ("Thetans") zwerven nog steeds op aarde. Wij zijn die Thetans, maar we zijn versuft en afgestompt; Scientology leert ons hoe mensen hun volledige vermogens kunnen terugkrijgen en de status "Operating Thetan" kunnen bereiken. Een Operating Thetan kan mensen met gedachten bedwingen, heeft een bovenmatige intelligentie en kan met dieren en planten communiceren. Voorts hebben mensen trauma's ("engrammen"), vaak opgedaan in vorige levens, en die kun je weg krijgen via Scientology; ten slotte zijn er "Body Thetans", die eveneens voor flinke problemen zorgen; en ook die kunnen aanhangers leren kwijt te raken. Helaas zijn er oneindig veel (zie pleitnota in kort geding van mr Bakker Schut onder 1.a, waarnaar in zijn pleitnota in dit geding wordt verwezen).

- Voorts staat als niet voldoende weersproken vast dat de lessen in de Scientology-leer gepaard gaan met "auditing". Daarbij moeten leden van Scientology onder begeleiding van een leraar ("auditor") allerlei tegenstrijdige "notions" herhalen of zich bepaalde incidenten voorstellen, terwijl zij tegelijkertijd een zogenaamde E-meter vasthouden, een soort leugendetector die hun reactie moet meten. Pas als de E-meter een gewenste uitslag geeft, mogen zij zich bezig houden met de volgende onderdelen van de leer.

- Een door de Bondsregering van Duitsland uitgegeven brochure (productie 18 in kort geding van mr Bakker Schut) houdt onder meer in:

als voorwoord van de Duitse minister voor Familiezaken, Ouderen, Vrouwen en Jeugd:

"Viele Bürgerinnen und Bürger, die sich von den bedenklichen Praktiken und Activitäten der Scientology-Organisation betroffen fühlen, wenden sich an mich mit der Bitte um Hilfe und Rat: junge Frauen und Männer, die durch Scientology ihre Berufsausbildung abgebrochen, ihren Beruf aufgegeben, ihre Familien verlassen haben und in materielle Schwierigkeiten geraten sind.( . ..) Diese Entwicklung erfüllt mich mit wachsender Sorge.

Die Scientology-Organisation ist keine Religions- oder Weltanschauungsgemeinschaft, sondern ein weltweit operierendes, hemmungslos auf Gewinn ausgerichtetes Unternehmen.

In de brochure is verder vermeld:

"Um die einzige "Wahrheit" zu bewahren, wird Kritik innerhalb des Systems nicht geduldet. Ein ausgeklügeltes Kontroll- und Überwachungssystem sorgt dafür, dass Abweichler erkannt und "gehandhabt" werden können.

(…)

Die Gefahren für die Gesellschaft liegen in der Zielsetzung Scientologys, die bestehende Ordnung scientologisch zu beherrschen. Eine scientologisch geprägte Gesellschaft kennt keine Freiheitsrecht im Sinne des Grundgesetzes.

(…) Denn: Scientology ist nicht harmlos. Es ist auch keine Religions- oder Glaubensgemeinschaft. Es ist vielmehr eine auf unbedingte Gewinnmaximierung ausgerichtete wirtschaftliche Organisation, deren Ideologie totalitäre Züge trägt und deren Weltbild das Bundesarbeidsgericht als menschenverachtend bezeichnet hat." (pag. 7)

"Ziel der Scientology-Organisation ist die Erschaffung eines neuen Menschen scientologischer Prägung und einer neuen ausschliesslich nach scientologischen Richtlinien funktionierende Welt. Scientology strebt die Weltherrschaft an. Dies wird insbesondere aus [H]s Aussagen zur "bisherigen" Demokratie deutlich. Ohne zwischen den verschiedenen derzeit bekannten Demokratieformen zu unterschieden, wird jedwede Demokratie als nutzlos beschrieben:

" Ich sehe nicht, dass populäre Massnamen, Selbstverleugnung und Demokratie dem Menschen irgendetwas gebracht haben, ausser ihn weiter in den Schlamm zu stossen."

Damit erhebt Scientology den Absolutsanspruch auf den einzig wahren Heilsweg." (pag. 15)

(...) [H] lehnt Recht als "Anwendung des Gesetzes" ab. (…) Für ihn ist Recht nicht ein Normenkatalog zur Begründung von Rechten und Pflichten des Bürgers (…) Recht ist das, was Scientology weiterbringt."(pag. 16).

- Een Affidavit van [K], de oudste zoon van [H] (productie 9 in kort geding van mr Bakker Schut ) houdt onder meer in:

"5. (…)

In connection with each and every corporation which we created under general heading of the "Church of Scientology", my father always required all of the Directors and Officers of all corporations to give him undated signed resignations in advance which he held. In that manner he always has retained complete control over every corporation including its bank accounts.

(…)

7. My father obtained the rights to the E.meter in 1952 from [M] .(…) My father learned about the E-meter from [M] who developed it and my father fraudulently extracted those rights from [M] so that my father could use it in Scientology auditing.

8. My father has always used the confidential information extracted from people during auditing sessions to intimidate, threaten and coerce them to do what he wanted, which often meant getting them to give him money.

(…)

10. My father's basic policies relating to "suppressive persons", "Fair Game", "attack the attacker", etc. have always been and will always be an integral part of Scientology. The organizational structure of Scientology and the theories of Scientology cannot operate and Scientology would not be scientology without such policies.

My father and I discussed the basic theories of dealing with suppressive persons, such as what eventually became designated as the "Fair Game Doctrine" on many occasions. These policies have never changed."

- De door Scientology c.s. niet weersproken Declaration van [L] (voormalig President van RTC) (productie 9 in kort geding van mr Bakker Schut) houdt onder meer in:

"(...)

22. The legal strategy of Scientology and the existence of numerous potential legal problems, some of which are set forth below, were known to me when I was a staff member in Scientology. Enemies of Scientology are deemed to be "suppressive persons" ("SPs"). One becomes a "suppressive person" by doing a suppressive act, such as suing Scientology as a litigant or lawyer. In the jargon of Scientology, when one is "declared" this means that one has been declared a "suppressive person" and, therefore, may be harassed, hurt, damaged or destroyed without regard to truth, honesty or legal rights. It is considered acceptable within Scientology to lie, cheat, steal and commit illegal acts in the name of dealing with a "suppressive person"

23. This practice or policy is sometimes referred to as the policy of "fair game".(…) The fair game policy was issued in the 1960s. It was never cancelled. A document was issued for public relations reasons that purportedly canceled "fair game"; however, that document stated that it did not change the manner of handling persons declared "SP"."

8.4. Uit de door mr Bakker Schut in het geding gebrachte producties 19a,19b en 19c blijkt dat het relaas van [F] naast citaten van derden enkele citaten uit OT II en III bevat. Naar het oordeel van het hof moeten de citaten uit OT II en OT III worden bezien in de context van haar gehele relaas en is daarbij gebleken dat deze citaten, hoewel gering in aantal, de door haar beoogde informatieverstrekking over de Scientology-leer en de gang van zaken bij de Scientology-organisatie ondersteunen en geloofwaardig maken. Gesteld noch gebleken is dat zij daarmee (mede) een commercieel doel heeft beoogd.

Uit de hiervoor onder 8.3 vermelde teksten blijkt dat Scientology c.s. met hun leer en organisatie de verwerping van democratische waarden niet schuwen Uit die teksten volgt tevens dat met de geheimhouding van OT II en OT III mede wordt beoogd macht uit te oefenen over leden van de Scientology-organisatie en discussie over de leer en praktijken van de Scientology-organisatie te verhinderen.

Als bijkomende omstandigheid geldt dat de documenten OT II en OT III door toedoen van voormeld District Court te Californie tijdelijk voor ieder verkrijgbaar waren, aldus in het publiek domein zijn geweest en in die periode op het internet zijn geplaatst.

Verder heeft het hof in aanmerking genomen dat het dwingen van de Providers om in dit geval de informatie van [F] te verwijderen of ontoegankelijk te maken disproportioneel is.

Naar 's hofs oordeel kan in deze bijzondere omstandigheden niet worden gezegd dat een beperking van de informatievrijheid op grond van de handhaving van het auteursrecht nodig is in de zin van artikel 10 EVRM en evenmin dat het belang van [F] en de Providers en het algemeen belang bij de informatievrijheid van artikel 10 lid 1 EVRM in verhouding tot dat van Scientology c.s. bij handhaving van hun auteursrecht in dit geval minder zwaar weegt. Derhalve behoort het eerstgenoemde belang niet te wijken voor het belang van Scientology c.s. en slaagt het beroep op artikel 10 lid 1 EVRM.

9. Voor zover [F] en de Providers een beroep doen op artikel 11 Aw., behoeft daarop gezien het vorenstaande niet meer te worden ingegaan.

10. Of door het plaatsen van de (gehele) [G] Affidavit met bijlagen op de website al dan niet aan de eis van proportionaliteit is voldaan dan wel of artikel 10 lid 1 EVRM al dan niet moet wijken voor de beperking van het auteursrecht, kan naar het oordeel van het hof buiten beschouwing blijven op grond van het volgende.

Naar vast staat heeft [F] de [G] Affidavit met bijlagen in 1995 op de website geplaatst en vóór 23 februari 1996 daarvan verwijderd. Scientology c.s. hebben betoogd dat dit is geschied na sommatie en onder de druk van een kort geding. Nu [F] ook na het vonnis in kort geding en na het vonnis waarvan beroep (in welke beide gedingen een inbreukverbod jegens haar werd afgewezen) niet is overgegaan tot publikatie op enigerlei wijze van de [G] Affidavit met bijlagen, acht het hof thans op dit punt geen dreiging meer aanwezig. Dit brengt mee dat het gevorderde inbreukverbod achterwege dient te blijven. Derhalve faalt de (voorwaardelijke) principale grief I, welke aan de orde is nu de desbetreffende voorwaarde is vervuld. De incidentele grief 6 behoeft geen behandeling.

11. De (voorwaardelijke) principale grief II houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de activiteiten van de providers geen relevante verveelvoudiging en/of openbaarmaking in de zin van de Auteurswet 1912 opleveren.

12. Naar het oordeel van hof verschaffen service-providers slechts de technische faciliteiten om openbaarmaking van gegevens door anderen mogelijk te maken. Het lijkt dan ook niet juist hen op één lijn te stellen met uitgevers die, naar wordt aangenomen, zelf openbaar maken.

Dit oordeel is ook in overeenstemming met het Agreed Statement bij artikel 8 van het WIPO Auteursverdrag:

"It is understood that the mere provision of physical facilities for enabling or making a communication does not in itself amount to communication within the meaning of this Treaty or the "Berne Convention."

Van auteursrechtinbreuk door verveelvoudinging en openbaarmaking door de Providers kan evenmin worden gesproken, nu de citaten van [F] in casu geen auteursinbreuk opleveren. Voor het overige hebben Scientology c.s. onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit het tegendeel kan blijken. De voorwaardelijke principale grief II kan niet tot vernietiging leiden.

13. Uit het vorenstaande vloeit voort dat [F] door haar relaas met de litigieuze citaten op haar website te plaatsen en geplaatst te houden geen inbreuk maakt op het auteursrecht. Evenmin is gebleken dat zij in de gegeven omstandigheden daarmee onrechtmatig heeft gehandeld. Feiten of omstandigheden, waaruit volgt dat zij zich anderszins onrechtmatig heeft gedragen, zijn onvoldoende onderbouwd.

Nu van inbreuk op het auteursrecht of onrechtmatig handelen van [F] te dien aanzien geen sprake is, is evenmin sprake van onrechtmatig handelen van de Providers met betrekking tot het relaas van [F].

Gelet op hetgeen hierboven in rechtsoverweging 10 is overwogen, is er ook geen dreiging dat de (volledige) [G] Affidavit met bijlagen op de servers van de providers zullen worden geplaatst.

Dit brengt mee dat de incidentele grief 1 slaagt, evenals de incidentele grieven 2, 3, 4 en 5 voor zover die zijn gebaseerd op beweerde onrechtmatige gedragingen van de Providers, zodat het vonnis niet in stand kan blijven. Voor het overige behoeft op de incidentele en principale grieven, evenals de overige stellingen en weren van partijen, bij gebrek aan belang, niet meer te worden ingegaan.

14. Aan het bewijsaanbod van partijen gaat het hof voorbij, nu dit niet terzake dienende is en/of onvoldoende gesubstantieerd en/of gespecificeerd.

15. De (voorwaardelijke) principale grief III en de incidentele grief VIII betreffen de in het vonnis uitgesproken compensatie van kosten. Het voorgaande brengt mee dat Scientology c.s. als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij zullen worden verwezen in de kosten van het geding in eerste aanleg en van het principaal en het incidenteel beroep. De (voorwaardelijke) principale grief III faalt dan ook, terwijl de incidentele grief VIII slaagt.

Derhalve zal worden beslist als na te melden

Beslissing

Het Gerechtshof:

in het incidenteel beroep:

- vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover de gevorderde verklaringen voor recht en de gevorderde bevelen (de in de inleidende dagvaarding vermelde vorderingen onder a, b, e subsidiair en f) jegens de Providers zijn toegewezen en de procskosten zijn gecompenseerd;

en te dien aanzien opnieuw rechtdoende :

wijst af de vorderingen jegens de Providers (de in de appeldagvaarding vermelde vorderingen sub a, b, e en f );

verwijst Scientology c.s. in de kosten van het geding in eerste aanleg en begroot deze aan de zijde van [F] en de providers op € 1.351,50;

bekrachtigt het vonnis voor het overige;

- verwijst Scientology c.s. in de kosten van het incidenteel beroep en begroot deze tot op deze uitspraak aan de zijde van [F] en de Providers op € 1.156,50;

In het principaal beroep:

- verwerpt het beroep;

- verwijst Scientology c.s. in de kosten van het principaal beroep en begroot deze tot op deze uitspraak aan de zijde van [F] en de Providers op € 2.528,50.

Dit arrest is gewezen door mrs Fasseur-van Santen, Kiers-Becking en Ottevangers, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 september 2003, in tegenwoordigheid van de griffier.