Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AI1829

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-08-2003
Datum publicatie
09-09-2003
Zaaknummer
360-H-02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erkenning uitspraak buitenlandse rechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 27 augustus 2003

Rekestnummer : 360-H-02

Rekestnr. rechtbank : 00-4795

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[appellant]

wonende te [woonplaats] (Canada),

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. J.W. Wladimiroff,

tegen

[verweerder],

wonende te Heemstede,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. E. Grabandt.

PROCESVERLOOP

De moeder is op 24 mei 2002 in hoger beroep gekomen van beschikkingen van de rechtbank te 's-Gravenhage van 18 september 2001 en 26 februari 2002.

De man heeft op 5 november 2002 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 28 oktober 2002 en 30 januari 2003 aanvullende stukken ingekomen.

Op 7 februari 2003 is de zaak mondeling behandeld. Bij deze mondelinge behandeling heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld een schikkingscomparitie te houden. Deze heeft op

24 april 2003 plaatsgevonden. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt waarbij het hof partijen alvorens een beschikking te geven twee weken in de gelegenheid heeft gesteld om alsnog gezamenlijk tot een oplossing te komen.

Daarna is van partijen bij het hof het bericht ingekomen dat ze onderling geen overeenstemming hebben bereikt.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen partijen het volgende vast.

De man en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, waaruit op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Canada) is geboren de min[kind]ige: [kind] hierna te noemen: [kind], die sinds het uiteengaan van partijen bij de moeder in Canada verblijft.

Bij uitspraak van 16 december 1996 van "the Court of Queen's Bench of Alberta, Judicial District of [woonplaats]" is onder meer bepaald dat de man met ingang van 1 oktober 1996 aan de moeder een kinderalimentatie van Can.$ 900,- per maand dient te betalen.

Bij uitspraak van 12 maart 1997 van voornoemde "Court" is de man - met wijziging in zoverre van de uitspraak van 16 december 1996 - veroordeeld tot het betalen van een kinderalimentatie van Can.$ 947,- per maand. Met deze uitspraken werd de door partijen op 30 december 1993 gesloten "Maintenance Agreement", waarbij de man zich had verplicht tot het betalen van een kinderalimentatie van Can.$ 100,- per maand, opzijgezet.

In 1996 is de man naar Nederland verhuisd.

Op 17 juli 2000 heeft de moeder de rechtbank te 's-Gravenhage verzocht - uitvoerbaar bij voorraad - te bepalen dat:

a. de man gehouden zal zijn om wat betreft de periode van 1 oktober 1996 tot 1 juni 2000 aan de moeder een kinderalimentatie te voldoen van in totaal een bedrag van Can.$ 44.761,-, dan wel het equivalent in Nederlandse valuta;

b. de man met ingang van 1 juni 2000 aan de moeder een kinderalimentatie dient te betalen van Can.$ 947,- per maand, dan wel het equivalent in Nederlandse valuta;

c. de man wordt veroordeeld in de proceskosten.

Bij beschikking van 8 mei 2001 heeft de rechtbank te 's-Gravenhage de zaak verwezen naar de meervoudige kamer .

Bij de (tussen)beschikking van 18 september 2001 heeft de rechtbank - uitvoerbaar bij voorraad - een voorlopige kinderalimentatie bepaald van :

- Can.$ 200,- per maand over de periode van 1 oktober 1996 tot 1 januari 1998;

- Can. $ 225,- per maand over de periode van 1 januari 1998 tot 1 januari 1999;

- Can.$ 250,- per maand met ingang van 1 januari 1999;

Voorts is de moeder bij deze beschikking in de gelegenheid gesteld bewijsstukken over te leggen met betrekking tot de behoefte van [kind] aan kinderalimentatie, waaronder bewijsstukken omtrent de financiële omstandigheden van de moeder vanaf 1996 en haar huidige gezinssituatie, alsmede een opgave van de kosten van [kind], waaronder de kosten van kinderopvang. De man is in de gelegenheid gesteld bewijsstukken omtrent de door hem en zijn echtgenote gemaakte kosten van kinderopvang in het geding te brengen.

Bij de bestreden beschikking van 26 februari 2002 heeft de rechtbank - uitvoerbaar bij voorraad - de door man te betalen kinderalimentatie vastgesteld op :

- Can.$ 200,- per maand over de periode van 1 oktober 1996 tot 1 januari 1998;

- Can. $ 225,- per maand over de periode van 1 januari 1998 tot 1 januari 1999;

- Can.$ 250,- per maand met ingang van 1 januari 1999.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. De moeder verzoekt de bestreden beschikkingen van 18 september 2001 en 26 februari 2002 te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de kinderalimentatie ten laste van de man met ingang van 1 oktober 1996 te bepalen op Can.$ 947,- per maand, te vermeerderen met de indexeringen naar Canadees recht, met veroordeling van de man in de kosten van het geding in beide instanties. De man bestrijdt haar beroep gemotiveerd, met het verzoek de moeder te veroordelen in de proceskosten van het geding zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

2. De moeder stelt in haar eerste grief dat de rechtbank ten onrechte geen bindende kracht heeft toegekend aan de twee eerdere beslissingen van "the Court of Queens Bench of Alberta" van 16 december 1996 en 12 maart 1997.

In het geval een buitenlandse uitspraak niet op grond van enige wettelijke of verdragsbepaling in Nederland ten uitvoer kan worden gelegd en de zaak op grond van artikel 431 lid 2 Rv opnieuw bij de Nederlandse rechter wordt aangebracht teneinde een executoriale titel te verkrijgen, zoals in casu het geval is, kan deze in het geval aan de commune vereisten voor erkenning is voldaan, een zodanige betekenis aan de buitenlandse uitspraak verbinden als hem juist voorkomt. De Nederlandse rechter heeft dus een discretionaire bevoegdheid terzake. De rechtbank heeft hieraan invulling gegeven door te overwegen dat, ondanks dat de Canadese uitspraken voldoen aan de commune vereisten voor erkenning, een nieuwe behandeling ten gronde noodzakelijk is, gelet op alle veranderde omstandigheden sindsdien. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden tot dit oordeel is gekomen. De moeder heeft in haar eerste grief geen argumenten naar voren gebracht die tot een ander oordeel kunnen leiden, zodat de eerste grief geen doel treft.

3. De moeder brengt in haar tweede grief naar voren dat de rechtbank bij de bepaling van de behoefte van [kind] onvoldoende rekening heeft gehouden met de kosten van de kinderopvang. De moeder stelt dat deze Can.$ 600,- per maand bedragen. Het hof is echter van oordeel dat zij dit niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt en acht de wijze waarop de rechtbank met deze kosten rekening heeft gehouden juist. Om die reden slaagt de tweede grief niet.

4. Ten aanzien van de draagkracht van de man verwijst het hof naar de inkomsten en de lasten zoals opgenomen in de bestreden beschikkingen. Het hof gaat bij de bepaling van de draagkracht van de man uit van deze inkomsten en lasten en houdt daar op dezelfde wijze als de rechtbank rekening mede, nu daar, met uitzondering van de kosten van de kinderopvang van de man, geen grieven tegen zijn gericht.

5. De moeder stelt in haar derde grief dat de rechtbank bij de bepaling van de draagkracht van de man ten onrechte is uitgegaan van zijn huidige financiële situatie, zonder daarbij rekening te houden met zijn verdiencapaciteit, indien hij in Canada was gebleven. Volgens de moeder had de man dan meer kunnen verdienen. De moeder maakt deze stelling naar het oordeel van het hof echter niet aannemelijk. Ze heeft niet aangetoond dat de man thans daadwerkelijk een hoger salaris zou genieten als hij niet naar Nederland was verhuisd. De stelling van de moeder is daarnaast zo hypothetisch en zo afhankelijk van de omstandigheden van het geval en de toekomst dat het hof daaraan voorbij gaat. Grief drie mist derhalve doel.

6. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op de goede gronden tot haar oordeel is gekomen dat de draagkracht van de man de in de bestreden beschikkingen opgelegde bedragen toelaat. Bovendien zijn er door de moeder in hoger beroep geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel moeten leiden. Met name hetgeen de moeder in haar vierde en vijfde grief heeft aangevoerd, is daartoe onvoldoende. De vader heeft immers genoegzaam aangetoond dat hij deze kosten maakt en dat hij niet onvoorwaardelijk heeft ingestemd met een kinderalimentatie van ƒ 400,- met terugwerkende kracht. De vierde en de vijfde grief treffen derhalve ook geen doel.

7. Uit dit alles volgt dat het hof de bestreden beschikkingen van de rechtbank te 's-Gravenhage van 18 september 2001 en 26 februari 2002 zal bekrachtigen.

8. Alle omstandigheden van dit geval in aanmerking genomen en ook gelet op de aard van de procedure ziet het hof geen aanleiding om één der partijen in de proceskosten in beide instanties te veroordelen. Het hof zal de proceskosten van het geding in beide instanties derhalve compenseren, in die zin dat ieder der partijen zijn eigen kosten draagt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikkingen van de rechtbank te 's-Gravenhage van 18 september 2001 en 26 februari 2002;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af;

compenseert de proceskosten aldus dat ieder der partijen zijn eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. De Bruijn-Lückers, Ydema en Tanja-Van den Broek, bijge-staan door mr. Louwinger-Rijk als griffier en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 27 augustus 2003.