Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AI1155

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-08-2003
Datum publicatie
26-08-2003
Zaaknummer
753-H-02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Behoefte van de vrouw die er voor heeft gekozen na het uiteengaan van partijen een studie te gaan volgen. Afbouwregeling en limitering redelijk ?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 6 augustus 2003

Rekestnummer : 753-H-02

Rekestnr. rechtbank : A 01-6922

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[appellant],

wonende te Kesteren,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

tegen

[verweerder],

wonende te 's-Gravenhage,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. J.J.M. Schlicher.

PROCESVERLOOP

De vrouw is op 16 oktober 2002 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van de rechtbank te 's-Gravenhage van 16 juli 2002 alsmede van een tussenbeschikking van 9 april 2002.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 25 november 2002 en 1 mei 2003 aanvullende stukken ingekomen en is op 2 mei 2003 een fax ingekomen.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 1 mei 2003 pleitaantekeningen met bijlagen ingekomen.

Op 9 mei 2003 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vrouw, bijgestaan door mr. J.M. Menge, advocate te Nijmegen en de man, bijgestaan door zijn procureur.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen partijen het volgende vast.

Bij vonnis van 4 februari 1988, heeft de rechtbank te Arnhem tussen de par-tijen, met elkaar gehuwd op [datum] te [plaats], [land], de echtscheiding uitgespro-ken, welke is ingeschreven op 31 mei 1988.

Bij dat vonnis heeft de rechtbank ten laste van de man ƒ 4.750,- per maand alimenta-tie opgelegd voor de vrouw.

Op 7 november 2001 heeft de man de rechtbank te 's-Gravenhage verzocht, met wijziging van het vonnis van 4 februari 1988 en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair: de alimentatie voor de vrouw met ingang van 1 november 2001 op nihil te stellen c.q. de vrouw te veroordelen tot terugbetaling aan de man van de door haar teveel ontvangen alimentatie over de periode 1 november 2001 tot aan de datum van de door de rechtbank te wijzen beschikking, en wel binnen veertien dagen na de datum van de betekening van de beschikking, zulks vermeerderd met de wettelijke rente van de dag van de gewezen beschikking tot de dag van de algehele voldoening;

subsidiair: de alimentatie voor de vrouw te limiteren tot een termijn van anderhalf jaar gerekend vanaf 1 november 2001 en definitief eindigend per 31 mei 2003, met inachtneming van een in het verzoekschrift omschreven afbouwregeling; en

meer subsidiair: de opgelegde alimentatieverplichting van de man definitief te laten eindigen per 31 mei 2003.

De vrouw heeft tegen dit inleidende verzoek verweer gevoerd en zelfstandig verzocht - voor zover hier van belang - alsnog een termijn voor de onderhoudsverplichting van de man vast te stellen met de bepaling dat deze termijn verlengbaar is.

Bij de bestreden beschikking van 16 juli 2002 is - met wijziging van het vonnis van 4 februari 1988 en uitvoerbaar bij voorraad - de alimentatie voor de vrouw ten laste van de man:

met ingang van 1 november 2001 bepaald op € 1.035,04 per maand;

met ingang van 1 mei 2002 bepaald op € 1.122,89 per maand;

met ingang van 1 juni 2004 bepaald op € 898,31 per maand, met uitsluiting van wettelijke indexering;

met ingang van 1 juni 2005 bepaald op € 693,73 per maand, met uitsluiting van wettelijke indexering;

met ingang van 1 juni 2006 bepaald op € 449,15 per maand, met uitsluiting van wettelijke indexering;

met ingang van 1 juni 2007 bepaald op € 224,57 per maand, met uitsluiting van wettelijke indexering; alle telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Voorts is bepaald dat de alimentatieverplichting eindigt per 1 juni 2008. Al het anders of meer verzochte is afgewezen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de behoefte van de vrouw aan alimentatie en de vastgestelde afbouwregeling met limitering. De draagkracht van de man staat als niet betwist vast.

2. De vrouw verzoekt de beschikkingen van de rechtbank te 's-Gravenhage van 9 april 2002 en 16 juli 2002 te vernietigen en opnieuw beschikkende de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in haar levensonderhoud met ingang van 1 november 2001 vast te stellen op € 3.033,38 per maand en met ingang van 1 mei 2002 op € 4.500,- per maand. Subsidiair, in het geval het hof van oordeel is dat artikel II van de Wet van 28 april 1994, Stb. 324, zoals gewijzigd bij Wet van 28 april 1994, Stb. 325 reeds van toepassing is ondanks dat de onderhoudsverplichting nog geen vijftien jaar heeft geduurd, verzoekt de vrouw alsnog een termijn voor de onderhoudsverplichting van de man vast te stellen met de bepaling dat deze termijn verlengbaar is.

3. De man heeft haar beroep gemotiveerd weersproken.

Eindbeslissing

4. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de rechtbank in haar tussenbeschikking van 9 april 2002 geen eindbeslissingen heeft genomen en dat de behoefte van de vrouw in die beschikking als voorlopig moet worden aangemerkt. De man is van mening dat de rechtbank in genoemde beschikking een eindbeslissing heeft gegeven voor wat betreft de behoefte van de vrouw in de periode dat zij werkzaam was bij [werkgever].

5. Het hof is met de vrouw van oordeel dat de rechtbank in haar beschikking van 9 april 2002 geen eindbeslissing heeft genomen over voornoemde periode. Voornoemde beschikking is een tussenbeschikking. Er is slechts sprake van een eindbeschikking als bedoeld in artikel 358 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wanneer door een uitdrukkelijk dictum aan het gehele geding dan wel een gedeelte daarvan een einde is gemaakt, dat wil zeggen: het dictum bevat een uitspraak waarbij de rechter door toe- of afwijzing van het verzochte of een gedeelte daarvan de zaak wat de betrokken instantie betreft geheel of gedeeltelijk heeft afgedaan. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. De omvang van het geschil betreft aldus de behoefte van de vrouw met ingang van 1 november 2001.

Behoefte van de vrouw

6. De vrouw is, samengevat, van mening dat haar behoefte hoger is dan de rechtbank tot uitgangspunt neemt. Zij is van mening dat voor de berekening van de totale behoefte aansluiting dient te worden gezocht bij het inkomen waarover zij de laatste jaren de beschikking heeft gehad, waarbij tevens het pensioentekort in aanmerking genomen dient te worden. Voorts zal, aldus de vrouw, rekening gehouden moeten worden met het feit dat zij vanaf haar 65ste een lagere AOW-uitkering zal ontvangen dan gebruikelijk, aangezien de vrouw met de man in het buitenland heeft gewoond en de man gedurende deze periode verzuimd heeft AOW-premie te betalen. Vervolgens stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat zij verdiencapaciteit heeft. Volgens de vrouw is de verdiencapaciteit, gelet op haar leeftijd, ervaring en arbeidsongeschiktheid nihil.

7. Het hof overweegt dat de stelling van de vrouw, dat voor de bepaling van haar behoefte moet worden uitgegaan van hetgeen zij de laatste jaren als inkomsten ter beschikking had, rechtens onjuist is. Niet de behoefte van de vrouw is hoger geworden toen zij een dienstverband had, doch slechts haar uitgavenpatroon.

Voorzover de vrouw van mening is dat haar behoefte in 1988 hoger was dan f 4.750,- per maand overweegt het hof als volgt. Uit het vonnis van 1988 valt niet met zekerheid op te maken of de rechtbank indertijd de behoefte van de vrouw bepaald heeft op f 4.750,- per maand, danwel of een bijdrage van deze hoogte is bepaald - op verzoek van de vrouw - mede aan de hand van een (beperkende) draagkracht van de man. Dit doet echter thans niet meer ter zake. Voorzover de vrouw een hogere behoefte zou hebben gehad, gerelateerd aan de welstand van de partijen tijdens het huwelijk (zoals zij stelt), is deze huwelijksgerelateerde welstand inmiddels, na zoveel jaren, grotendeels uitgewerkt. Het hof acht het derhalve redelijk thans, evenals de rechtbank in eerste instantie, uit te gaan van een (geïndexeerde) behoefte conform de in 1988 vastgestelde bijdrage.

De vrouw heeft er voor gekozen een opleiding te volgen nadat partijen uiteen zijn gegaan. Na afloop van haar studie heeft de vrouw kortdurende banen gehad en veelvuldig tevergeefs gesolliciteerd. Zij had echter ook meteen na de echtscheiding op secretaresse niveau kunnen werken en op die wijze in haar eigen inkomen kunnen voorzien. Het stond de vrouw uiteraard vrij te kiezen voor een studie en niet direct op secretaresse niveau aan het werk te gaan. Wanneer echter die studie niet het gewenste financiële (arbeids)rendement oplevert, dient dit niet tot in lengte van jaren op de man te worden afgewenteld.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat bij de vaststelling van de behoefte, het pensioengat niet als behoefteverhogend in aanmerking genomen dient te worden nu dit aspect bij de bepaling van de alimentatiebijdrage in 1988 reeds bekend was. Voort is het hof van oordeel dat, gelet op de minieme korting die wordt toegepast, geen rekening gehouden hoeft te worden met de korting in de AOW-uitkering.

Omtrent de verdiencapaciteit van de vrouw overweegt het hof dat de man terecht stelt dat de rechtbank bij de beoordeling van haar verdiencapaciteit reeds rekening heeft gehouden met de leeftijd, gezondheid en het arbeidsverleden van de vrouw. Met inachtneming van genoemde omstandigheden moet de vrouw in staat zijn om 32 uur per week te werken. De door de rechtbank berekende verdiencapaciteit is naar het oordeel van het hof niet onaannemelijk, aangezien de rechtbank het loon dat de vrouw verdiende met haar administratieve baan bij het gerechtshof als uitgangspunt heeft genomen, hetgeen onder de gegeven omstandigheden niet onredelijk is. Het hof is dan ook van oordeel dat de door de rechtbank aangepaste alimentatieverplichting met ingang van 1 november 2001 in overeenstemming met de wettelijke maatstaven is.

Limitering

8. Tenslotte stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte een afbouwregeling heeft toegepast. De rechtbank heeft zich gebaseerd op artikel II lid 2 van de Wet limitering alimentatie, hierna: de wet. De vrouw stelt dat de wet nog niet toegepast kon worden omdat de alimentatieverplichting destijds nog geen 15 jaar duurde. Subsidiair stelt de vrouw dat de afbouwregeling zo ingrijpend is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden geëist. Onder verwijzing naar HR 3 december 1999, NJ 2000, 118 stelt de vrouw dat ingeval het hof oordeelt dat de afbouwregeling toegestaan is, de rechtbank ten onrechte geen indexering toepast met ingang van 1 juni 2004.

9. Limitering van de alimentatieverplichting is op grond van artikel II van de wet mogelijk na ommekomst van 15 jaar, in het onderhavige geval derhalve met ingang van 31 mei 2003. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de onderhoudsverplichting van de man eerst ruimschoots na het verstrijken van de 15-jaarstermijn beëindigd. Getoetst dient evenwel te worden of beëindiging van de alimentatie van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd. De rechtbank heeft alle belangen afwegend, een afbouwregeling vastgesteld, ingaande 1 juni 2004. Het hof is van oordeel, gelet op de duur van het huwelijk, de leeftijd van de vrouw, de vrijwillige keuze van de vrouw om na de echtscheiding een studie te gaan volgen waardoor zij niet in eigen onderhoud kon voorzien en de huidige verdiencapaciteit van de vrouw, dat de door de rechtbank vastgestelde afbouw en limitering redelijk is. Het hof acht dan ook geen termen aanwezig te oordelen dat de vastgestelde afbouwregeling naar bovenstaande maatstaven niet van de vrouw kan worden gevergd.

Gelet op het karakter van een afbouwregeling is het hof van oordeel dat de rechtbank terecht de indexering met ingang van 1 juni 2004 heeft uitgesloten. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de termijn verlengbaar is. Het hof is van oordeel dat gelet op de afbouwregeling, de beëindiging per 1 juni 2008 niet te ingrijpend is en verlenging derhalve niet in de rede ligt.

10. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zo-ver aan het oordeel van het hof onderwor-pen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. De Bruijn-Lückers, Pannekoek-Dubois en Ydema, bijge-staan door Lekahena als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 6 augustus 2003.

De griffier is buiten staat deze

beschikking mede te ondertekenen