Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AI1086

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-06-2003
Datum publicatie
13-08-2003
Zaaknummer
2200293702
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2002:AE4449
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf van de Opiumwet, misdrijven van de Wet wapens en munitie, aan het geweldsmisdrijf poging tot doodslag, de misdrijven van afpersing en bedreiging, valsheidsmisdrijven en voorts deelgenomen aan een criminele organisatie, één en ander zoals bewezenverklaard en vermeld in de bewijsmiddelen. Het gaat hier om zeer ernstige misdrijven, bij het merendeel waarvan de veiligheid van personen in gevaar wordt gebracht. Het hof acht dergelijk agressief en gewelddadig gedrag volstrekt ontoelaatbaar en rekent de verdachte zulks ernstig aan. Bedoelde feiten brengen bij de slachtoffers en in de samenleving grote gevoelens van angst en onveiligheid teweeg. Bescherming van de samenleving eist dan ook strenge bestraffing.

Zoals aangegeven heeft de verdachte zich ook ingelaten met harddrugs op de wijze zoals bewezenverklaard, hetgeen onaanvaardbaar is. Harddrugs werken ontwrichtend in de samenleving. Ook hier heeft de verdachte de belangen van een ordelijke samenleving genegeerd.

De verdachte heeft door het plegen van bedoelde valsheidsmisdrijven financieel nadeel toegebracht, de betreffende bank benadeeld en het vertrouwen, nodig in het financiële verkeer, geschaad.

De verdachte heeft vuurwapens voorhanden gehad zoals bewezenverklaard. Dergelijk handelen veroorzaakt grote onrust en onveiligheid in de samenleving.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 20 mei 2003, meermalen is veroordeeld tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen voor het plegen van misdrijven, hetgeen hem er niet van heeft weerhouden de thans bewezenverklaarde misdrijven te plegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer 0975729599

datum uitspraak 6 juni 2003

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de meervoudige kamer in de arrondissementsrechtbank te

's-Gravenhage van 18 juni 2002 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 6 maart 2003 en 26 mei 2003.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen bij inleidende dagvaarding, zoals op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering nader omschreven, vermeld staat en zoals ter terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie en in hoger beroep op vordering van de advocaat-generaal gewijzigd.

Van de nadere omschrijving tenlastelegging en de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest is gevoegd.

3. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte terzake van het bij - gewijzigde - dagvaarding onder 1, eerste en tweede cumulatief, 2, eerste cumulatief, 4, 7 alsmede 9, tweede en derde cumulatief tenlastegelegde vrijgesproken. Terzake van het bij - gewijzigde - dagvaarding onder 2, tweede en derde cumulatief, 3, eerste en tweede cumulatief onder primair, 5 onder primair, 6, eerste en tweede cumulatief, 8 en 9, eerste cumulatief tenlastegelegde is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van voorarrest, met beslissing omtrent het inbeslaggenomene als vermeld in het vonnis.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4. Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van de officier van justitie is blijkens mededeling van de advocaat-generaal op de terechtzitting niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissing ten aanzien van het onder 1, 4 en 7 tenlastegelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van het hof onderworpen.

5. Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

6. Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2, eerste cumulatief en onder 9, tweede en derde cumulatief, is tenlastegelegd.

De verdachte moet derhalve hiervan worden vrijgesproken.

7. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, tweede en derde cumulatief, 3, eerste cumulatief en tweede cumulatief primair, 5 primair, 6, eerste en tweede cumulatief, 8 en 9, eerste cumulatief tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

Hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

8. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

9. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 2, tweede cumulatief:

Medeplegen van een feit, bedoeld in het derde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen of mede te plegen;

feit 2, derde cumulatief:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd;

feit 3, eerste cumulatief:

Medeplegen van bedreiging met zware mishandeling;

feit 3, tweede cumulatief primair:

Afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 5 primair:

Poging tot doodslag;

feit 6, eerste cumulatief:

Opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst;

feit 6, tweede cumulatief:

Medeplegen van valsheid in geschrift;

feit 8:

Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

feit 9, eerste cumulatief:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II;

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III, meermalen gepleegd;

10. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

11. Strafmotivering

11.1.

De advocaat-generaal mr. Van Es heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte terzake van het onder 2, tweede en derde cumulatief, 3, eerste cumulatief en tweede cumulatief primair, 5 primair, 6, eerste en tweede cumulatief, 8 en 9, eerste cumulatief tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, met aftrek van voorarrest, met beslissing omtrent het inbeslaggenomene als vermeld in het vonnis.

11.2.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

11.3.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf van de Opiumwet, misdrijven van de Wet wapens en munitie, aan het geweldsmisdrijf poging tot doodslag, de misdrijven van afpersing en bedreiging, valsheidsmisdrijven en voorts deelgenomen aan een criminele organisatie, één en ander zoals bewezenverklaard en vermeld in de bewijsmiddelen. Het gaat hier om zeer ernstige misdrijven, bij het merendeel waarvan de veiligheid van personen in gevaar wordt gebracht. Het hof acht dergelijk agressief en gewelddadig gedrag volstrekt ontoelaatbaar en rekent de verdachte zulks ernstig aan. Bedoelde feiten brengen bij de slachtoffers en in de samenleving grote gevoelens van angst en onveiligheid teweeg. Bescherming van de samenleving eist dan ook strenge bestraffing.

Zoals aangegeven heeft de verdachte zich ook ingelaten met harddrugs op de wijze zoals bewezenverklaard, hetgeen onaanvaardbaar is. Harddrugs werken ontwrichtend in de samenleving. Ook hier heeft de verdachte de belangen van een ordelijke samenleving genegeerd.

De verdachte heeft door het plegen van bedoelde valsheidsmisdrijven financieel nadeel toegebracht, de betreffende bank benadeeld en het vertrouwen, nodig in het financiële verkeer, geschaad.

De verdachte heeft vuurwapens voorhanden gehad zoals bewezenverklaard. Dergelijk handelen veroorzaakt grote onrust en onveiligheid in de samenleving.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 20 mei 2003, meermalen is veroordeeld tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen voor het plegen van misdrijven, hetgeen hem er niet van heeft weerhouden de thans bewezenverklaarde misdrijven te plegen.

11.4.

Aan verdachte moet gevangenisstraf worden opgelegd, omdat een andere sanctie niet passend is. Op grond van het voorgaande, mede gelet op de generale en speciale preventie, is oplegging van de navolgende onvoorwaardelijke gevangenisstraf gerechtvaardigd en geboden.

12. Beslag

De inbeslaggenomen voorwerpen, te weten de nrs. 11, 15 en 18 (blijkens de aan dit arrest gehechte beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen), dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het onder 9, eerste cumulatief bewezenverklaarde is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

De inbeslaggenomen voorwerpen, te weten de nrs. 12, 13, 14, 16, 17, 19 tot en met 29 (blijkens de aan dit arrest gehechte beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen), dienen ook te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien deze voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door de verdachte begane feiten zijn aangetroffen, terwijl deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven dan wel tot belemmering van de opsporing daarvan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

Ten aanzien van de overige inbeslaggenomen voorwerpen, zoals vermeld op eerder genoemde aan dit arrest gehechte beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen zal het hof de bewaring gelasten ten behoeve van de rechthebbende.

13. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 36d, 45, 47, 57, 63, 140 (oud/nieuw), 225, 285, 287 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 (oud) en 55 (oud/nieuw), van de Wet wapens en munitie en artikel 10a van de Opiumwet.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep -voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen- en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2, eerste cumulatief en 9, tweede en derde cumulatief tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 2, tweede en derde cumulatief, 3, eerste cumulatief en tweede cumulatief

primair, 5 primair, 6, eerste en tweede cumulatief, 8 en 9, eerste cumulatief tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het onder 2, tweede en derde cumulatief, 3, eerste cumulatief en tweede cumulatief primair, 5 primair, 6, eerste en tweede cumulatief, 8 en 9, eerste cumulatief bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezen-verklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ACHT JAREN.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de blijkens de aan dit arrest gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 11 tot en met 29.

Gelast de bewaring van de overige inbeslaggenomen voorwerpen, zoals vermeld op de aan dit arrest gehechte beslaglijst, ten behoeve van de rechthebbende.

Dit arrest is gewezen door mrs. Horstink, Van Strien en 't Hart, in bijzijn van de griffier mr. Ellens-Veenhof.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 juni 2003.

Mr. 't Hart is niet in staat dit arrest mede te tekenen.

---------------------------------------------

Bewezenverklaring

dat hij in de periode van 1 mei 1998 tot en met 14 mei 1994 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen teneinde voor te bereiden of te bevorderen dat opzettelijk een hoeveelheid van 2 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I wordt afgeleverd of verstrekt of vervoerd een of meer anderen heeft getracht te bewegen om die feiten te plegen of mede te plegen hebbende hij, verdachte en zijn mededaders als volgt gehandeld, immers heeft hij, verdachte en zijn mededaders opzettelijk toen en daar met een of meer andere personen gesproken over de teruggave van die hoeveelheid cocaïne;

en

dat hij in de periode van 14 mei 1998 tot en met 15 mei 1998 te ’s-Gravenhage wapens als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie II onder 2 van de Wet Wapens en munitie, te weten twee automatische machinepistolen voorhanden heeft gehad

3.

hij op 25 februari 2001 te Rijswijk tezamen en in vereniging met een ander [slachtoffer 1] (roepnaam [naam]) heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte of zijn mededader opzettelijk de loop van een pistool op het been van die [slachtoffer 1] geplaatst en die persoon toegevoegd de woorden “ik schiet in jouw been”;

en

hij op 7 mei 2001 te Den Haag tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] (roepnaam [naam]) heeft gedwongen tot de afgifte van geld tot een bedrag van NLG 6.000, in elk geval enig geldbedrag, toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededader, welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit het door verdachte of zijn mededader dwingen van die [slachtoffer 1] om mee te gaan naar een pand aan de […]straat te Den Haag en het met handboeien en touw vastbinden van die [slachtoffer 1] en het slaan en schoppen van die [slachtoffer 1] en het (terwijl hij of zijn mededader een tang in de hand had) die [slachtoffer 1] toevoegen van de woorden “als je niet bij mij blijft knip ik je vingers eraf” en “als je niet bij mij blijft maak ik je dood” althans woorden van dergelijke dreigende aard en/of strekking;

5.

hij op of omstreeks 14 februari 2000 te Den Haag, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om een persoon genaamd [slachtoffer 2] of een persoon genaamd [slachtoffer 3], opzettelijk van het leven te beroven, opzettelijk met een vuurwapen een kogel heeft afgevuurd in de richting van die personen (die zich achter een deur bevonden), terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet is voltooid;

6.

hij in de periode van 7 maart 1998 tot en met 2 april 1998 in Nederland, alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse werkgeversverklaring – zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat die werkgeversverklaring is overgelegd aan BLG Hypotheekbank N.V. ter verkrijging van een hypothecaire lening en bestaande die valsheid hierin dat ten onrechte en in strijd met de waarheid daarin was vermeld dat [verdachte] (verdachte) werkzaam was als werknemer (in vaste dienst) van het bedrijf “World Phone Center” en dat hij in dienst van dat bedrijf een inkomen van NLG 90.000 bruto per jaar verdiende;

en

hij op 7 april 1998 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander een formulier inhoudende de acceptatie van een geoffreerde hypothecaire geldlening - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte of zijn mededader toen en daar valselijk en in strijd met de waarheid, verklaard dat de gegevens op basis waarvan door BLG Hypotheken (BLG Hypotheekbank N.V.) een lening werd geoffreerd, naar waarheid waren verstrekt, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken;

8.

dat hij in de periode van 1 januari 1998 tot en met 1 februari 2001 te ’s-Gravenhage en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven;

die organisatie betrof een groep personen die zich bezig hield met:

- de handel in harddrugs, oftewel het opzettelijk verkopen of afleveren of verstrekken of vervoeren van hoeveelheden cocaïne of amfetamine, zijnde cocaïne en amfetamine middelen voorkomend op de bij de Opiumwet behorende lijst I en

- het plegen van strafbare voorbereidingshandelingen ten aanzien van het opzettelijk verkopen of vervoeren of afleveren of verstrekken van middelen vermeld op lijst I van de Opiumwet

die misdrijven betroffen het telkens opzettelijk handelen in strijd met de in artikel 2 eerste lid en artikel 10A van de Opiumwet gegeven verboden;

9.

hij op 11 september 2001 te ’s-Gravenhage wapens als bedoel in artikel 2 lid 1 categorie II onder 2e en/of III onder 1e van de Wet wapens en munitie te weten

- een pistoolmitrailleur (merk M91, type Zagi) en

- een pistool (merk Glock, type 19, kaliber 9 mm. Para) en

- een pistool (merk Browning, type HP-35, kaliber 9 mm. para