Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AI1014

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-08-2003
Datum publicatie
12-08-2003
Zaaknummer
2200349502
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 2 subsidiair:

Om een feit, als bedoeld in het derde lid van artikel 10, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit mede te plegen;

Ten aanzien van feit 3:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 4

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2
Opiumwet 2
Opiumwet 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer 0975732201

datum uitspraak 5 augustus 2003

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 9 augustus 2002 in de strafzaak tegen de verdachte:

J[verdachte]

1 Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 22 juli 2003.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering door de officier van justitie nader omschreven en ter terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie gewijzigd.

Van de dagvaarding en van de vorderingen nadere omschrijving en wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

3 Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 primair, 3 en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van voorarrest, met beslissing omtrent het inbeslaggenomene als vermeld in het vonnis.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4 Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

5 Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 primair is tenlastegelegd.

Tenlastegelegd is - kort gezegd - de poging tot verlengde invoer van cocaïne. In casu was de cocaïne evenwel reeds binnen het grondgebied van Nederland gebracht, zodat geen sprake meer kan zijn van een poging tot verlengde invoer.

De verdachte moet derhalve hiervan worden vrijgesproken.

6 Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 subsidiair, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari juli 2001 tot en met 26 oktober 2001 te Schiphol (gemeente Haarlemmermeer) en/of Rotterdam en/of Den Haag en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval (telkens) zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, immers heeft verdachte met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, opzettelijk:

- een (persoon met een) hoeveelheid cocaïne van Schiphol gehaald/vervoerd, althans heeft doen halen/vervoeren en/of

- onderdak verschaft, althans laten verschaffen aan een of meer perso(o)n(en) die cocaïne, althans een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, had(den) ingevoerd en/of

- die hoeveelheid cocaïne, althans dat middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, afgeleverd en/of ontvangen en/of overgedragen;

2.

subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 20 oktober 2001 tot en met 22 oktober 2001 te Schiphol (gemeente Haarlemmermeer) en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 2486 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid,middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- een of meer voorwerp(en) en/of vervoermiddel(en) en/of stof(fen) en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige reden had te vermoeden dat dat/die zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en)

hebbende verdachte J.R. [naam] verzocht naar Schiphol te gaan en/of hebbende (een of meer van) verdachtes mededader(s) naar Schiphol gereden en/of daar gewacht op (de van de Nederlandse Antillen afkomstige) N. [naam];

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2001 tot en met 25 oktober 2001 te Rotterdam en/of Den Haag en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd (aan/naar/van [namen] en/of (een) andere (niet met name genoemde) perso(o)n(en)), in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

4.

hij op of omstreeks 26 oktober 2001 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 4,9 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

7 Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

8 Nadere bewijsoverweging met betrekking tot feit 4

Het hof is van oordeel dat, gelet op de eigen verklaringen van de verdachte, waarin hij onder meer naar voren heeft gebracht dat alleen zijn vrouw en hij in de slaapkamer kwamen waar de hoeveelheid cocaïne, waarop het onder 4 tenlastegelegde ziet, is aangetroffen, dat zijn vrouw daarvoor zeker niet verantwoordelijk is geweest en evenmin zijn in huis wonende dochtertje, dat hij zich gedurende een langere periode heeft beziggehouden met de handel in cocaïne, alsmede gelet op de overige bewezenverklaarde feiten, onaannemelijk is dat de verdachte zoals hij stelt niet wist dat de in het dressoir in de slaapkamer aangetroffen hoeveelheid cocaïne zich daar bevond. Aan die stelling wordt dan ook voorbij gegaan.

9 Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 2 subsidiair:

Om een feit, als bedoeld in het derde lid van artikel 10, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit mede te plegen;

Ten aanzien van feit 3:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 4

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

10 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

11 Strafmotivering

De advocaat-generaal mr Wittop Koning heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2 primair, 3 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een aantal harddrugsdelicten zoals bewezenverklaard.

Deze feiten dragen bij aan de handel in en het gebruik van cocaïne, waardoor de volksgezondheid wordt bedreigd en waardoor ook onder de gebruikers het plegen van vermogensdelicten wordt bevorderd, teneinde de voor het gebruik benodigde gelden te verkrijgen. Dit veroorzaakt veel schade en onrust in de samenleving.

Het hof is dan ook van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke vrijheidbenemende straf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

12 Beslag

De inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld op de in kopie aan dit arrest gehechte beslaglijst onder E3, E4, E30, E37, E39, H9 en H11, zullen worden verbeurdverklaard, aangezien deze voorwerpen aan de verdachte toebehoren en de bewezenverklaarde feiten met behulp daarvan zijn begaan.

Van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, zoals vermeld op de in kopie aan dit arrest gehechte beslaglijst onder H12 (op pagina 420), te weten één bankpas VSB, rekeningnummer [nummer] op naam van [naam], zal het hof de teruggave gelasten aan [naam].

Van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld op de in kopie aan dit arrest gehechte beslaglijst onder E27, E36, E33.1, E42, E43, H1, H4, H5, H6, H7, H8, H12 (op pagina's 420 en 423, met uitzondering van het eerder genoemde voorwerp), H13, H14 en H15, zal het hof de teruggave gelasten aan de verdachte.

Van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, zoals vermeld op de in kopie aan dit arrest gehechte beslaglijst onder H10, zal het hof de teruggave gelasten aan P.C. [naam].

Van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld op de in kopie aan dit arrest gehechte beslaglijst onder E34.1, E34.2, E28.1, E28.2, E28.3, zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten nu niet kan worden vastgesteld aan wie deze voorwerpen toebehoren, zijnde genoemde voorwerpen E34.1 en 28.1 Dominicaanse paspoorten op naam van J.C. [naam] [naam], genoemde voorwerpen E34.2 en E28.2 Dominicaanse paspoorten op naam van P.C. [naam]s de Somer en genoemd voorwerp E28.3 een Amerikaans paspoort op naam van F. [naam] [naam].

12 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24, 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 subsidiair, 3 en 4 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte ter zake van het onder 1, 2 subsidiair, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van VIER (4) JAREN en ZES (6) MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld op de in kopie aan dit arrest gehechte beslaglijst onder E3, E4, E30, E37, E39, H9 en H11.

Gelast de teruggave van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, zoals vermeld op de in kopie aan dit arrest gehechte beslaglijst onder H12 (op pagina 420), te weten één bankpas VSB, rekeningnummer [nummer] op naam van [naam] aan [naam].

Gelast de teruggave van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld op de in kopie aan dit arrest gehechte beslaglijst onder E27, E36, E33.1, E42, E43, H1, H4, H5, H6, H7, H8, H12 (op pagina's 420 en 423, met uitzondering van het eerder genoemde voorwerp), H13, H14 en H15 aan de verdachte.

Gelast de teruggave van Het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, zoals vermeld op de in kopie aan dit arrest gehechte beslaglijst onder H10, aan P.C. [naam].

Gelast de bewaring van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld op de in kopie aan dit arrest gehechte beslaglijst onder E34.1, E34.2, E28.1, E28.2, E28.3 ten behoeve van de rechthebbende.

Dit arrest is gewezen door mrs I. Ritter, J.J.H. Gerritzen en J. Kramer, in bijzijn van de griffier mr M. van Kuilenburg.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 5 augustus 2003.