Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AI1011

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-07-2003
Datum publicatie
12-08-2003
Zaaknummer
2200074003
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich in een periode van ongeveer een jaar op de bewezenverklaarde wijze gedurende de nachtelijke uren vergrepen aan drie vrouwen, die zich in de besloten veiligheid en intimiteit van hun eigen woning waanden.

De situatie die de verdachte voor deze vrouwen heeft doen ontstaan was dermate bedreigend dat zij allen hebben verklaard uit lijfsbehoud te hebben toegegeven aan de lustgevoelens van de verdachte.

Daarnaast heeft de verdachte een man met een mes bedreigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummers 1006122402 en 1006288201

TUL 1006242899

datum uitspraak 7 juli 2003

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 30 december 2002

in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 23 juni 2003.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie gewijzigd.

Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

3. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en terzake van het onder 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest, waarbij de terbeschikkingstelling van de verdachte is gelast met bevel dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd, met toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Rotterdam van 19 juli 2000 voorwaardelijk opgelegde geldboete van € 226,89 (fl. 500,-), subsidiair vier dagen hechtenis, met beslissing omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen als nader in het vonnis omschreven.

Door de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4. Omvang van het hoger beroep

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep medegedeeld, dat het hoger beroep niet gericht is tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissing ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde.

5. Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

6. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

Hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

7. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandig-heden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

8. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde levert op:

2, 3 en 4:

Verkrachting, meermalen gepleegd;

5:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

9. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

10. Strafmotivering

De advocaat-generaal mr. Van Es heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte terzake van het onder 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest, waarbij de advocaat-generaal tevens de terbeschikkingstelling met dwangverpleging van de

verdachte heeft gevorderd, alsmede de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke geldboete van € 226,89

(fl. 500,-), subsidiair vier dagen hechtenis, opgelegd bij vonnis van de politierechter te Rotterdam van 19 juli 2000. Voorts heeft de advocaat-generaal toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [naam] en[naam] gevorderd, beide tot een bedrag van € 7.000,- met niet-ontvankelijk verklaring voor het overige, alsmede telkens de oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 7.000,-, subsidiair honderdveertig dagen hechtenis, ten behoeve van de slachtoffers.

Het hof heeft de op te leggen straf en hierna te melden maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich in een periode van ongeveer een jaar op de bewezenverklaarde wijze gedurende de nachtelijke uren vergrepen aan drie vrouwen, die zich in de besloten veiligheid en intimiteit van hun eigen woning waanden.

De situatie die de verdachte voor deze vrouwen heeft doen ontstaan was dermate bedreigend dat zij allen hebben verklaard uit lijfsbehoud te hebben toegegeven aan de lustgevoelens van de verdachte.

Daarnaast heeft de verdachte een man met een mes bedreigd.

De door de verdachte gepleegde verkrachtingen vormen een zeer ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit en het zelfbeschikkingsrecht van de slachtoffers. De ervaring leert dat dergelijke feiten bij hen diepe sporen nalaten. Voor de verwerking van het aan hen toegebrachte leed en voor het herstel van het vertrouwen in mensen en het zich weer veilig voelen in hun eigen huis, zullen zij nog gedurende lange tijd hulp en begeleiding nodig hebben. Met zijn handelen heeft de verdachte louter toegegeven aan gevoelens van lust, zonder zich daarbij te bekommeren om de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers. Bovendien heeft de verdachte met de hierboven gepleegde feiten gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving teweeggebracht.

Het hof heeft bij de bepaling van de duur van de op te leggen gevangenisstraf in matigende zin rekening gehouden met het gegeven dat de tenuitvoerlegging van de op te leggen maatregel vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur zal inhouden.

Het hof is dan ook van oordeel dat alleen een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur

-naast na te noemen maatregel- een passende reactie vormt.

11. Terbeschikkingstelling en dwangverpleging

Met betrekking tot de op te leggen maatregel overweegt het hof het volgende.

Het hof heeft gelet op de inhoud van de rapporten van drs. J.J. van der Weele, psycholoog, en van J.M.J.F. Offermans, psychiater, respectievelijk uitgebracht op 4 december 2002 en 9 december 2002. Genoemde gedragsdeskundigen concluderen dat bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een persoonlijkheids-stoornis met afhankelijke en antisociale en (in mindere mate) ontwijkende kenmerken. Zij concluderen dat tussen de problematiek van de verdachte en de ten laste gelegde feiten een duidelijke relatie bestaat en dat de verdachte

ten aanzien van deze feiten in verminderde mate toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

Het hof neem deze conclusies over en maakt deze tot de zijne.

De gedragsdeskundigen achten -gelet op de aard van verdachtes persoonlijkheidsontwikkeling (in het bijzonder de problematiek van zijn uit gebrekkige persoonlijkheidsontwikkeling voortvloeiend alcohol- en cocaïnegebruik)- de kans op recidive bepaald aanwezig. Zij adviseren aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen, waarbij beide deskundigen de voorkeur uitspreken voor de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden, in een klinische setting.

Ter terechtzitting in eerste aanleg van 16 december 2002 heeft mevrouw C.W. Haaren van het Boumanhuis verslavingszorg een nadere toelichting gegeven omtrent de mogelijkheden om aan de verdachte de maatregel van de terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen.

Voornoemde deskundige heeft alsdan en aldaar -zakelijk weergegeven- verklaard, dat gezien de beperkte intelligentie van de verdachte en gezien de persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte zij geen mogelijkheden ziet om ten aanzien van de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden toe te passen. Ter terechtzitting in hoger beroep zijn door de verdediging geen mogelijkheden als bedoeld aan het hof voorgelegd.

De door de verdachte begane misdrijven betreffen misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 23 juni 2003 heeft de verdachte verklaard dat hij ten tijde van het plegen van de tweede en derde verkrachting wist dat hij verkeerd bezig was. Omdat hij op dat moment verkeerde onder invloed van alcohol en drugs heeft hij -naar eigen zeggen- geen weerstand kunnen bieden aan zijn drang om de vrouwen te verkrachten. De verdachte heeft erkend hulp nodig te hebben teneinde zijn problematiek de baas te kunnen, terwijl door en namens hem ter terechtzitting in hoger beroep voorts is gesteld thans geen bezwaar te hebben tegen een bevel tot verpleging van overheidswege.

Het hof is, in aanmerking nemende bovengenoemde rapporten en adviezen en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting, en gelet op de ernst van de door de verdachte begane feiten van oordeel dat de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege eist.

Gelet op het vorenoverwogene en de ernst van de feiten die naar 's hofs oordeel -mede vanuit het oogpunt van vergelding- tot het opleggen van een gevangenisstraf van een aanzienlijk langere duur dan drie jaren nopen, acht het hof een terbeschikkingstelling met voorwaarden geen reële optie.

12. Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft mevrouw [naam] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 3 tenlastegelegde tot een bedrag van in totaal € 25.500,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot € 10.000,-.

De verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij niet betwist tot een bedrag van € 5.000,-. De vordering van de benadeelde partij kan derhalve reeds tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorzover de verdachte de vordering van de benadeelde partij heeft betwist, acht het hof die vordering in zoverre niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het onderhavige strafproces.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en deze in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

In het onderhavige strafproces heeft mevrouw[naam] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 tenlastegelegde tot een bedrag van in totaal € 7.080,-.

In hoger beroep is deze vordering wederom aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde bedrag

De verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij niet betwist tot een bedrag van € 5.000,-.

Naar het oordeel van het hof is de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de immateriële schade zonder meer toewijsbaar, nu naar het oordeel van het hof genoegzaam is komen vast te staan dat door de handelwijze van de verdachte niet alleen mevrouw [naam] maar ook haar dochtertje, die getuige is geweest van de verkrachting, psychisch leed is berokkend, hetgeen voor mevrouw [naam] een extra (emotionele) last betekent.

Voorts heeft de benadeelde partij nog een vordering ingediend betreffende de materiële schade. Nu deze vordering niet is aangetoond, acht het hof die vordering in zoverre niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het onderhavige strafproces.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en deze in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

13. Betaling aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 3 en 4 bewezenverklaarde strafbare feiten is toegebracht, ziet het hof aanleiding aan de verdachte telkens een verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag ten behoeve van het slachtoffer op te leggen op de wijze zoals hierna is vermeld.

14. Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter in de arrondissements-rechtbank te Rotterdam van 19 juli 2000 onder parketnummer 1006242899 is de verdachte veroordeeld tot een geldboete van fl. 750,-, waarvan een gedeelte groot fl. 500,- (€ 226,89) voorwaardelijk, met bevel dat het voorwaardelijke gedeelte van die geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoer-legging van die niet-tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

Naar het oordeel van het hof zijn er echter geen termen aanwezig voor toewijzing van die vordering.

De vordering zal dan ook worden afgewezen.

15. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 36f, 37a, 37b, 57, 242 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep -voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen- en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ZES JAREN.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij tot een bedrag van VIJFDUIZEND EURO en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij mevrouw [naam], [adres]

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering tot schadevergoeding in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met haar vordering heeft gemaakt -welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil- en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij tot een bedrag van ZEVENDUIZEND EURO en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij mevrouw[naam], [adres].

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering tot schadevergoeding in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met haar vordering heeft gemaakt -welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil- en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte voorts de verplichtingen op tot betaling aan de Staat van een bedrag van - een bedrag van € 5.000,- ten behoeve van het slachtoffer [naam], welk bedrag bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door hechtenis voor de duur van honderd dagen;

- een bedrag van € 7.000,- ten behoeve van het slachtoffer[naam], welk bedrag bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door hechtenis voor de duur van honderdveertig dagen.

Bepaalt dat voorzover wordt voldaan aan de verplichtingen tot betaling aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers, de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partijen in zoverre komt te vervallen, alsmede dat voorzover wordt betaald aan de benadeelde partijen de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Wijst af de vordering van het openbaar ministerie ex artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht.

Dit arrest is gewezen door mrs. Oosterhof, Aler en Van Bellen, in bijzijn van de griffier mr. Schmidt-Fries.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 juli 2003.

Mr. Van Bellen is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

-------------------------------------------------------

Bewezenverklaring

2. hij op 08 april 2001 te Capelle aan den IJssel door feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten [slachtoffer 1], heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk meermalen, althans éénmaal,

- betasten van en wrijven over/in de (al dan niet met kleding bedekte) vagina van die [slachtoffer 1] (terwijl die [slachtoffer 1] lag te slapen) en

- likken van/aan de vagina van die [slachtoffer 1] en

- duwen van zijn, verdachtes, penis tegen de vagina van die [slachtoffer 1] en

- houden van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer 1] en

- die [slachtoffer 1] zijn, verdachtes, penis laten vastpakken en aanraken en aftrekken en

- brengen en duwen en houden van zijn, verdachtes vinger(s) in de anus en vagina van die [slachtoffer 1],

(een) feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met gweweld en/of de bedreiging met (een) ander feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben bestaan uit het

- gedurende voor de nachtrust bestemde tijd met een kous over het hoofd binnendringen van de woning van die [slachtoffer 1] door met een aluminium staaf een knip van een toegangsdeur te openen en

- afsluiten, van de (slot(en) van de) toegangsdeuren van de woning van die [slachtoffer 1] en

- de slaapkamer van die [slachtoffer 1] binnengegaan en

- die [slachtoffer 1] de woorden toevoegen: “Ik wil neuken” en

- houden van een aluminium staaf in de nabijheid van het lichaam van die [slachtoffer 1] en

- op het lichaam van die [slachtoffer 1] gaan liggen en de borsten en de benen van die [slachtoffer] strelen en betasten en

- de nachtjapon van die [slachtoffer 1] vastpakken en daarbij die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toevoegen: “Doe dat uit” en

- vervolgens het lichaam van die [slachtoffer 1] strelen en betasten en aan een tepel van een borst van die [slachtoffer 1] zuigen en

- omhoog en uit elkaar doen en houden van de benen van die [slachtoffer 1] en vervolgens die [slachtoffer 1] (dreigend) de woorden toevoegen “Pijp me” en “Kom bovenop me”, althans woorden van gelijke (dreigende) aard en strekking;

3. hij op 29 december 2001 te Capelle aan den IJssel door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten [slachtoffer 2], heeft gedwongen tot het ondergan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het meermalen, althans éénmaal,

- houden en duwen van zijn, veradachtes, vingers in de vagina van die [slachtoffer 2] en

- liken van/aan de billen van die [slachtoffer 2] en

- aftrekken van zijn, verdachtes, penis in de nabijheid van die [slachtoffer 2],

het geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld en/of de bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben bestaan uit het

- gedurende voor de nachtrust bestemde tijd met een (bivak)muts op/over het hoofd binnengaan en/of binnendringen van de woning van die [slachtoffer2] en

- vastpakken van de polsen van die [slachtoffer 2] en

- dreigend houden en tonen van een broodmes in de nabijheid van het lichaam van die [slachtoffer 2] en

- die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toevoegen: “je moet rustig blijven en niet gaan schreeuwen” en “draai je om” en “ga op je knieën zitten” en “doe je benen wijd”, althans woorden van gelijke dreigende aard en strekking en

- vastpakken van de billen van die [slachtoffer 2]

4. hij op 13 juni 2002 te Capelle aan den IJssel door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten [slachtoffer 3], heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het meermalen,

- duwen van zijn, verdachtes, vinger in de vagina van die [slachtoffer 3] (terwijl die [slachtoffer 3] lag te slapen) en

- likken aan de vagina van die [slachtoffer 3]

het geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld en/of de bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben bestaan uit het

- gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd met een (nylon)kous over zijn, verdachtes, hoofd binnendringen en binnengaan van de woning van die [slachtoffer 3] door met een schroevendraaier, een raam van de woning van die [slachtoffer 3] te forceren en

- terwijl die [slachtoffer 3] lag te slapen omver duwen van die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 3] daarbij vervolgens dreigend de woorden toevoegen “Blijf liggen” en “Ik wil je alleen maar beffen”, en

- beetpakken en vastpakken van het lichaam van die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 3] aan haar lichaam meetrekken en meenemen naar een slaapkamer in de woning van die [slachtoffer 3] en

- die [slachtoffer 3] op het bed duwen en zijn, verdachtes, knie over het lichaam van die [slachtoffer 3] houden, en

- een schroevendraaier in de nabijheid en tegen het lichaam van die [slachtoffer 3] duwen en prikken en die [slachtoffer 3] daarbij dreigend de woorden toevoegen: “dat zou ik niet doen”;

5. hij omstreeks 22 juni 2001 te Capelle een den IJssel [slachtoffer 4] heeft bedreig met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend aan voornoemde [slachtoffer 4] een mes heeft getoond en voorgehouden en met dat voorwerp op die [slachtoffer 4] is afgelopen en achter die [slachtoffer 4] is gerend.