Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AI0972

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-04-2003
Datum publicatie
12-08-2003
Zaaknummer
2200418902
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het bewezenverklaarde levert op:

1 primair. Medeplegen van poging tot doodslag, terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert de schuldige een tegen hem wegens het in artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf uitgesproken gevangenisstraf geheel of ten dele heeft ondergaan.

2. Medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

3. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolnummer 2200418902

parketnummers 1100621002 en 1100521800 (tul)

datum uitspraak 16 april 2003

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Dordrecht van 31 oktober 2002 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 2 april 2003.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in hoger beroep op vordering van de advocaat-generaal gewijzigd.

Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest, met beslissingen omtrent het inbeslaggenomene als vermeld in het vonnis. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van het voorwaardelijke gedeelte, te weten zes maanden, van de bij vonnis van 28 september 2000 door de arrondissementsrechtbank te Dordrecht opgelegde gevangenisstraf.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

Hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

1 primair. Medeplegen van poging tot doodslag, terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert de schuldige een tegen hem wegens het in artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf uitgesproken gevangenisstraf geheel of ten dele heeft ondergaan.

2. Medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

3. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal mr Strack heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts vordert hij onttrekking aan het verkeer van de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder nummers 8, 11, 12 en 15 vermelde goederen en dat de overige op die lijst voorkomende goederen worden teruggegeven aan de verdachte. Tenslotte heeft de advocaat-generaal de tenuitvoerlegging gevorderd van het voorwaardelijke gedeelte, te weten zes maanden, van de bij vonnis van 28 september 2000 door de arrondissementsrechtbank te Dordrecht opgelegde gevangenisstraf.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met een medeverdachte schuldig gemaakt aan poging tot doodslag op zijn ex-vriendin. Hij heeft haar in de nacht van 18 op 19 april 2002 gedurende enige uren zodanig ernstig toegetakeld dat deze aftuiging makkelijk tot haar dood had kunnen leiden. Daarnaast heeft hij haar samen met de medeverdachte ernstig bedreigd, door in haar bijzijn te dreigen haar te vermoorden en te spreken over een plek waar ze haar lichaam zouden begraven. Dit zijn zeer ernstige feiten. Het is een feit van algemene bekendheid dat een persoon die zo ernstig bedreigd en toegetakeld wordt, psychisch nog lang de gevolgen daarvan kan ondervinden. Daarbij komt nog dat de verdachte blijkens het een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 24 maart 2003 op 28 september 2000 ook al wegens poging tot doodslag is veroordeeld tot een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het onvoorwaardelijke gedeelte van die straf heeft hij intussen uitgezeten. Ook heeft de verdachte zich samen met een ander gedurende een aanzienlijke periode - waarbij het hof aantekent dat de verdachte in die periode weliswaar een jaar gedetineerd heeft gezeten - beziggehouden met het verkopen van verdovende middelen. De handel in verdovende middelen is niet alleen een gevaar voor de volksgezondheid, maar levert daarnaast tevens overlast op voor de buurt en brengt allerlei vormen van criminaliteit met zich.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens voornoemd uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister in het verleden ook reeds eerder Opiumwetdelicten is veroordeeld, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden dit soort feiten opnieuw te plegen.

Het hof is van oordeel dat thans alleen een geheel onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te melden duur passend en geboden is.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Dordrecht van 28 september 2000 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met bevel dat een op zes maanden bepaald gedeelte van die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Deze proeftijd is bij vonnis van de politierechter te Dordrecht verlengd met één jaar, te weten tot 12 oktober 2003.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan, dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. Immers, de verdachte heeft de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.

Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Beslag

De voorwerpen vermeld onder de nummers 8, 11, 12 en 15 op de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien dit voorwerpen zijn waarvan het ongecontroleerde bezit in strijd is met de wet.

Ten aanzien van de voorwerpen vermeld onder de nummers 14, 17A en 17B op de hiervoor bedoelde lijst zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14g, 36b, 36c, 45, 47, 57, 285, 287 en 422 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede op de artikelen 2, 10 en 13a van de Opiumwet.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van VIER JAREN.

Bepaalt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering van het openbaar ministerie ex artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht en gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Dordrecht van 28 september 2000 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van

ZES MAANDEN.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de voorwerpen vermeld onder de nummers 8, 11, 12 en 15 op de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de voorwerpen vermeld onder de nummers 14, 17A en 17B op de hiervoor bedoelde lijst aan de verdachte.

Dit arrest is gewezen door mrs Borgesius, Reinking en Van den Berg, in bijzijn van de griffier mr De Vries.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 16 april 2003.

-------------------------------------------

Bewezenverklaring

1. hij in de periode van 18 april 2002 tot en met 19 april 2002 te Dordrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer]

- met een stoel tegen haar hoofd heeft geslagen of een stoel tegen haar hoofd heeft gegooid en

- terwijl die [slachtoffer] op de grond lag tegen haar lichaam heeft geschopt en getrapt

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert de schuldige een tegen hem wegens het in artikel 287 ju 45 Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf uitgesproken gevangenisstraf geheel of ten dele heeft ondergaan;

2. hij in de periode van 18 april 2002 tot en met 19 april 2002 te Dordrecht tezamen en in vereniging met een ander [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader opzettelijk dreigend

- tegen die [slachtoffer] gezegd dat als zij, [slachtoffer], hem, verdachte, het pistool niet gaf, hij, haar, [slachtoffer], moest doodmaken en dat zij, [slachtoffer], beter kon zeggen waar het wapen was omdat ze dan overal van af zou zijn

- tegen die [slachtoffer] gezegd dat hij, verdachte, haar, [slachtoffer], dood ging maken omdat zij, [slachtoffer], teveel wist en gezegd dat het echt moest gebeuren omdat zij, [slachtoffer], een grote getuige was

- in het bijzijn van die [slachtoffer] gesproken over een plek waar iemand begraven zou kunnen worden, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

3. hij in de periode van 01 juli 1999 tot en met 08 juli 2002 te Dordrecht tezamen en in vereniging met een ander meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.