Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AI0943

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-07-2003
Datum publicatie
11-08-2003
Zaaknummer
2200445802
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Blijkens de op de dagvaarding vermelde ad informandum gevoegde en door verdachte en zijn mededader bekende feiten werden door beiden reeds langere tijd strafbare voorbereidingen getroffen voor het plegen van overvallen waarbij eventueel toe te passen geweld niet zou worden geschuwd.

Op die achtste november waarop de heer [naam] om het leven werd gebracht was door verdachte en zijn mededader tevoren het plan gemaakt om het betreffende benzinestation te overvallen. Nadat verdachte en zijn mededader ter plaatse hebben gewacht op een gunstig moment zijn zij, gemaskerd en voorzien van een pistool en een mes genoemd benzinestation binnengegaan alwaar tijdens de confrontatie met de heer [naam] laatstgenoemde door het mes dodelijk werd getroffen. Verdachte en zijn mededader hadden het voorzien op het kasgeld en de inhoud van de kluis. Nadat de messteken aan het slachtoffer waren toegebracht heeft verdachte met hetzelfde mes getracht de kassalade open te wrikken. Omdat dit niet lukte heeft zijn mededader het zwaargewonde slachtoffer gesommeerd overeind te komen om de sleutel van de kluis te overhandigen.

Dergelijke grove geweldsdelicten dragen een voor de rechtsorde schokkend karakter. Zij brengen onvoorstelbaar leed teweeg bij de nabestaanden van het slachtoffer en brengen daarnaast bij de burgers angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg, in het bijzonder bij personeel van benzinestations, dat veelal zeer kwetsbaar is voor overvallen, gelet op de locatie en de openingstijden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 288, geldigheid: 2003-07-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

rolnummer 2200445802

parketnummer 1201543001

ad informandum 1201543001

datum uitspraak 8 juli 2003

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Middelburg van 6 november 2002 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 24 juni 2003.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in hoger beroep op vordering van de advocaat-generaal gewijzigd.

Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

3. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte terzake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, met aftrek van voorarrest, met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij als nader in het vonnis omschreven. Tevens is gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4. Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

5. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij op 8 november 2001, in de gemeente Goes, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk[naam] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk met een mes in de rug van die [naam] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [naam] aan de veroorzaakte steekletsels en gevolgde verbloeding en weefselschade is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd vergezeld van enig strafbaar feit, te weten dat hij op 8 november 2001, in de gemeente Goes, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening, in de shop van een benzinestation aan de Troelstralaan 98, weg te nemen geld, toebehorende aan [naam] en/of [naam], terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet is voltooid, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken.

Hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

6. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

7. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van doodslag, vergezeld van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om dat feit gemakkelijk te maken.

8. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

9. Strafmotivering

De advocaat-generaal mr. Strack heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte terzake van het primair tenlastegelegde ter beschikking wordt gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege en tevens zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren, met aftrek van voorarrest, met betaling van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 10.434,--, alsmede de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag, subsidiair 185 dagen hechtenis.

Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Blijkens de op de dagvaarding vermelde ad informandum gevoegde en door verdachte en zijn mededader bekende feiten werden door beiden reeds langere tijd strafbare voorbereidingen getroffen voor het plegen van overvallen waarbij eventueel toe te passen geweld niet zou worden geschuwd.

Op die achtste november waarop de heer [naam] om het leven werd gebracht was door verdachte en zijn mededader tevoren het plan gemaakt om het betreffende benzinestation te overvallen. Nadat verdachte en zijn mededader ter plaatse hebben gewacht op een gunstig moment zijn zij, gemaskerd en voorzien van een pistool en een mes genoemd benzinestation binnengegaan alwaar tijdens de confrontatie met de heer [naam] laatstgenoemde door het mes dodelijk werd getroffen. Verdachte en zijn mededader hadden het voorzien op het kasgeld en de inhoud van de kluis. Nadat de messteken aan het slachtoffer waren toegebracht heeft verdachte met hetzelfde mes getracht de kassalade open te wrikken. Omdat dit niet lukte heeft zijn mededader het zwaargewonde slachtoffer gesommeerd overeind te komen om de sleutel van de kluis te overhandigen.

Dergelijke grove geweldsdelicten dragen een voor de rechtsorde schokkend karakter. Zij brengen onvoorstelbaar leed teweeg bij de nabestaanden van het slachtoffer en brengen daarnaast bij de burgers angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg, in het bijzonder bij personeel van benzinestations, dat veelal zeer kwetsbaar is voor overvallen, gelet op de locatie en de openingstijden.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 18 april 2003, reeds eerder is veroordeeld voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Zoals hiervoor vermeld heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep erkend, dat hij zich ook heeft schuldig gemaakt aan andere, niet tenlastegelegde feiten.

Die feiten zijn door het openbaar ministerie onder parketnummer 1201543001 bij deze strafzaak gevoegd met het oog op de aan de verdachte op te leggen straf.

Het hof heeft op deze feiten acht geslagen bij de beslissing over de straf, waarbij het ervan is uitgegaan dat de verdachte terzake van die feiten niet afzonderlijk zal worden vervolgd.

10. Terbeschikkingstelling

Omtrent verdachtes persoonlijkheid is door psychiater M.D. van Ekeren en psycholoog J.B. Seinen, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum te Utrecht (hierna: PBC), op 25 juli 2002 gerapporteerd. In dit rapport staat onder meer dat de verdachte lijdt aan een gemengde persoonlijkheidsstoornis met hoofdzakelijk borderline trekken en verslavingsproblematiek. De kans op herhaling van een soortgelijk delict is volgens deze deskundigen groot.

De onderzoekers zijn van mening dat verdachte ten tijde van het plegen van het hem tenlastegelegde feit weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan heeft kunnen inzien, doch dat hij in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat is geweest zijn wil in vrijheid - overeenkomstig een dergelijk besef - te bepalen. De onderzoekers concluderen dat verdachte ten tijde van het plegen van het hem tenlastegelegde feit lijdende was aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens, dat dit feit - indien bewezen - hem slechts in verminderde mate kan worden toegerekend.

De onderzoekers adviseren verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging van overheidswege op te leggen. Het hof verenigt zich met de verschillende beschouwingen en het advies als weergegeven in voormelde rapportage, neemt de daarop gebaseerde conclusie over en maakt deze tot de zijne.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel, dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege eist, waarbij het hof mede heeft gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit. Het hof stelt vast dat dit feit een misdrijf is waarop een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld.

Alles afwegend komt het hof tot de conclusie, dat de na te noemen straf en maatregel passend en geboden zijn.

11. Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [naam], [adres] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde tot een bedrag van € 10.434,--.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het - in eerste aanleg toegewezen - bedrag van € 10.434,--.

De verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij niet betwist.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

12. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 37, 37a, 37b, 47, 57 en 288 van het Wetboek van Strafrecht.

13. Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van TIEN JAAR.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam], [adres] tot het gevorderde bedrag van TIENDUIZENDVIERHONDERD VIERENDERTIG EURO en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt

- welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij van het bedrag van € 10434,-- komt te vervallen voorzover door de mede-verdachte een bedrag bij wege van schadevergoeding aan deze benadeelde partij is betaald.

Dit arrest is gewezen door mrs. Klein Breteler, Den Os en Teulings, in bijzijn van de griffier Van der Mark.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2003.