Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AI0512

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-06-2003
Datum publicatie
25-07-2003
Zaaknummer
02/1276 KA
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overgangsrecht verzettermijn

Het eerste lid van artikel VII van het overgangsrecht heeft betrekking op het procesrecht dat van toepassing is op zaken die op de datum van inwerkingtreding van de nieuwe wet aanhangig zijn. Het tweede lid van dat artikel bepaalt deels in afwijking van het eerste lid dat voorzover het betreft de mogelijkheid tot het aanwenden van een rechtsmiddel tegen een beslissing die voor de datum van inwerkingtreding van de nieuwe wet tot stand is gekomen en de termijn waarbinnen dat rechtsmiddel dient te worden aangewend, het oude recht van toepassing blijft onafhankelijk van de vraag op welk moment het rechtsmiddel wordt ingesteld. Het moment van de uitspraak is beslissend. Dat betekent dat in casu de termijn van 14 dagen geldt. Aangezien Ropo op 11 januari 2002 bekend was met de inhoud van het vonnis en het verzet op 6 februari 2002 heeft ingesteld, is dat te laat. De kantonrechter had dan ook Ropo niet ontvankelijk behoren te verklaren in het verzet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak: 20 juni 2003

Rolnummer: 02/1267 KA

Rolnr. rechtbank: 259114/02-2101

HET GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE, negende civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

APPELLANT,

wonende te X,

appellant,

hierna te noemen: Appellant,

procureur: mr. H.C. Grootveld,

tegen

ROPO B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Ropo,

niet verschenen.

Het geding

Bij exploot van 12 augustus 2002 en herstelexploot van 7 oktober 2002 is Appellant in hoger beroep gekomen van het vonnis van 2 juli 2002 door de rechtbank te 's-Gravenhage, sector kanton, gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven heeft Appellant tegen het vonnis van de rechtbank twee grieven aangevoerd. Ropo is niet verschenen. Appellant heeft vervolgens arrest gevraagd.

De beoordeling van het hoger beroep

1. De onderhavige zaak heeft betrekking op een loonvordering van Appellant. Op 18 december 2001 heeft de kantonrechter bij verstekvonnis de vordering toegewezen. Op 11 januari 2002 was Ropo bekend met het vonnis. Bij dagvaarding van 6 februari 2002 heeft Ropo tegen dit verstekvonnis verzet ingesteld. De rechtbank heeft op de verzettermijn het nieuwe recht toegepast en Ropo in haar verzet ontvankelijk geacht en deze zaak tot de competentie van de rechtbank geacht omdat Appellant bestuurder was van Ropo. De kantonrechter heeft de zaak bij vonnis van 2 juli 2002 vervolgens verwezen naar de sector civiele zaken van de rechtbank.

2. Voorop moet worden gesteld dat volgens art. 71 lid 5 Rv tegen een beslissing tot verwijzing geen hoger beroep kan worden ingesteld. Volgens vaste rechtspraak wordt dit appèlverbod evenwel doorbroken indien de desbetreffende regel of wetsbepaling ten onrechte is toegepast of ten onrechte buiten toepassing is gelaten of bij de behandeling essentiële vormen verzuimd zijn.

3.1 Appellant voert onder grief 1 aan dat de rechtbank ten onrechte Ropo in haar

verzet ontvankelijk heeft verklaard en artikel 143 lid 2 Rv van toepassing heeft geacht. Volgens Appellant is voor de verzettermijn in de onderhavige zaak artikel 81 Rv oud van toepassing.

3.2 Aangezien deze grief de vraag aan de orde stelt of de kantonrechter terecht is toegekomen aan de beoordeling van de aard van de vordering is het hof van oordeel, dat Appellant in zoverre ontvankelijk is in zijn hoger beroep. Het hof zal dan ook onderzoeken of hetgeen Appellant op dit punt aanvoert, voldoende is om de conclusie te kunnen wettigen dat zijn hoger beroep op dit punt gegrond is.

4. Appellant voert aan dat het overgangsrecht bij de invoering van het nieuwe Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in artikel VII lid 2 bepaalt dat op de termijn waarbinnen een rechtsmiddel tegen een beslissing van onder meer het kantongerecht, die tot stand is gekomen vóór de datum van de inwerkingtreding het oude procesrecht van toepassing is.

Ropo beroept zich op de passage van de memorie van toelichting op het eerste lid van artikel VII overgangsrecht dat vermeldt dat als het rechtsmiddel wordt aangewend vóór de datum van inwerkingtreding van het nieuwe Rv, het oude procesrecht op die zaak van toepassing blijft en indien het rechtsmiddel wordt aangewend ná de datum van inwerkingtreding van het nieuwe Rv het nieuwe procesrecht op die zaak van toepassing is, en dat dus de beslissing van de kantonrechter juist is.

5. Het hof overweegt als volgt. Het eerste lid van artikel VII van het overgangsrecht heeft betrekking op het procesrecht dat van toepassing is op zaken die op de datum van inwerkingtreding van de nieuwe wet aanhangig zijn. Het tweede lid van dat artikel bepaalt deels in afwijking van het eerste lid dat voorzover het betreft de mogelijkheid tot het aanwenden van een rechtsmiddel tegen een beslissing die voor de datum van inwerkingtreding van de nieuwe wet tot stand is gekomen en de termijn waarbinnen dat rechtsmiddel dient te worden aangewend, het oude recht van toepassing blijft onafhankelijk van de vraag op welk moment het rechtsmiddel wordt ingesteld. Het moment van de uitspraak is beslissend. Dat betekent dat in casu de termijn van 14 dagen geldt. Aangezien Ropo op 11 januari 2002 bekend was met de inhoud van het vonnis en het verzet op 6 februari 2002 heeft ingesteld, is dat te laat. De kantonrechter had dan ook Ropo niet ontvankelijk behoren te verklaren in het verzet.

6. Nu het hoger beroep gegrond is en het vonnis van de rechtbank zal worden vernietigd, zal Ropo als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten in beide instanties.

Beslissing

Het hof:

- verklaart het hoger beroep gegrond;

- vernietigt het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage, sector kanton, van 2 juli 2002;

- verklaart Ropo niet ontvankelijk in haar verzet;

- veroordeelt Ropo in de kosten van beide instanties aan de zijde van Appellant:

- in eerste instantie bepaald op € 228,81 aan verschotten en € 408,40 aan salaris van de gemachtigde, te betalen aan de griffier van de rechtbank die daarmee zal handelen als overeenkomstig het bepaalde in artikel 243 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, en

- in hoger beroep bepaald op € 270,57 aan verschotten en € 998,- aan salaris van de procureur;

- verklaart dit arrest voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. In 't Velt-Meijer, De Wild en Husson en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 juni 2003, in bijzijn van de griffier.