Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AI0498

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-05-2003
Datum publicatie
25-07-2003
Zaaknummer
2002/1228 KG
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Op zich heeft Woonbron gelijk met haar standpunt, dat de termijn van verzet op 2 mei 2002 is aangevangen en vier weken duurt. De onbekendheid van Huurder met het vonnis doet daar niet aan af. Toch faalt de grief. Vaststaat, dat Huurder ten tijde van de eerste zitting bij de voorzieningenrechter gedetineerd was en niet bekend was met het feit, dat in kort geding ontruiming werd gevorderd en tot half mei 2002 geen weet had van het bij verstek gewezen ontruimingsvonnis en van de ontruiming op 2 mei 2002. Onder deze omstandigheden voldoet onverkorte toepassing van de artikelen 143 en 144 Rv. niet aan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. Immers, het komt er op neer dat aan Huurder in feite de toegang tot de rechter ontzegd wordt. Het belang van Woonbron, dat het bij verstek gewezen en ten uitvoer gelegde vonnis onherroepelijk wordt, dient te worden afgewogen tegen het belang van Huurder om zijn zaak aan de rechter te kunnen voorleggen. Het hof oordeelt dat het belang van Huurder zwaarder weegt. Huurder is dus ontvankelijk in zijn vordering als omschreven in de verzetdagvaarding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2003, 10
WR 2004, 13

Uitspraak

Uitspraak: 16 mei 2003

Rolnummer: 02/1228 KG

Rolnr. rechtbank: 177396 / KG ZA 02-550

HET GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE, negende civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

STICHTING VOLKSHUISVESTINGSGROEP WOONBRON / MAASOEVERS,

gevestigd te Rotterdam,

appellante,

hierna te noemen: Woonbron,

procureur: mr. A.A.Th. Boender,

tegen

de HUURDER,

wonende te X,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Huurder,

procureur: mr. C.C. van Bodegom.

Het geding

Bij exploot van 20 september 2002 is Woonbron in hoger beroep gekomen van het vonnis van 29 augustus 2002 door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Rotterdam gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven (met producties) heeft Woonbron tegen het vonnis van de rechtbank zeven grieven aangevoerd, die door Huurder bij memorie van antwoord (met producties) zijn bestreden. Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd.

De beoordeling van het hoger beroep

1. Het hof gaat uit van de volgende vaststaande feiten:

a) Op 9 januari 2001 is tussen partijen een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de woning Xstraat a te X (verder "de woning"); Huurder heeft de woning betrokken;

b) bij dagvaarding van 12 april 2002 heeft Woonbron in een kort gedingprocedure de ontruiming van voormelde woning door Huurder gevorderd; bij vonnis d.d.

25 april 2002 van de voorzieningenrechter te Rotterdam is verstek tegen Huurder verleend en is hij veroordeeld tot ontruiming van de woning;

c) blijkens een proces-verbaal van deurwaarder M. de Graaff is de woning op 2 mei 2002 ontruimd;

d) Huurder zat ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding op 12 april 2002 gedetineerd in het huis van bewaring aan de Noordsingel te Rotterdam en zat op de datum waarop het bestreden vonnis gewezen is nog steeds gedetineerd;

e) Huurder is bij dagvaarding van 31 mei 2002 in verzet tegen voormeld verstekvonnis gekomen.

2. Het gaat om het volgende. Huurder huurde de woning aan […] te X. Vanaf maart 2002 krijgt Woonbron klachten van omwonenden dat zij (ernstige) overlast ondervinden van de bewoners/gebruikers van de woning. Na diverse vergeefse aanmaningen aan Huurder op het adres van de door hem gehuurde woning om aan de overlast en het onbehoorlijk gebruik door hem en/of zijn huisgenoten een eind te maken, heeft Woonbron zich tot de voorzieningen-rechter gewend. Huurder, die gedetineerd zat, is bij verstek tot ontruiming veroordeeld. Woonbron heeft de deurwaarder de woning op 2 mei 2002 laten ontruimen. Huurder is bij dagvaarding van 31 mei 2002 in verzet gekomen van het verstekvonnis. De voorzieningenrechter heeft het verstekvonnis vernietigd en de vordering van Woonbron afgewezen en daartoe overwogen, dat niet is gebleken dat de overlast door toedoen van Huurder is veroorzaakt. Hiertegen is Woonbron in appèl gekomen.

3. Grief I luidt: "Ten onrechte heeft de Voorzieningenrechter Huurder ontvankelijk verklaard in het verzet."

In de toelichting betoogt Woonbron, dat ingevolge de artikelen 143 lid 3 en 144 Rv. de verzettermijn van vier weken aanvangt op de dag waarop het vonnis ten uitvoer is gelegd en dat het vonnis wordt geacht ten uitvoer te zijn gelegd in geval van gedwongen ontruiming van onroerende zaken, nadat de ontruiming heeft plaatsgevonden. De ontruiming heeft plaatsgevonden op 2 mei 2002, zodat de termijn op 30 mei 2002 afliep en de verzetdagvaarding te laat, namelijk op 31 mei 2002 is betekend, aldus Woonbron.

4. Huurder stelt hier tegenover, dat hij half mei 2002 op de hoogte is gebracht van het feit, dat er een ontruimingsvonnis zou zijn gewezen en dat hij en zijn advocaat pas op 17 mei 2002 kennis hebben kunnen nemen van de inhoud van het vonnis, dat op die datum door de advocaat van Woonbron naar de advocaat van Huurder is gefaxt. Naar zijn mening is de termijn pas toen gaan lopen en was hij tijdig met zijn verzetdagvaarding. Voorts brengt Huurder naar voren dat hij niet op de hoogte was van de ontruiming op 2 mei 2002 en dat zelfs Woonbron op 18 juni 2002, toen de verzetdagvaarding op de zitting van de voorzieningenrechter werd behandeld, niet bekend was met het feit dat op 2 mei 2002 de ontruiming had plaatsgevonden. Tenslotte voert Huurder aan, dat aanvankelijk de verzetdagvaarding op 23 mei 2002 aan (de procureur van) Woonbron was betekend teneinde via de rol te procederen. Mede naar aanleiding van een telefonisch onderhoud tussen de beide raadslieden en nadat de voorzieningenrechter een datum had bepaald, is de nieuwe datum voor de behandeling kortgesloten met de advocaat van Woonbron. Onder die omstandigheden kan geen beroep worden gedaan op artikel 143, lid 3 Rv iuncto artikel 144 Rv, aldus Huurder.

5. Het hof overweegt als volgt. Op zich heeft Woonbron gelijk met haar standpunt, dat de termijn van verzet op 2 mei 2002 is aangevangen en vier weken duurt. De onbekendheid van Huurder met het vonnis doet daar niet aan af. Toch faalt de grief. Vaststaat, dat Huurder ten tijde van de eerste zitting bij de voorzieningenrechter gedetineerd was en niet bekend was met het feit, dat in kort geding ontruiming werd gevorderd en tot half mei 2002 geen weet had van het bij verstek gewezen ontruimingsvonnis en van de ontruiming op 2 mei 2002. Onder deze omstandigheden voldoet onverkorte toepassing van de artikelen 143 en 144 Rv. niet aan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. Immers, het komt er op neer dat aan Huurder in feite de toegang tot de rechter ontzegd wordt. Het belang van Woonbron, dat het bij verstek gewezen en ten uitvoer gelegde vonnis onherroepelijk wordt, dient te worden afgewogen tegen het belang van Huurder om zijn zaak aan de rechter te kunnen voorleggen. Het hof oordeelt dat het belang van Huurder zwaarder weegt. Huurder is dus ontvankelijk in zijn vordering als omschreven in de verzetdagvaarding.

6. Grief II luidt: "Ten onrechte overweegt de Voorzieningenrechter dat de raadsman

van Woonbron wist, althans behoorde te weten dat Huurder toen niet feitelijk in die woning verbleef maar in detentie zat."

Naar het oordeel van het hof heeft Woonbron bij deze grief geen belang, omdat deze grief ziet op een overweging, die slechts betrekking heeft op de geldigheid van de dagvaarding van Woonbron. De dagvaarding is geldig bevonden en de voorzieningenrechter heeft de vordering van Woonbron inhoudelijk beoordeeld.

7. De grieven III, IV, V en VI (in de memorie van grieven ten onrechte aangeduid als IV) lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. In deze grieven wordt opgekomen tegen de rechtsoverwegingen 5.6, 5.7 en 5.8 van het bestreden vonnis.

8. In de toelichting brengt Woonbron naar voren, dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld, dat Woonbron niet aan de in rechtsoverweging 5.6. concreet geformuleerde criteria heeft voldaan op grond waarvan een vordering tot ontruiming kan worden toegewezen. Woonbron stelt zich op het standpunt, dat niet van belang is of Huurder de overlast heeft veroorzaakt, maar dat hij aansprakelijk is voor het gedrag van de persoon die met zijn toestemming de woning bewoont. Ondanks zijn detentie was Huurder gehouden over de woning te waken. Hij is onzorgvuldig geweest door de sleutels aan een derde af te geven en door niet te doen controleren wat er in de woning gebeurde. Wanneer deze persoon de woning heeft opengesteld voor derden althans toe te staan, dat anderen de woning hebben gebruikt voor criminele activiteiten, dient zulks te worden toegerekend aan Huurder. Woonbron heeft Huurder tot tweemaal toe schriftelijk aangemaand en het is rechtens onjuist de gevolgen van het niet verzorgen van ontvangen post door Huurder bij Woonbron neer te leggen. Woonbron heeft door alle brieven en stukken ten woonhuize van Huurder te bezorgen aan haar zorgplicht voldaan. Een enkele opmerking op een klachtenformulier "zit in de gevangenis" verplicht Woonbron niet alle gevangenissen af te bellen. Een beroep op onmacht in verband met detentie gaat niet op. Er is ook nog familie en de sociaal werker in de gevangenis, aldus nog steeds Woonbron.

9. Het hof is met de voorzieningenrechter van oordeel, dat, in geval van een ingrijpende vordering als die tot ontruiming, in voldoende mate vast moet staan dat het gedrag van Huurder heeft geleid tot een aantal ernstige vormen van overlast en wel dusdanig, dat van een verhuurder in redelijkheid niet langer kan worden verlangd dat de huurder nog gebruik maakt van het gehuurde, ook al is de huurovereenkomst nog niet rechtsgeldig geëindigd. Dat er sprake is geweest van ernstige overlast en dat deze niet door Huurder zelf, die immers gedetineerd zat, is veroorzaakt, staat tussen partijen vast. Het hof kan in zoverre met het standpunt van Woonbron mee gaan, dat Huurder onder omstandigheden aansprakelijk kan worden gehouden voor de overlast, die derden vanuit zijn huis aan buren en omwonenden geven. Het gaat er dan ook om welke die omstandigheden zijn.

10. Woonbron beroept zich hierbij op een mutatierapport van de Rotterdamse politie van 19 maart 2002, waaruit (volgens Woonbron) blijkt dat De medegedetineerde (andere naam van De medegedetineerde) met toestemming van Huurder in diens woning verbleef en in het bezit was van de sleutel en het penslot van de voordeur. Voorts blijkt volgens Woonbron uit het rapport van de politie van 19 januari 2002 dat De medegedetineerde de woning mag gaan bewonen om op de woning te passen. De medegedetineerde was derhalve huisgenoot van Huurder en Huurder was mitsdien aansprakelijk voor diens gedragingen.

11. Huurder heeft aangegeven dat hij aan een toenmalige medegedetineerde, De medegedetineerde, een sleutel van zijn huis heeft gegeven, maar dat blijkens het politierapport van 19 januari 2002 dit niet de sleutel van zijn huis betreft. Blijkens dat rapport had De medegedetineerde een sleutel van de woning van de broer van Huurder gekregen, welke sleutel niet paste, waarna De medegedetineerde het slot van de woning heeft verbroken om binnen te kunnen komen. Dat dit ook is gebeurd, wordt volgens Huurder bevestigd uit een aantal door Woonbron in het geding gebrachte klachtenformulieren uit maart 2002, waarop staat vermeld, dat het slot vervangen zou zijn en de woning gekraakt zou zijn. Daarvoor heeft Huurder, naar hij stelt, nimmer toestemming gegeven. Onduidelijk is of De medegedetineerde toen nog in de woning aanwezig was en de overlast veroorzaakte of dat andere personen, die zich ten onrechte de toegang tot de woning hadden verschaft, de overlast hebben veroorzaakt, aldus Huurder. Huurder acht zich voor de gedragingen van deze personen niet aansprakelijk.

12. Naar het oordeel van het hof is uit de door Woonbron overgelegde producties niet voldoende aannemelijk geworden dat, zo al aangenomen moet worden dat De medegedetineerde na het forceren van het slot met toestemming van Huurder in de woning verbleef, deze De medegedetineerde de overlast heeft veroorzaakt. Veeleer moet worden aangenomen, dat andere personen zich al dan niet met instemming van De medegedetineerde in de woning zijn gaan ophouden en dat zij de overlast hebben gegeven. Hiervoor kan Huurder echter, als in een te ver verwijderd verband staand met zijn aan De medegedetineerde gegeven toestemming, niet verantwoordelijk worden gehouden.

13. Op grond van het hiervoor gegeven oordeel behoeven de grieven III, IV, V en VI voor het overige geen bespreking meer. Zij falen.

14. Grief VII, die de kostenveroordeling, de vernietiging van het verstekvonnis en de afwijzing van de oorspronkelijke vordering betreft, faalt als gevolg van het vorenstaande eveneens.

15. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. Woonbron zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep van Huurder.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter te Rotterdam van 29 augustus 2002;

- veroordeelt Woonbron in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van Huurder tot op heden bepaald op € 230,-- aan griffierecht en op € 771,-- aan salaris voor de procureur op voet van artikel 243 Rv te voldoen aan de griffier van dit hof..

Dit arrest is gewezen door mrs. De Wild, Beyer-Lazonder en Husson en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 mei 2003, in bijzijn van de griffier.