Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AI0472

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-06-2003
Datum publicatie
25-07-2003
Zaaknummer
BK-01/03854
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

parkeerbelasting; autodaten; belastingplicht; verhuur; tenaamstelling naheffingsaanlagen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 1419
FutD 2003-1404
Belastingblad 2004/35
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

tweede enkelvoudige belastingkamer

18 juni 2003

nummer BK-01/03854

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak op het beroep van mevrouw drs. X te Z tegen de uitspraak van het sectorhoofd Stadstoezicht van de gemeente P, op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar opgelegde naheffingsaanslagen in de parkeerbelastingen dezer gemeente, aanslagnummers 01, 02, 03 en 04.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 4 juni 2003, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn verschenen belanghebbende alsmede namens de Inspecteur mevrouw A.

Beslissing

Het Gerechtshof:

met betrekking tot de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de parkeerbelastingen van de gemeente Leiden, met de aanslagnummers 01, 02, 03 en 04, gedateerd 7 november 2001:

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep,

- vernietigt de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de parkeerbelastingen van de gemeente P, met de aanslagnummers 01, 02, 03, en 04, gedateerd 7 november 2001;

met betrekking tot de aan B B.V. te Q opgelegde naheffingsaanslagen in de parkeerbelastingen van de gemeente Leiden, met de aanslagnummers 01, 02, 03 en 04, met dagtekening 25, 27 en 31 juli, respectievelijk 3 augustus 2001:

- verklaart het beroep gegrond

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep,

- verklaart belanghebbende niet ontvankelijk in het bezwaar,

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het beroep, aan de zijde van belanghebbende gevallen en vastgesteld op € 172,80 onder aanwijzing van de gemeente P als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden, en

- gelast de gemeente P aan belanghebbende het voor deze zaak gestorte griffierecht ad € 29 te vergoeden.

Gronden

1. Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij niet als belastingplichtige, in de zin van artikel 3, lid 1, van de Verordening parkeerbelasting 2000 van de gemeente P (hierna: de Verordening) kan worden aangemerkt. Dat verweer treft doel. Vaststaat dat de gemeente P voor voertuigen als het onderhavige speciale, zogeheten "autodateplaatsen" heeft uitgegeven, dat belanghebbende op 21 juli 2001 het voertuig voor een periode van enkele uren van B B.V. te Q (hierna de verhuurmaatschappij) had gehuurd, dat het voertuig na afloop van de verhuurperiode niet op de autodateplaats kon worden geparkeerd omdat deze door een ander voertuig was bezet, dat daarom het voertuig - overeenkomstig de schriftelijke instructies van de verhuurmaatschappij - op een reguliere parkeerplaats is achtergelaten, dat ten tijde van het parkeren van het voertuig belanghebbende de verhuurmaatschappij hiervan telefonisch op de hoogte heeft gesteld, dat zij in dat telefoongesprek ook heeft verteld op welke parkeerplaats het voertuig werd achtergelaten, dat de verhuurmaatschappij tegen een en ander niet heeft geprotesteerd, en dat na het beëindigen van de huurperiode belanghebbende niet bij machte was het voertuig te verplaatsen omdat de toegang tot het voertuig door de verhuurmaatschappij electronisch was geblokkeerd.

2. Naar 's Hofs oordeel volgt uit het voorgaande dat alleen de verhuurmaatschappij nog kon bewerkstelligen dat het voertuig naar de autodateplaats werd verplaatst en daar werd geparkeerd. Dat dit niet is gebeurd en dat de naheffingsaanslag van 23 juli 2001 alsmede de daaropvolgende naheffingsaanslagen zijn opgelegd kan slechts de verhuurmaatschappij en niet belanghebbende worden verweten. Onder deze omstandigheden kan belanghebbende niet als belastingplichtige in de zin van artikel 3 van de Verordening worden aangemerkt.

3. Voor zover belanghebbende is opgekomen tegen de aan de verhuurmaatschappij opgelegde duplicaatnaheffingsaanslagen met dagtekening 25, 27 en 31 juli, respectievelijk 3 augustus 2001, dient zij daarin niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu zij niet als belastingplichtige kan worden aangemerkt.

4. Het Hof gaat er van uit dat op 23, 25 en 28 juli 2001, alsmede op 1 augustus 2001 naheffingsaanslagen zijn opgelegd en dat die op het voertuig zijn aangebracht. Deze naheffingsaanslagen - die aanvankelijk niet ten name van een bepaalde belastingschuldige waren gesteld - zijn, blijkens de uiteindelijke tenaamstelling volgens de tot de stukken van het geding behorende duplicaten van aanslagbiljetten, met dagtekening 25, 27 en 31 juli, respectievelijk 3 augustus 2001 en met vermelding van de hierboven vermelde aanslagnummers, opgelegd aan de verhuurmaatschappij, die kennelijk ten tijde van het parkeren de houder was van het voertuig als bedoeld in artikel 3, lid 2, onderdeel b, van de Verordening. Het op de voet van deze bepaling aanmerken van de verhuurmaatschappij als belastingplichtige, en het dienovereenkomstig aan haar opleggen van de naheffingsaanslag, is in overeenstemming met artikel 225, lid 5, van de Gemeentewet (hierna: de Wet). Daarin is immers bepaald dat zolang geen voldoening van de in dat artikel in het eerste lid, letter a, bedoelde parkeerbelasting heeft plaatsgevonden, de houder van het voertuig wordt aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd.

5.1. Nadien heeft de Inspecteur, naar ter zitting is uiteengezet, de tenaamstelling van de naheffingsaanslagen gewijzigd en zijn, met dagtekening 7 november 2001, vier duplicaatnaheffingsaanslagbiljetten, met gelijke aanslagnummers als hierboven vermeld, aan belanghebbende toegezonden. De Inspecteur heeft klaarblijkelijk aangenomen dat ter zake van hetzelfde belastbare feit aan meer dan één persoon, die ingevolge artikel 3 van de Verordening als belastingplichtige kunnen worden aangewezen, een duplicaataanslagbiljet kan worden opgelegd, danwel dat op een eerder gemaakte keuze kan worden teruggekomen. Dat is echter niet juist. Weliswaar heeft de Inspecteur ter zake van de onderhavige parkeerbelasting waarvoor meerdere personen belas-tingplichtig kunnen zijn, de keuze uit een van hen bij de tenaamstelling van het duplicaatnaheffingsaanslagbiljet, doch aan een gemaakte keuze is hij gebonden, want met het opleggen van een duplicaatnaheffingsaanslagbiljet is zijn heffingsbevoegdheid uitgeput.

5.2. Dit wordt niet anders doordat in artikel 225, lid 5, van de Wet met het oog op een praktische gang van zaken zolang geen voldoening van de belasting heeft plaatsgevonden, de houder als belastingplichtige is aangewezen. Weliswaar kan met deze bepaling, gelet op de strekking ervan de invordering van parkeerbelastingen te vergemakkelijken, niet zijn bedoeld uit te sluiten dat de aanslag wordt opgelegd aan degene die het voertuig heeft geparkeerd, en dient deze bepaling dan ook zo te worden gelezen dat naast de houder ook degene die in artikel 225, lid 3, van de Wet in de eerste plaats als belastingplichtige is aangewezen, als zodanig blijft aangemerkt, maar dat laat onverlet dat slechts één aanslag kan worden opgelegd, aan één van de in de artikel 3 van de Verordening als belastingplichtige aangewezen personen. Nu de duplicaatnaheffingsaanslagbiljetten aanvankelijk ten name van B B.V. te Q waren te naam gesteld, stond het de Inspecteur derhalve niet vrij nadien deze tenaamstelling te wijzigen. Dit brengt met zich dat de duplicaatnaheffingsaanslagbiljetten ten name van belanghebbende dienen te worden vernietigd.

6. Gelet op al het vorenoverwogene is het beroep gegrond. Beslist dient te worden als hiervoor vermeld.

Deze uitspraak is vastgesteld op 18 juni 2003 door mr. Vonk en op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mr. Salomons.

(Salomons) (Vonk)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onder-werpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt, is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.