Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AI0470

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-05-2003
Datum publicatie
25-07-2003
Zaaknummer
BK-01/01947
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

stikstofheffing; nihilaangifte; niet-ontvankelijk; artikel 24 AWR; artikel 43, lid 5, Meststoffenwet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

zevende enkelvoudige belastingkamer

22 mei 2003

nummer BK-01/01947

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de inspecteur van het Bureau Heffingen van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer, en Visserij te P (hierna: de Inspecteur), op het bezwaarschrift van belanghebbende inzake de stikstofheffing voor het jaar 1998.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 8 mei 2003, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn verschenen A namens belanghebbende alsmede namens de Inspecteur mevrouw mr. B, tot haar bijstand vergezeld door mr. C.

Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Gronden

1. Op 14 januari 1999 is belanghebbende uitgenodigd tot het doen van een zogenaamde verfijnde aangifte voor de mineralenheffing (fosfaat- en stikstofheffing) en de bestemmingsheffing voor het jaar 1998. De aangifte is op 25 augustus 1999 bij de Inspecteur ingekomen. In de aangifte heeft belanghebbende aangegeven dat hij geen fosfaat- en stikstofheffing is verschuldigd en dat hij ƒ 400 aan bestemmingsheffing is verschuldigd. Belanghebbende heeft bij brief van 24 augustus 1999 bezwaar gemaakt tegen de stikstofheffing.

2. Bij de bestreden uitspraak heeft de Inspecteur belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar.

3. In geschil is of de Inspecteur terecht belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard in het bezwaar.

4. Blijkens artikel 41, tweede lid, van de Meststoffenwet (hierna: de Wet) is de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) van overeenkomstige toepassing op de mineralenheffingen, waaronder de stikstofheffing. Op grond van artikel 24 van de AWR kan hij die bezwaar heeft tegen het bedrag dat op aangifte is voldaan een bezwaarschrift indienen bij de Inspecteur. Belanghebbende heeft ter zake van de stikstofheffing een nihilaangifte ingediend en dienovereenkomstig geen belasting voldaan. Tegen een dergelijke aangifte staat op grond van artikel 24 van de AWR geen bezwaar open. De Inspecteur heeft terecht belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in het bezwaar.

5. Met betrekking tot de stelling van belanghebbende dat in het onderhavige geval sprake is van een belang in verband met de mogelijkheid van verrekening van mineralenverliezen in de toekomst geldt het volgende. Blijkens artikel 43, eerste lid, van de Wet bestaat voor het systeem van de verfijnde mineralenheffing de mogelijkheid om mineralenverliezen over verschillende jaren te verrekenen. Ingevolge het vijfde lid van voormeld artikel geschiedt de verrekening en het verlenen van een uit een verrekening voortvloeiende teruggaaf, alsmede de vaststelling van een resterende hoeveelheid fosfaat, onderscheidenlijk stikstof van minder dan nihil, op verzoek door de Inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking. Een bezwaarschrift tegen een dergelijke beschikking is in het onderhavige geval voor belanghebbende de enige mogelijkheid om het gebruik van de forfaitaire stikstofnorm voor kaas van koemelk aan te vechten. Inmiddels heeft de Inspecteur voor het onderhavige jaar een dergelijke beschikking afgegeven, waartegen belanghebbende bezwaar heeft gemaakt. Slechts in die procedure kan het geschilpunt inzake de forfaitaire stikstofnorm voor kaas van koemelk aan de orde komen.

6. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond.

7. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Deze uitspraak is vastgesteld op 22 mei 2003 door mr. Schuurman en op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mr. Salomons.

(Salomons) (Schuurman)

Aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt, is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de grif-fier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.