Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AI0165

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-05-2003
Datum publicatie
22-07-2003
Zaaknummer
BK-02/01561
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2005:AT7214
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Is het de Inspecteur, gelet op het bepaalde in artikel 41, lid 2, van de Wuv en artikel 51, lid 2, van de Wubo toegestaan leges te vorderen/ Ter zake voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het op papier verstrekken van gegevens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-1378
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

derde meervoudige belastingkamer

28 mei 2003

nummer BK-02/01561

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de ambtenaar, belast met de heffing van belastingen van de gemeente P (hierna: de Inspecteur), betreffende na te noemen heffing.

1. Heffing en bezwaar

1.1. Bij gedagtekende schriftelijke kennisgeving van

21 december 2001 is van belanghebbende een bedrag van ƒ 120 aan leges gevorderd ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag tot het op papier verstrekken van gegevens aan belanghebbende.

1.2. Het tegen het gevorderde bedrag gerichte bezwaar van belanghebbende is bij de bestreden uitspraak afgewezen.

2. Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 218. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 16 april 2003, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

3. Verordening

De raad van de gemeente P heeft in zijn openbare vergadering van 18 december 2000 vastgesteld de Legesverordening 2001 (hierna: de Verordening). De Verordening is in werking getreden op 2 januari 2001. Blijkens de inhoud

van de gedingstukken is de Verordening op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. De tekst van de Verordening en van de daarbij behorende tarieventabel behoort in kopie tot de stukken van het geding.

4. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

4.1. Belanghebbende is een publiekrechtelijk orgaan en houdt zich als zodanig bezig met de uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers (hierna: Wuv) en de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wubo). Ten behoeve van de uitvoering van deze wetten heeft belanghebbende in 2001 op de voet van artikel 88 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: Wet GBA) 24 maal aan de gemeente P inlichtingen uit de basisadministratie persoonsgegevens gevraagd. Het ging daarbij om gegevens betreffende de nationaliteit en de woon- of vestigingsplaats van personen die een aanvraag indienden in het kader van de Wuv of de Wubo. Belanghebbende behoefde deze gegevens om te kunnen beoordelen of de aanvrager in aanmerking kwam voor de aangevraagde uitkering of voorziening.

4.2. Belanghebbende is een buitengemeentelijke afnemer als bedoeld in artikel 1 van de Wet GBA. Belanghebbende is aangesloten op het zogeheten GBA-netwerk en ontvangt van gemeenten via dat netwerk persoonsgegevens in gedigitaliseerde vorm. Omdat de onder 4.1 bedoelde gegevens niet in gedigitaliseerde vorm van de gemeente konden worden verkregen zijn zij op papier verstrekt.

4.3. In verband met het verstrekken van de onder 4.1 genoemde inlichtingen heeft de Inspecteur op de voet van artikel 2 van de Verordening in verbinding met onderdeel 4.4.2 van de tarieventabel de onderhavige leges van belanghebbende gevorderd. De leges zien uitsluitend op de kosten die zijn gemoeid met het verstrekken van de gevraagde gegevens in papieren vorm, door de Inspecteur ook wel aangeduid als "kosten postkamer".

4.4. Artikel 41, lid 2, van de Wuv luidt als volgt:

"De gemeentebesturen zijn verplicht aan de Raad de door deze gevraagde gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens kosteloos toe te zenden."

Artikel 52, lid 2, van de Wubo luidt als volgt:

"De gemeentebesturen zijn gehouden aan de Raad de door hem gevraagde gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens kosteloos te verstrekken."

5. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

5.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of het de Inspecteur, gelet op het bepaalde in artikel 41, lid 2, van de Wuv en artikel 51, lid 2, van de Wubo, is toegestaan de onderhavige leges te vorderen, welke vraag door belanghebbende ontkennend en door de Inspecteur bevestigend wordt beantwoord.

5.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de gemeente P krachtens voormelde bepalingen uit de Wuv en de Wubo is gehouden de door belanghebbende gevraagde inlichtingen uit de basisadministratie persoonsgegevens kosteloos toe te zenden c.q. te verstrekken.

5.3. De Inspecteur heeft voor zijn standpunt - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Artikel 95 van de Wet GBA schrijft weliswaar in beginsel voor dat de verstrekking van gegevens aan buitengemeentelijke afnemers kosteloos geschiedt, doch zulks laat de toepassing van artikel 5 van de Wet GBA onverlet. De onderhavige legesheffing dient ter uitvoering van voormeld artikel 5 juncto de artikelen 4, aanhef en onderdeel f, en 6, lid 7, van het Besluit gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: Besluit GBA) en artikel 37a van de Regeling gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, en is derhalve toegestaan.

5.4. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de stukken. Zij hebben hun standpunten ter zitting toegelicht, doch aldaar aan de door hen in de gedingstukken gegeven uiteenzettingen geen grieven of weren toegevoegd.

6. Conclusies van partijen

6.1. Het beroep van belanghebbende strekt tot vermindering van het gevorderde bedrag tot nihil.

6.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

7. Overwegingen omtrent het geschil

7.1. Krachtens het bepaalde in artikel 219, lid 1, van de Gemeentewet worden behalve de gemeentelijke belastingen waarvan de heffing krachtens andere wetten dan de Gemeentewet geschiedt, geen andere belastingen geheven dan die bedoeld in de tweede en derde paragraaf van hoofdstuk XV van de Gemeentewet.

7.2. De onderhavige legesheffing berust, zoals ook blijkt uit de aanhef van het hiervoor genoemde raadsbesluit van

18 december 2000, op artikel 229, lid 1, aanhef en onderdeel b, van de Gemeentewet en artikel 2 van de Verordening in verbinding met onderdeel 4.4.2 van de daarbij behorende tarieventabel.

7.3. De onderhavige leges zijn geheven ter zake van het op papier verstrekken van de door belanghebbende gevraagde inlichtingen uit de basisadministratie persoonsgegevens. Deze verstrekking geldt als een toezending c.q. verstrekking aan belanghebbende als bedoeld in artikel 41, lid 2, van de Wuv en artikel 51, lid 2, van de Wubo en dient derhalve ingevolge die bepalingen kosteloos te geschieden. De omstandigheid dat in artikel 6, lid 7, van het Besluit GBA aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid is gegeven aan afnemers in verband met de kosten van de schriftelijke gegevensverstrekking een vergoeding in rekening te brengen, doet daaraan niet af, nu het slechts gaat om een gegeven bevoegdheid, die bovendien is neergelegd in een lagere regelgeving dan de Wuv en de Wubo. Evenmin doet daaraan af hetgeen de Inspecteur overigens nog heeft aangevoerd.

7.4. Het beroep is dus gegrond. Het gevorderde bedrag moet worden verminderd tot nihil.

8. Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, aangezien gesteld noch gebleken is dat belanghebbende dergelijke kosten heeft gemaakt. Wel dient aan belanghebbende het voor deze zaak gestorte griffierecht te worden vergoed.

9. Beslissing

Het Gerechtshof

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep,

- vermindert het gevorderde bedrag tot nihil, en

- gelast de gemeente P het voor deze zaak gestorte griffierecht van € 218 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld op 28 mei 2003 door mrs. Schuurman, Vonk en Van Leijenhorst. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van de Vijver.

(Van de Vijver)

(Schuurman)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.