Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AH9993

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-06-2003
Datum publicatie
17-07-2003
Zaaknummer
BK-01/01370
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanslagen verontreinigingsheffing rijkswateren. Stelling van belanghebbende dat de gemeten CZV-waarde voor ten minste 25 percent afkomstig is van biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen in het afvalwater, is niet aannemelijk gemaakt. Schending van gelijkheidsbeginsel. Stelling van belanghebbende dat de Inspecteur ten aanzien van lozingen van afvalwater vanaf "spoelschepen" een begunstigend beleid heeft gevoerd is niet aannemelijk gemaakt. Voor zozver belanghebbende heeft gesteld dat in een meerderheid van de daarvoor in aanmerking komende gevallen de heffing voor de onderhavige jaren achterwege is gebleven, heeft zij die gevallen niet met voldoende concreetheid benoemd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 1307
Belastingblad 2003/1373
V-N 2003/46.5 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

derde meervoudige belastingkamer

10 juni 2003

nummer BK-01/01370

UITSPRAAK

op het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraken van de Inspecteur, het hoofd van het Bureau verontreinigingsheffing rijkswateren te P, betreffende na te noemen aanslagen.

1. Aanslagen en bezwaar

1.1 Aan belanghebbende zijn met dagtekening 31 december 1998 twee aanslagen in de verontreinigingsheffing rijkswateren opgelegd, onderscheidenlijk voor het jaar 1996 en voor het jaar 1997.

1.2 De aanslag voor het jaar 1996 is opgelegd naar een vervuilingswaarde van 3.214,0 en beloopt ƒ 208.910, terwijl daarmee voor een beloop van ƒ 136.500 aan voorlopige aanslagen is verrekend.

1.3 De aanslag voor het jaar 1997 is opgelegd naar een vervuilingswaarde van 2.137,0 en beloopt ƒ 138.905, terwijl daarmee voor een beloop van ƒ 136.500 aan voorlopige aanslagen is verrekend.

1.2 Belanghebbende heeft tegen die aanslagen - op gelijkluidende gronden - bezwaar gemaakt. Bij elk van de bestreden uitspraken is zij in één van haar grieven niet-ontvankelijk verklaard en zijn de bezwaren voor het overige afgewezen.

2. Loop van het geding

2.1 Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraken in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van ƒ 450 (€ 204,20). De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2 De eerste mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van de zevende enkelvoudige belastingkamer van het Gerechtshof van 29 mei 2002, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen.

2.3 Naar aanleiding van het op die zitting verhandelde heeft het Hof het onderzoek ter zitting geschorst en heeft vervolgens tussen het Hof en partijen een briefwisseling plaatsgevonden.

2.4 Vervolgens is de zaak verwezen naar de derde meervoudige belastingkamer van dit Hof.

2.5 De tweede mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 19 maart 2003, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen.

2.6 Van het op beide zittingen verhandelde is proces-verbaal opgemaakt.

2.7.1 De Inspecteur heeft, ingevolge een door het Hof op de tweede zitting tot hem gericht verzoek, als aanvulling op het aldaar verhandelde bij brief van 24 maart 2003 nog enkele als Prod. XXII tot en met XXVII gekenmerkte stukken ingezonden, zulks met afschrift aan belanghebbende. Met betrekking tot de als Prod. XXII tot en met XXIV gekenmerkte stukken, die aan belanghebbende bekend zijn, heeft belanghebbende ter zitting bij voorbaat verklaard tegen de inzending daarvan geen bezwaar te hebben en naar aanleiding daarvan geen nadere zitting te verlangen.

2.7.2 Bij de voornoemde brief heeft de Inspecteur tevens aanvullende informatie verstrekt. Hierop hebben de als Prod. XXV tot en met XXVII gekenmerkte stukken betrekking. Bij faxbericht van 28 maart 2003 heeft belanghebbende te kennen gegeven dat deze aanvullende stukken haar geen aanleiding geven tot het maken van opmerkingen.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1 Belanghebbende drijft een mosselconservenbedrijf. In dit verband worden door haar mosselen en andere schaal- en schelpdieren (hierna telkens te duiden als: mosselen) opgevist, bewerkt en geconserveerd, en vervolgens verhandeld.

3.2 De mosselen (of: "mosselzaad") worden uit (. . .)opgevist en vervolgens gedeponeerd op daarvoor bestemde percelen in de (. . .). Na verloop van tijd worden de mosselen door belanghebbende met behulp van zogenoemde korren weer opgehaald en aan land gebracht op het perceel a-straat 1 te Z, alwaar een aantal bewerkingen plaatsvindt. Hierbij gaat het om het uitspoelen van zand en slib, het afscheiden van de tarra, het ontdoen van pokken en het verwateren en ontbaarden van de mosselen. Het afvalwater dat bij deze bewerkingen vrijkomt, wordt - behoudens passage van een bezinkbak - ongezuiverd geloosd op de (. . .).

3.3 In de jaren 1996 en 1997 heeft belanghebbende aldus respectievelijk 84.588 ton en 82.223 ton mosselen verwerkt.

3.4 De definitieve aanslag voor het jaar 1996 is berekend naar een gemiddelde vervuilingswaarde van 0,038 vervuilingseenheden per ton verwerkte mosselen, derhalve 3.214 vervuilingseenheden.

3.5 De definitieve aanslag voor het jaar 1997 is berekend naar een gemiddelde vervuilingswaarde van 0,026 vervuilingseenheden per ton verwerkte mosselen, derhalve 2.137 vervuilingseenheden.

3.6 De hiervoor vermelde gemiddelde vervuilingswaarden zijn bepaald door meting en bemonstering van het afvalwater gedurende telkens drie perioden van een week in het desbetreffende belastingjaar. Het aantal vervuilingseenheden voor zuurstofbindende stoffen per onderzoeksdag is berekend met behulp van de volgende formule:

1 vervuilingseenheid = Qd x (CZV + 4,57 x N) , waarbij

136

Qd = het aantal kubieke meters afgevoerd afvalwater over de meetvoorziening op de dag van het onderzoek,

CZV = het chemisch zuurstofverbruik in milligrammen zuurstof per liter van het volumeproportionele etmaalmonster van de dag van het onderzoek, en

N = de som van ammonium-stikstof en organisch gebonden stikstof in milligrammen per liter van bovengenoemd etmaalmonster.

3.7 De bepaling van het aantal vervuilingseenheden voor zuurstofbindende stoffen aan de hand van de bovenstaande formule is geschied zonder toepassing van de zogenoemde T-correctie. Ingevolge artikel 13, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit verontreiniging rijkswateren en de in bijlage I, onderdeel C, van dat besluit opgenomen voorschriften wordt op de CZV-waarde de T-correctie toegepast ingeval die waarde voor ten minste 25 percent afkomstig is van biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen in het afvalwater.

3.8 Voorts is per onderzoeksdag bepaald hoeveel ton mosselen zijn verwerkt. De resultaten van de drie onderzoeksweken zijn vervolgens uitgedrukt in een gemiddelde vervuilingswaarde per mosselton. De gemiddelde vervuilingswaarde per mosselton is vervolgens vermenigvuldigd met het aantal mosseltonnen dat in het desbetreffende belastingjaar is verwerkt.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1 Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de aanslagen te hoog zijn vastgesteld doordat bij de bepaling van het aantal vervuilingseenheden voor zuurstofbindende stoffen de toepassing van de T-correctie achterwege is gebleven, welke vraag door belanghebbende bevestigend en door de Inspecteur ontkennend wordt beantwoord.

4.2 Voorts is tussen partijen in geschil het antwoord op de vraag of - zoals belanghebbende stelt en de Inspecteur bestrijdt - sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel.

4.3 Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

5. Conclusies van partijen

5.1 Het beroep van belanghebbende strekt - na wijziging van haar conclusie op de tweede zitting - tot vermindering van de aanslagen.

5.2 De Inspecteur heeft - na wijziging van zijn standpunt op de tweede zitting - geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot handhaving van de aanslagen.

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1 De (pro forma) bezwaarschriften tegen de onderwerpelijke aanslagen zijn op 12 januari 1999 bij de Inspecteur ingekomen. Bij brief van 14 januari 1999 heeft de Inspecteur belanghebbende in de gelegenheid gesteld de bezwaren vóór 15 februari 1999 te motiveren. Hierop heeft belanghebbende bij brieven van 15 februari 1999 voor beide jaren een motivering ingediend waarin twee grieven waren vervat. Deze brieven zijn op 16 februari 1999 ingekomen bij de Inspecteur, die op grond van de inhoud daarvan van oordeel was dat het verzuim van niet-motivering was hersteld. Kennelijk was de Inspecteur van oordeel dat dit herstel tijdig had plaatsgevonden. Vervolgens heeft hij in zijn brief van 8 maart 2001 aan belanghebbende te kennen gegeven diens primaire grief ongegrond te achten en hem in de gelegenheid gesteld vóór 31 maart 2001 een onderzoeksrapport in te dienen. Bij brief van 3 april 2001 heeft belanghebbende verzocht om nader uitstel voor de indiening van zodanig rapport en voorts het bezwaar aangevuld met een derde grief, namelijk dat een T-correctie had moeten worden toegepast. Deze brief is op 4 april 2001 bij de Inspecteur ingekomen.

6.2 De Inspecteur heeft belanghebbende gedeeltelijk, namelijk ter zake van die derde grief, niet-ontvankelijk verklaard in het bezwaar omdat in de visie van de Inspecteur na 15 februari 1999 geen nieuwe grieven meer konden worden aangevoerd.

6.3 Nu het verzuim van niet-motivering door belanghebbende met zijn brieven van 15 februari 1999 was hersteld en toentertijd kennelijk geen sprake was van enig ander verzuim op grond waarvan zij in het bezwaar niet-ontvankelijk kon worden verklaard, was en bleef het bezwaar ontvankelijk. Het in artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht vervatte motiveringsvereiste strekt immers niet verder dan dat de bezwaarde voor zijn bezwaar ten minste één grond kenbaar maakt. Door het bij brief van 3 april 2001 aanvoeren van een derde grief kwam belanghebbende dus niet (opnieuw) in verzuim.

6.4 Mitsdien heeft de Inspecteur belanghebbende ten onrechte gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard in het bezwaar. Ter zitting heeft de Inspecteur te kennen gegeven zich met dit oordeel te kunnen verenigen en in zoverre terug te komen van zijn eerder ingenomen standpunt dienaangaande.

6.5 Het vorenoverwogene betekent dat de bestreden uitspraken niet in stand kunnen blijven en dat het beroep in zoverre gegrond is.

6.6 De door de Inspecteur voor de onderscheidene aanslagen tot uitgangspunt genomen vervuilingswaarden zijn gebaseerd op de resultaten van de onder 3.6 vermelde analyses, die in opdracht van belanghebbende zijn uitgevoerd. Voor zover de gedingstukken omtrent die analyse bijzonderheden bevatten, wijzen die gegevens niet uit dat de voor het jaar 1996 onderscheidenlijk voor het jaar 1997 gemeten CZV-waarde, als element van de voor het desbetreffende jaar in aanmerking genomen vervuilingswaarde, voor ten minste 25 percent afkomstig is van biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen in het afvalwater.

6.7 Op belanghebbende, die stelt dat de gemeten CZV-waarde voor ten minste 25 percent afkomstig is van biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen in het afvalwater, rust de last - tegenover de betwisting daarvan door de Inspecteur - haar stelling aannemelijk te maken.

6.8 In dit verband heeft belanghebbende een rapport met resultaten overgelegd van twee door het Laboratorium B (. . .) geanalyseerde monsters die op 9 maart 2001 zijn genomen van door belanghebbende op de (. . .) geloosd afvalwater.

6.9 Op grond van die onderzoekresultaten heeft belanghebbende becijferd dat voor geloosd productiewater een correctiefactor van 0,096 en voor geloosd spoelwater een correctiefactor van 0,44 op de desbetreffende CZV-waarden moet worden toegepast.

6.10 De Inspecteur heeft bestreden dat de onder 6.8 genoemde, op 9 maart 2001 genomen monsters representatief zijn voor de vervuiling van het in de jaren 1996, 1997 (en 1998) door belanghebbende op de (. . .) geloosde afvalwater, onder meer omdat zich na afloop van het jaar 1998 en vóór de monsterneming in het productieproces van belanghebbende belangrijke wijzigingen hebben voorgedaan, te weten productievergroting en proceswijzigingen ter optimalisering van de waterhuishouding.

6.11 Verder heeft de Inspecteur met betrekking tot de methode van analyse van die monsters van het afvalwater gemotiveerd gesteld dat uit de resultaten van die twee analyses niet met voldoende betrouwbaarheid kan worden afgeleid dat de bij die analyse gevonden CZV-waarden voor ten minste 25 percent afkomstig zijn van in die monsters aanwezige stoffen die niet of nagenoeg niet biologisch afbreekbaar zijn en dat dit niet aan de hand van de overgelegde rapportage en de overigens beschikbare informatie kan worden geverifieerd.

6.12 Belanghebbende heeft niet weersproken dat zich na afloop van het jaar 1998 en vóór de monsterneming op 9 maart 2001 in haar productieproces belangrijke wijzigingen hebben voorgedaan. Bovendien heeft zij geen gegevens verstrekt aan de hand waarvan de door het B verrichte analyses kunnen worden geverifieerd. Mitsdien heeft belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur haar onder 6.9 genoemde stelling niet aannemelijk gemaakt en moet deze worden verworpen.

6.13 De subsidiaire stelling van belanghebbende houdt in dat in de jaren 1996 en 1997 vanaf 'spoelschepen' van concurrenten lozingen van afvalwater op de (. . .) hebben plaatsgevonden, vergelijkbaar met die van haar, doch dat de lozingen van die spoelschepen niet in de heffing zijn betrokken.

6.14 Voor zover belanghebbende heeft gesteld dat de Inspecteur ten aanzien van laatstbedoelde lozingen een begunstigend beleid heeft gevoerd, welke stelling de Inspecteur gemotiveerd heeft bestreden, heeft belanghebbende die stelling onvoldoende geschraagd met feiten en derhalve niet aannemelijk gemaakt dat van zodanig beleid sprake was.

6.15 Voor zover belanghebbende heeft gesteld dat in een meerderheid van de daarvoor in aanmerking komende gevallen de heffing voor de jaren 1996 en 1997 achterwege is gebleven, welke stelling de Inspecteur eveneens heeft betwist, heeft zij die gevallen niet met voldoende concreetheid benoemd. Bewijs van de stelling dat, net als in 1998, ook in de jaren 1996 en 1997 spoelactiviteiten op de verwaterpercelen plaatsvonden, kan haar te dezen niet baten omdat die stelling te algemeen is geformuleerd. Aan het aanbod van belanghebbende tot het leveren van dat bewijs gaat het Hof daarom voorbij.

6.16 Op grond van het in 6.6 en vervolgens overwogene, is er onvoldoende grond voor vermindering of vernietiging van de aanslagen. In zoverre faalt het beroep.

7. Proceskosten en griffierecht

7.1 Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.690,50 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (3,5 punten à € 322 x 1,5 (gewicht van de zaak)).

7.2 Voorts dient het voor deze zaak gestorte griffierecht aan belanghebbende te worden vergoed.

8. Beslissing

Het Gerechtshof

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraken waarvan beroep,

- verklaart belanghebbende alsnog ontvankelijk in de tegen de beide aanslagen gerichte bezwaren,

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond,

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het beroep aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.690,50, en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden,

- gelast die rechtspersoon het voor deze zaak gestorte griffierecht van € 204,20 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld op 10 juni 2003 door mrs. Schuurman, Vonk en Van Leijenhorst. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mr. Van Duijvendijk.

(Van Duijvendijk)

(Schuurman)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.