Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AH9940

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-05-2003
Datum publicatie
16-07-2003
Zaaknummer
BK-00/02056
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Omzetcorrectie. Belanghebbende heeft bedrag in de hoedanigheid van aandeelhouder aan de BV onttrokken. Artikel 24 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-1331
V-N 2003/42.1.11

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

eerste meervoudige belastingkamer

27 mei 2003

nummer BK-00/02056

UITSPRAAK

op het beroep van X, tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Ondernemingen P van de Belastingdienst, betreffende na te noemen aanslag.

1. Aanslag en bezwaar

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 207.974.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. Bij de bestreden uitspraak is het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en is de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 203.155.

2. Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van ƒ 60. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. Belanghebbende heeft vervolgens een conclusie van repliek ingediend, waarop de Inspecteur heeft gereageerd met een conclusie van dupliek.

2.3. Voorafgaand aan de zitting heeft de Inspecteur op 20 november 2001 een nader stuk ingediend en heeft belanghebbende op 21 november 2001 een nader stuk ingediend. Partijen hebben van elkanders stukken kunnen kennisnemen en zich daarover ter zitting kunnen uitlaten. Het Hof rekent die stukken tot de gedingstukken.

2.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 27 november 2001, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2.5. In verband met de wijziging van de samenstelling van de kamer heeft op 3 december 2002 een nieuwe behandeling ter zitting plaatsgevonden. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Wijlen A (. . .) heeft op (. . .) 1991 een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid opgericht onder de naam B Beheer B.V. Bij akte van 13 april 1995 zijn de statuten van de voormelde vennootschap gewijzigd en is haar naam gewijzigd in C Beheer B.V. (hierna: de B.V.).

3.2. In 1991 hebben A en zijn echtgenote X (hierna: belanghebbende) op een veiling "Camping D" te Q (hierna: de Camping) gekocht van de gemeente R. De exploitatie van de Camping was met ingang van 1992 voor rekening en risico van E C.V.

3.3. In E C.V. (hierna: de C.V.) participeerden A en belanghebbende als beherend vennoten voor onderscheidenlijk 5/9e en 3/9e deel. De B.V. participeerde voor 1/9e deel in de C.V. als commanditair vennote.

3.4. Op 31 augustus 1994 is door A, belanghebbende en de B.V. een zogenoemde voorovereenkomst gesloten met het oog op de geruisloze inbreng in belanghebbende van de door A en belanghebbende in de vorm van de C.V. gedreven ondernemingen. Bij notariële akte van 31 maart 1995 is deze inbreng tot stand gebracht.

3.5. In 1993 is A ernstig ziek geworden. In verband met hartproblemen werd hij in 1993 en 1994 diverse malen in het ziekenhuis opgenomen. In 1994 is A medisch goedgekeurd voor een open hartoperatie en transplantatie. A heeft een dergelijke ingreep vervolgens ook ondergaan. Op 27 april 1995 is A overleden.

3.6.1. Op 19 juli 1996 is namens de Inspecteur aan de Camping een bezoek gebracht in verband met het waarnemen van de actuele bedrijfsactiviteiten en het beoordelen van de administratieve vastleggingen (bijlage B 8 bij het verweerschrift).

3.6.1.1. Daarbij is vastgesteld dat de ondernemingsactiviteit bestond uit de exploitatie van een camping nabij het a-strand van Q. De Camping is geopend van 1 april tot 1 november. De maximale capaciteit van de Camping is 471 plaatsen. In dit aantal zijn zeven eigen caravans voor verhuur begrepen. Van de 471 plaatsen zijn er 245 tot 250 bezet met stacaravans. De overige plaatsen zijn seizoen- dan wel passantenplaatsen. Op het terrein zijn een cafe/snackbar en een kampwinkel aanwezig welke aan derden worden verhuurd. Voorts vindt er verhuur van fietsen plaats (. . .), is er verhuur van tennisbanen, en worden er munten verkocht voor de douches, de wasmachines, de drogers en voor de telefooncellen.

3.6.1.2. Wat betreft de administratieve vastleggingen werd

bij die gelegenheid het volgende geconstateerd:

Jaarplaatsen:

Nieuwe jaarplaatsen krijgen een recronovereenkomst. Voor volgende jaren worden eigen overeenkomsten gebruikt. In oktober van elk jaar worden de jaarplaatshouders aangeschreven met de vraag of verlenging zou plaatsvinden. Bij bevestiging wordt een overeenkomst toegezonden. Na terugontvangst krijgen de eigenaren een factuur toegezonden. Van beiden worden afschriften bij de administratie bewaard.

Seizoenplaatsen en passanten reserveerders:

De houders van deze plaatsen krijgen een reserveringsformulier toegezonden. Na terugontvangst daarvan krijgen zij een factuur toegezonden. Ook hiervan blijven weer afschriften bij de administratie bewaard.

Passanten niet-reserveerders:

Deze kampeerders krijgen bij vertrek een nota. Hiervan wordt een afschrift bij de administratie bewaard.

Geldadministratie:

De jaar-, seizoen- en passantenplaatsen die via de computer worden verwerkt (AICN pakket), worden rechtstreeks doorgeboekt in de geldadministratie. De nota's die passanten niet-reserveerders krijgen worden 1 x per maand in de kasadministratie verwerkt.

Voor de overige ontvangsten wordt een groepenkassa gebruikt. Deze wordt dagelijks afgeslagen. De kassa-afslag wordt bewaard.

Overige vastleggingen:

- De stacaravans hebben een aparte meter voor elektra en water. Afrekening vindt plaats gelijk met de eerste betaling van het jaar daarop. Er worden geen voorschotten in rekening gebracht.

- Voor de camping wordt in de computer een planbord bijgehouden. Dit planbord is niet bewaard. Met X is afgesproken dat dit met ingang van 1996 zou worden bewaard.

3.6.1.3. Naast X waren op 19 juli 1996 de volgende personen in vaste dienst op de Camping werkzaam: F (voor algemeen technisch onderhoud), G (receptiemedewerkster) en H (schoonmaakster). Daarnaast werd personeel ingehuurd voor terreinwerkzaamheden van de Sociale werkplaats te S.

3.6.2. Op 22 januari 1998 is door de Inspecteur een boekenonderzoek aangekondigd over de jaren 1994 tot en met 1997. Dit onderzoek is uitgemond in een rapport van 12 maart 1999 (hierna: het controlerapport), dat tot de gedingstukken behoort. Blijkens dit rapport zijn ook de kalenderjaren 1992 en 1993 in het onderzoek betrokken.

3.6.2.1. In de onderzochte periode vonden met betrekking tot de exploitatie van de Camping de volgende administratieve vastleggingen plaats. Met betrekking tot de zogenoemde jaarplaatsen, seizoenplaatsen en passanten-reserveerders en passanten niet-reserveerders geldt gedurende de gehele periode hetgeen hiervoor onder 3.6.1.2 is vermeld. De afrekening van het energie- en waterverbruik van de jaarplaatshouders vond gedurende de gehele periode eveneens op de hiervoor onder 3.6.1.2 beschreven wijze plaats. De overige ontvangsten werden niet gedurende de gehele onderzochte periode op de onder 3.6.1.2 beschreven wijze vastgelegd. Wel werd gebruik gemaakt van diverse kladstukken, zoals:

- dag- c.q. periodenstaten van de opbrengsten telefoon, droog- en strijkautomaten, warmwaterautomaten, douchemuntautomaat en diversen;

- dagafslagen van de kassa in de receptie (groepenkassa);

- kladbonnen met aantekeningen logies, bolderkarverhuur, fietsverhuur;

- kladbescheiden opbrengsten speelautomaten.

Dagstaten tennisbaan verhuur werden opgemaakt als voorlopige reserveringslijst en bij betaling van de tennishuur werd de opbrengst hiervan aangeslagen op de kassa. Tot en met 1994 is de financiële opbrengst van de tennisbanen niet in (dag)staten vastgelegd. Met ingang van 1995 vindt de verhuur van de tennisbanen plaats door tussenkomst van de horeca(uitbater). Vanaf dat jaar zijn er wel dagstaten tennishuur.

3.6.2.2. In de jaren tot en met 1994 heeft erflater de administratie van de Camping gevoerd. Van 1995 tot en met 1997 heeft de administratieve verwerking plaatsgevonden door een medewerker van de toenmalige gemachtigde van belanghebbende. Eenmaal per kwartaal verwerkte deze de gegevens in het computersysteem van de camping en verzorgde hij de aangiften omzetbelasting.

3.6.2.3. Tijdens het boekenonderzoek en het daaropvolgende overleg tussen belanghebbende en de Inspecteur, konden de volgende bescheiden niet worden overgelegd:

- de uitwerkingen/journalen, grootboeken en kolommenbalansen van het jaar 1992 en 1993 van de CV;

- het jaarstuk 1993 van de CV dat door erflater is gemaakt;

- de passantenbonnen van de niet-reserveerders van de jaren 1992 en 1993 betreffende de CV;

- de passantenbonnen van de niet-reserveerders van 1 januari 1994 tot en met 3 juli 1994 met betrekking tot de zogenoemde voorperiode voor inbreng van de in de vorm van de CV gedreven ondernemingen van erflater en X;

- de kladbescheiden van de vastleggingen van de overige ontvangsten van de jaren 1992, 1993 en 1994, van de CV onderscheidenlijk die met betrekking tot de zogenoemde voorperiode voor inbreng van de in de vorm van de CV gedreven ondernemingen van erflater en X, zoals genoemd onder 3.6.2.1;

- diverse afschriften van Nederlandse bankrekeningen ten name van erflater, te weten:

00.00.00.000 over 1992 en 1993 niet aanwezig

00.00.00.000 gedeeltelijk aanwezig

00.00.00.000 alleen een afschrift per 1 januari 1993 aanwezig

(. . .) tot 1 mei 1992 niet aanwezig

(. . .) tot en met 1992 niet aanwezig

(. . .) totaal niet aanwezig

(. . .) totaal niet aanwezig

- diverse afschriften van Belgische bankrekeningen ten name van erflater, te weten:

- (. . .) BEF tot 1 oktober 1993 niet aanwezig;

- (. . .) BEF tot 1 oktober 1993 niet aanwezig;

- (. . .) NLG tot 1 oktober 1993 niet aanwezig;

- (. . .) NLG tot 11 juni 1992 niet aanwezig.

3.6.2.4. In de onderzochte periode is met betrekking tot de boekhouding door de controlerend ambtenaar voorts het volgende geconstateerd:

- Ten laste van de winst over 1994 is een factuur voor vijf keukenblokken voor stacaravans gebracht, terwijl deze in feite de levering van een keuken voor de in aanbouw zijnde eigen woning betrof. Hetzelfde geldt voor een factuur met vermelding "diverse werkzaamheden kantoor en receptie", die in feite de plaatsing van een inbouwhaard in de eigen woning betrof. Verder was sprake van ontbrekende facturen voor werkzaamheden aan de eigen woning en de inrichting daarvan in 1994;

- Een deel van de zakelijke uitgaven is via de rekening-courantverhouding met erflater verwerkt. Niet in alle jaren is hierbij dezelfde gedragslijn aangehouden. Het gaat om de volgende totaalbedragen:

o 1993 privéstortingen ƒ 50.391,50

o 1994 creditering rekening courant ƒ 80.113,98

o 1995 creditering rekening courant ƒ 16.041,25

o 1996 creditering rekening courant ƒ 3.600,25

In verband met deze uitgaven werden, via overschrijvingen van de zakelijke bankrekening naar de privé- bankrekening bedragen overgemaakt van per keer ƒ 3.500. In totaal is per jaar overgemaakt:

o 1993 ƒ 28.000

o 1994 ƒ 45.500

o 1995 ƒ 31.500

- De opbrengsten zijn niet in alle jaren op gelijke wijze in de administratie verwerkt. In 1993 en 1994 is er geen kasadministratie. Voor het bepalen van de ontvangsten werden eerst alle bankrekeningen geboekt op het grootboeknummer (. . .). Daarnaast werden hierop geboekt alle kasafstortingen op de bank (als zijnde de gerealiseerde omzet per kas). De opbrengsten volgens het grootboeknummer (. . .) werden later, aan de hand van de diverse extracomptabele vastleggingen, verdeeld over de diverse ontvangstgroepen. De restpost werd aangemerkt als opbrengst van toeristische plaatsen. In 1995 is door de adviseur achteraf een kasopstelling gemaakt (zonder kassaldo). De daarin opgenomen bedragen komen van de kassa-afslagen van de kassa in de receptie en de kladgegevens van de opbrengsten telefoon, tennisbanen, warmwater, droog en strijk, en dergelijke. In verband met een door de adviseur geconstateerd negatief kassaldo heeft deze per 31 december 1995 een sluitboeking gemaakt van ƒ 108.566,75 (ƒ 102.421,46 aan seizoenplaatsen en ƒ 6.145,29 aan te betalen BTW). Daarnaast komen in het kasoverzicht bedragen (als ontvangsten) voor, waarvan de herkomst niet duidelijk is. Deze bedragen zijn: 31 maart ƒ 6.257, 30 april ƒ 6.205, 31 mei ƒ 33.508 en 30 juni ƒ 54.319. In het kasverslag komen nagenoeg geen zakelijke uitgaven voor en evenmin zijn privé-opnamen verantwoord. In 1995 werden verder, volgens bankafschriften, op verschillende data bedragen gestort tot een totaal van ƒ 16.756. Deze stortingen zijn niet in het kasverslag opgenomen. Ook in 1996 is door de adviseur achteraf een kasopstelling gemaakt (zonder beginsaldo, maar wel met een eindsaldo). De daarin opgenomen bedragen komen van de kassa-afslagen van de kassa in de receptie en de kladgegevens van de opbrengsten telefoon, tennisbanen, warmwater, droog en strijk, en dergelijke, alsmede van de aanwezige bescheiden met betrekking tot uitgaven. Daarnaast komt in het kasoverzicht een bedrag (als ontvangsten) voor van ƒ 126.821,13, waarvan de herkomst niet duidelijk is. Verder komt een sluitpost voor van ƒ 12.085 aan omzet. In 1996 komen in de kasopstelling voorts diverse stortingen voor op een bankrekening. In 1997 is door de adviseur eveneens achteraf een kasopstelling gemaakt (nu met een beginsaldo en een eindsaldo). De daarin opgenomen bedragen komen van de kassa-afslagen van de kassa in de receptie en de kladgegevens van de opbrengsten telefoon, tennisbanen, warmwater, droog en strijk, en dergelijke, alsmede van de aanwezige bescheiden met betrekking tot uitgaven. Uit de diverse bankrekeningen en overige aangetroffen bescheiden en verwerkingen heeft de controlerend ambtenaar kasopstellingen gemaakt waaruit de volgende tekorten naar voren komen:

o 1992 en 1993 samen ƒ 424.712

o 1994 ƒ 128.128

o 1995 ƒ 34.189

o 1996 ƒ 11.028

- Alleen in 1997 zijn opbrengsten gasverkopen verantwoord (omzet ƒ 6.060, inkoop ƒ 4.528, winst per saldo (ƒ 6.060 x 100/117 -/- ƒ 4.528 = ƒ 630), terwijl in alle jaren gasflessen werden verkocht.

- Op zaterdag 3 mei 1997, donderdag 17 juli 1997, zondag 10 augustus 1997 en dinsdag 26 augustus 1997 zijn in opdracht van de Inspecteur luchtfoto's van de Camping gemaakt, met het oog op het verzamelen van gegevens ten behoeve van een boekenonderzoek. Deze acties zijn niet vooraf aan belanghebbende meegedeeld. Wel zijn alle campings in Zeeland in 1994 gewezen op de mogelijkheid dat van hun terreinen luchtfoto's zouden kunnen worden gemaakt. Aan de hand van deze luchtfoto's is tijdens het hiervoor vermelde boekenonderzoek geconstateerd dat niet van alle bezette plaatsen volgens die foto's facturen of bonnen aanwezig waren. Tot de gedingstukken behoort een overzicht van de campingplaatsen en tijdstippen die het betrof.

3.6.2.5. Het controlerapport houdt ten aanzien van de kasverantwoording en omzet in de jaren 1992 en 1993 in het bijzonder nog het volgende in:

"Voor deze jaren zijn geen overzichten kasomzet, zoals door ons over de jaren 1994 t/m 1997 zijn gemaakt, te presenteren. De reden hiervoor is dat de administratie niet compleet bewaard is gebleven. Gesteld wordt, nu in alle jaren verschillen optreden, dat ook in 1992 en 1993 niet alle inkomsten zijn verantwoord. Dit wordt ook aangetoond met de kasopstellingen in hoofdstuk 3.1, waar mede door de kasstortingen op de Belgische bankrekeningen een groot tekort ontstaat. In deze jaren zijn niet de vereiste aangiften gedaan nu o.m. geen melding is gemaakt van de ontvangen rente van de Belgische bankrekeningen. Ook de niet verklaarde stortingen geven aan dat niet de vereiste aangiften zijn gedaan. Gesteld wordt dan ook omkeer van de bewijslast. Dit op grond van het feit dat: de administratie niet is bewaard, geen volledig inzicht is gegeven in de Belgische bankrekeningen, niet voldaan is aan de inlichtingenplicht-, niet de vereiste aangifte is gedaan, door niet alle rente aan te geven. Nu in de jaren 1994 t/m 1997 wordt aangetoond dat de omzetten kampeergelden niet volledig zijn verantwoord wordt gesteld dat ook in 1992 en 1993 omzetten kampeergelden niet zijn verantwoord. De hoogte van de correcties is bepaald door uit te gaan van de volgende kasopstelling: Uit de diverse bankrekeningen en overige aangetroffen bescheiden en verwerkingen blijkt het volgende:

1992 en 1993 NLG NLG

Debet Credit

Kasopnamen van rek. 023 totaal 31.450 Op bankrekeningen in België gestort 296.664

Kasopnamen van rek. 258 totaal 2.930 Op bankrekening 972 gestort 38.000

Kasopnamen van rek. 031 per saldo 963

Uitgaven voor onderneming 1992 35.000

Uitgaven voor onderneming 1993 50.391

Voor huishouding e.d. stelpost 40.000

Subtotaal 35.343 Subtotaal 460.055

Te kort 424.712

Te kort minimaal 400.000

Correcties:

Meer omzet 1992 f200.000

Meer omzet 1993 f200.000."

3.7.1. De Inspecteur heeft in afwijking van de aangifte het belastbare bedrag voor de vennootschapsbelasting 1996 voor de B.V. op basis van het controlerapport als volgt vastgesteld:

Aan te geven volgens jaarstukken:

Fiscaal bedrijfsresultaat ƒ 288.377

Niet aftrekbare kosten ƒ 555

Aan te geven bedrag volgens jaarstukken ƒ 288.932

Aangebrachte correcties:

Sloopkosten en egaliseren ƒ 6.697

Afschrijving privé woning ƒ 12.848

Minder afschrijving rekening . . . ƒ 189

Meer opbrengst verhuur ƒ 7.310

Meer omzet kampeergelden ƒ 78.352

Meer omzet speelautomaten ƒ 2.000

Meer winst verkoop gas ƒ 1.375

Meer omzet i.v.m. luchtfoto's ƒ 10.500

Minder kosten representatie ƒ 464

Minder kosten energie ƒ 4.700

Te verrekenen uit naheffingen omzetbelasting -/- ƒ 15.012

Totaal winstcorrecties ƒ 109.423

Vastgesteld belastbaar bedrag ƒ 398.355

3.7.2.1. Na bezwaar heeft de Inspecteur het belastbaar bedrag van de B.V. verminderd tot ƒ 203.155.

3.7.2.2. Voorafgaand aan de uitspraak op het bezwaarschrift heeft tussen partijen intensief overleg plaatsgevonden. Dit overleg heeft geleid tot een voorstel van de B.V. van

8 februari 2000 tot afwikkeling van de geschilpunten voortvloeiende uit het boekenonderzoek. De Inspecteur heeft in zijn brief van 7 juni 2000, waarin hij de uitspraak op het bezwaarschrift heeft gemotiveerd, het door de B.V. gedane voorstel afgewezen.

3.7.2.3. Het nader vastgestelde belastbare bedrag 1996 van de B.V. is als volgt onderbouwd:

Aan te geven volgens jaarstukken:

Fiscaal bedrijfsresultaat ƒ 288.377

Niet aftrekbare kosten ƒ 555

Aan te geven bedrag volgens jaarstukken ƒ 288.932

Aangebrachte correcties:

Afschrijving privé woning ƒ 12.512

Minder afschrijving rekening . . . ƒ 189

Meer opbrengst verhuur ƒ 6.221

Meer omzet kampeergelden ƒ 73.997

Meer omzet speelautomaten ƒ 2.000

Meer winst verkoop gas ƒ 1.375

Meer omzet i.v.m. luchtfoto's ƒ 10.500

Minder kosten energie ƒ 4.700

Te verrekenen uit naheffingen omzetbelasting -/- ƒ 13.923

Totaal

Winstcorrecties ƒ 97.571

Vastgesteld belastbaar bedrag ƒ 386.503

3.8.1. Belanghebbende heeft voor het jaar 1996 voor de heffing van inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen van ƒ 118.396.

3.8.2. De Inspecteur heeft in afwijking van de aangifte het belastbare inkomen voor de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1996 van belanghebbende op basis van het controlerapport als volgt vastgesteld:

Aangegeven belastbaar inkomen: ƒ 118.396

Bij:

- meer privé-gebruik auto ƒ 6.167

- meer genoten rente ƒ 695

- meer huurwaarde ƒ 2.800

- uitdeling via onttrokken omzet ƒ 74.752

- uitdeling via representatiekosten ƒ 464

- uitdeling via privé-gebruik energie ƒ 4.700

Vastgesteld belastbaar inkomen: ƒ 207.974

3.8.3. Voorafgaand aan de uitspraak op het bezwaarschrift heeft tussen partijen intensief overleg plaatsgevonden. Dit overleg heeft geleid tot een voorstel van de B.V. en van belanghebbende van 8 februari 2000 tot afwikkeling van de geschilpunten voortvloeiende uit het boekenonderzoek. De Inspecteur heeft in zijn brief van 7 juni 2000, waarin hij de uitspraak op het bezwaarschrift heeft gemotiveerd, het door de B.V. en belanghebbende gedane voorstel afgewezen.

3.8.4. Het bij de uitspraak op het bezwaar nader vastgestelde belastbare inkomen voor het jaar 1996 is als volgt vastgesteld:

Aangegeven belastbaar inkomen: ƒ 118.396

Bij:

- meer privé-gebruik auto ƒ 6.167

- meer genoten rente ƒ 695

- meer huurwaarde ƒ 2.800

- uitdeling via onttrokken omzet ƒ 70.397

- uitdeling via privé-gebruik energie ƒ 4.700

Nader vastgesteld belastbaar inkomen: ƒ 203.155

3.8.5. In het nader ingediende stuk van de Inspecteur van

20 november 2001 heeft de Inspecteur de voormelde correctie energiekosten verminderd tot ƒ 1.476, overeenkomstig de voor de heffing van loonbelasting geldende normering. Tijdens de monde-linge behandeling op 3 december 2002 hebben partijen zich eenstemmig op het standpunt gesteld dat de correctie energie ƒ 1.476 dient te bedragen.

3.8.6. De Inspecteur is tijdens de tweede mondelinge behande-ling akkoord gegaan met een bedrag aan uitdeling van ƒ 70.000.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is, voor zover deze betrekking hebben op het onderhavige belastingjaar uitsluitend het volgende nog in geschil:

a. Wat betreft de feitelijke, cijfermatige geschilpunten:

- de uitdelingscorrectie ter grootte van ƒ 70.000.

Belastingplichtige bestrijdt deze correctie, de Inspecteur persisteert bij handhaving daarvan.

b. Wat betreft de theoretische, fiscaal-technische geschil-punten is voor zover het onderhavige belastingjaar betreft in geschil het antwoord op de vraag of het beroep ongegrond moet worden verklaard, tenzij blijkt dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. De Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend, belanghebbende ontkennend.

4.2. Belanghebbende stelt zich, na een wijziging van haar standpunten in de loop van het geding, uiteindelijk op het standpunt:

a. Wat betreft het feitelijke, cijfermatige geschilpunt:

- De omzet- annex uitdelingcorrectie ter grootte van ƒ 70.000 berust op niet-gemotiveerde dan wel onvoldoende onderbouwde veronderstellingen. De al dan niet vermeende mededeling van belanghebbende, dat indien op een factuur niet is aangetekend hoe er is betaald, ervan kan worden uitgegaan dat de betaling contant is ontvangen, kan niet als onderbouwing dienen omdat belanghebbende op geen enkele wijze betrokken is geweest bij de verwerking van de administratieve gegevens.

b. Wat betreft de theoretische, fiscaal-technische geschil-punten stelt belanghebbende dat de omstandigheden in aanmerking genomen rechtens niet kan worden volgehouden dat zij niet de vereiste aangifte heeft gedaan, noch dat zij niet heeft voldaan aan haar inlichtingenplicht of haar administratieplicht, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), zodat omkering van de bewijslast niet aan de orde is. Feiten uit andere jaren en feiten betrekking hebbende op andere belasting-plichtigen mogen daarbij niet in de beoordeling worden betrokken. Voorts beroept zij zich wat betreft het niet kunnen verstrekken van de door de Inspecteur gevraagde bescheiden op overmacht.

4.3. De Inspecteur heeft de standpunten van belanghebbende gemotiveerd bestreden en hij stelt zich op het standpunt:

a. Wat betreft het feitelijke, cijfermatige geschilpunt:

- De omzetcorrectie ter grootte van ƒ 70.000, zijnde

ƒ 73.997 verminderd met een bedrag van ƒ 3.997 door de Inspecteur aannemelijk geachte "aanwending voor zakelijke uitgaven" is aangebracht op basis van de aanwezige administratie bij de B.V. Steekproefsgewijs zijn de facturen nagelopen aan de hand van de bankbescheiden. Er is geen enkele factuur, zonder aantekening van de betaalwijze daarvan, gevonden die door een klant via de bank aan de B.V. is betaald. Mitsdien is aangenomen en ook aannemelijk dat deze facturen via de kas zijn betaald. Deze aanname wordt gestaafd door de verklaring van belanghebbende dat, indien op een factuur niet is aangetekend hoe er is betaald, ervan kan worden uitgegaan dat de betaling contant is ontvangen.

b. Wat betreft het theoretische, fiscaal-technische geschil-punt stelt de Inspecteur dat, alhoewel het correct is dat voor zaken als bewaarplicht, vereiste aangifte en admini-stratieverplichting het gaat om de feiten in de relevante jaren. Feiten uit andere jaren kunnen een licht werpen op het onderhavige jaar en meer in zijn algemeenheid dienen als bewijs. De mate waarin een feit uit een ander jaar als bewijs dient voor het jaar waarover het geschil loopt kan daardoor verschillen. Het geheel aan feiten over de diverse jaren laat in ieder geval zien dat sprake is van belastingplichtigen, waaronder belanghebbende, die het niet zo nauw namen met hun fiscale verplichtingen in de in het onderzoek betrokken jaren.

4.4. Partijen hebben hun standpunten ter zitting toegelicht, doch aldaar aan de door hen in de gedingstukken gegeven uiteenzettingen geen grieven of weren toegevoegd.

5. Conclusies van partijen

5.1. Het beroep van belanghebbende strekt uiteindelijk, naar het Hof begrijpt, tot vermindering van de aanslag tot primair een naar een belastbaar inkomen van ƒ 129.534 (ƒ 118.396 +

ƒ 6.167 + ƒ 695 + ƒ 2.800 + ƒ 1.476).

5.2. De Inspecteur heeft uiteindelijk, naar het Hof begrijpt, geconcludeerd tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 199.534 (ƒ 118.396 + ƒ 6.167 + ƒ 695 + ƒ 2.800 + ƒ 1.476 + ƒ 70.000).

6. Overwegingen omtrent het geschil

Wat betreft de omzetcorrectie ter grootte van ƒ 73.997

6.1.1. De omzetcorrectie ter grootte van ƒ 73.997 is, zoals de Inspecteur gemotiveerd heeft gesteld, aangebracht op basis van de aanwezige administratie. Steekproefsgewijs zijn de facturen nagelopen aan de hand van de bankbescheiden. Er is geen enkele factuur, zonder aantekening van de betaalwijze daarvan, gevonden die door een klant via de bank aan belanghebbende is betaald. De Inspecteur heeft daaraan, naar 's Hofs oordeel terecht, het vermoeden kunnen ontlenen dat deze facturen via de kas zijn betaald. De verklaring van belanghebbende, gegeven tijdens het boekenonderzoek, dat, indien op een factuur niet is aangetekend hoe er is betaald, ervan kan worden uitgegaan dat de betaling contant is ontvangen, vormt een nadere onderbouwing van dit vermoeden.

6.1.2. Op grond van de hiervoor onder 3.6.2.1 tot en met 3.6.2.4 aan het controlerapport ontleende feiten en omstandig-heden, welke door belanghebbende niet dan wel onvoldoende zijn betwist, is het Hof van oordeel dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat ter zake van de onttrokken omzet een bedrag van ƒ 73.997 aan de B.V. niet ten goede is gekomen.

6.1.3. Belanghebbende is met hetgeen zij reeds in de correspon-dentie met de Inspectie en nadien tijdens de beroepsprocedure naar voren hebben gebracht naar 's Hofs oordeel er niet in geslaagd het tegendeel aannemelijk te maken. Het Hof gaat voorbij aan de stelling van belanghebbende dat aan haar verklaring geen betekenis kan worden toegekend, omdat zij op geen enkele wijze betrokken zou zijn geweest bij de administratieve verwerking van de gegevens. Het Hof acht die stelling niet aannemelijk, aangezien zij steeds betrokken is geweest bij de dagelijkse gang van zaken en in 1996 als enig bestuurder geheel verantwoordelijk was voor de administratie van de B.V.

6.1.4. De stelling van belanghebbende dat bij twijfel de beginselen van behoorlijk bestuur eisen dat terzake het voordeel van de twijfel aan belanghebbenden moeten worden gegund, vindt geen steun in het recht.

6.1.5. Voorts merkt het Hof nog op dat het de stelling van belanghebbende dat het standpunt van de Inspecteur inzake de bijgetelde en uitgedeelde omzet tot dubbeltellingen leidt niet juist acht. Indien in een geval zoals het onderhavige bij een vennootschap een bedrag aan omzet wordt bijgeteld en deze meer-omzet, zoals het Hof in dit geval aannemelijk acht, aan de aandeelhouder ten goede is gekomen, brengt het wettelijk systeem mee dat een winstcorrectie bij de vennootschap plaatsvindt en een inkomenscorrectie bij de aandeelhouder. Van een dubbeltelling, zoals door belanghebbende bedoeld, is dan geen sprake.

6.1.6. Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat op dit punt het gelijk aan de Inspecteur is.

Het bedrag van ƒ 70.000

6.2.1. De Inspecteur stelt zich, op het standpunt dat een bedrag van ƒ 70.000, zijnde het saldo van de onttrokken omzet van ƒ 73.997 zoals hiervoor onder 6.1.1 tot en met 6.1.5 vermeld, verminderd met een bedrag van ƒ 3.997 aan voor zakelijke doeleinden aangewende betalingen, bij de B.V. had moeten worden verantwoord en voorts dat belanghebbende in haar hoedanigheid van aandeelhouder in die vennootschap dit bedrag aan die vennootschap heeft onttrokken, welk bedrag als een winstuitdeling van de B.V. aan belanghebbende moet worden aangemerkt.

6.2.2. Met betrekking tot de beantwoording van de vraag hoe het door belanghebbende genoten voordeel van ƒ 70.000 moet worden gekwalificeerd, gaat het Hof - gelet op het vorenoverwogene - ervan uit dat het geld bij de B.V. terecht had moeten komen. In de persoon van belanghebbende is zowel de aandeelhouder als de directeur van de B.V. verenigd. Op grond van het vorenstaande is aannemelijk dat zowel belanghebbende als de B.V. zich ervan bewust zijn geweest, dan wel zich redelijkerwijs bewust hadden moeten zijn, dat de B.V. aan belanghebbende voordelen deed toekomen die voor deze vennootschap een uitdeling van winst vormde. Naar 's Hofs oordeel leidt dit ertoe dat belanghebbende het bedrag in de hoedanigheid van aandeelhouder aan de B.V. heeft onttrokken. In dat geval biedt artikel 24 van de Wet de grondslag voor de belastbaarheid van het voordeel. Met hetgeen belanghebbende te dier zake heeft aangevoerd, heeft zij naar

's Hofs oordeel het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. De Inspecteur heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat het bedrag van ƒ 70.000 in het inkomen van belanghebbende dient te worden begrepen.

6.2.3. Wat belanghebbende verder met het bedrag van ƒ 70.000 heeft gedaan, is te dezen niet van belang. Nu vaststaat dat belanghebbende aandeelhouder in de B.V. is, en bij gebreke aan gegevens die in een andere richting wijzen, gaat het Hof ervan uit dat vorenvermeld bedrag aan belanghebbende is toegekomen. Belanghebbende heeft met hetgeen zij te berde heeft gebracht, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.

6.2.4. Naar 's Hofs oordeel is het belastbare inkomen dusdoende op dit onderdeel niet tot een hoog bedrag gecorrigeerd.

6.3. Al het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het beroep van belanghebbende gedeeltelijk gegrond is en dat de aanslag moet worden verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 199.534 (ƒ 118.396 + ƒ 6.167 + ƒ 695 + ƒ 70.000 + ƒ 2.800 +

ƒ 1.476).

7. Proceskosten en griffierecht

7.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van het vorengenoemde Besluit en de daarbij behorende bijlage, voor de vorenbedoelde zaken tezamen vast op € 1.932 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand

(3 punten à € 322 x 2 (gewicht van de zaak)).Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

7.2. Voorts dient aan belanghebbende het voor deze zaak gestorte griffierecht ad ƒ 60, ofwel € 27,23 te worden vergoed.

8. Beslissing

Het Gerechtshof:

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep,

- vermindert de aanslag tot een, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 199.534 (€ 90.544),

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het beroep, aan de zijde van belanghebbende gevallen en vastgesteld op € 1.932, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden, en

- gelast de Staat der Nederlanden aan belanghebbende het voor deze zaak gestorte griffierecht van € 27,23 te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld op 27 mei 2003 door mrs. Tijnagel, Savelbergh en Van Walderveen, in tegen-woordigheid van de gerechtsauditeur mr. Postema. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordig-heid van de waarnemend griffier mr. Van Duijvendijk.

(Van Duijvendijk) (Tijnagel)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.