Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AH9934

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-06-2003
Datum publicatie
16-07-2003
Zaaknummer
BK-01/03725
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uit de overgelegde stukken en de daarop gegeven toelichting is voldoende gebleken dat belanghebbende naast weekendreizen ook midweekreizen heeft gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-1353
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

zevende enkelvoudige belastingkamer

27 juni 2003

nummer BK-01/03725

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Particulieren P van de Belastingdienst, op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen een aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1999.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 16 juni 2003, gehouden te Middelburg. Aldaar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde alsmede namens de Inspecteur A.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 34.291 (€ 15.560);

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het beroep, aan de zijde van belanghebbende gevallen en vastgesteld op € 822, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden, en

- gelast de Staat der Nederlanden het voor deze zaak gestorte griffierecht van € 29 aan belanghebbende te vergoeden.

Gronden

1. Belanghebbende woont in gezinsverband met zijn echtgenote en twee kinderen in Q. De kinderen zijn geboren op 6 januari 1985 en 17 januari 1987. Belanghebbende is werkzaam bij het Ministerie van Defensie. In het onderhavige jaar was hij tot 12 juli geplaatst bij B te R. Hij gaf daar onderwijs. Belanghebbende heeft er vanaf gezien om te verhuizen naar het woongebied van de B. Hij is inwonend geworden. De afstand van Q tot R bedraagt 185 kilometer.

2. Voor het onderhavige jaar heeft belanghebbende aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen van ƒ 34.291. In zijn aangifte heeft hij onder andere ƒ 11.988 ter zake van weekend- en midweekreizen in aftrek gebracht. Dit bedrag is als volgt berekend: 27 weken x 185 kilometer x 4 keer per week tegen ƒ 0,60 per kilometer. Van dit bedrag heeft de Inspecteur slechts ƒ 5.994 geaccepteerd, zijnde de kosten in verband met weekendreizen.

3. Belanghebbende heeft - voorzover hier van belang - de volgende stukken overgelegd:

- een kalender van het jaar 1999 waarop achteraf is aangegeven op welke dagen hij heeft gereisd van of naar R;

- 19 kopieën van giroafschriften waarop tankbeurten staan vermeld;

- een kopie van een verklaring van het Hoofd Bureau Facilitaire Ondersteuning van het Logistiek Centrum Koninklijke Luchtmacht waarin de dagen zijn vermeld waarop belanghebbende in verband met vakantie of ziekte niet aanwezig is geweest;

- een kopie van een verklaring van de moeder van belanghebbende van 15 januari 2002 waarin zij verklaart dat haar zoon gedurende de periode oktober 1998 tot februari 1999 gebruik heeft mogen maken van haar auto;

- een kopie van een aanvullende verklaring van de moeder van belanghebbende van 23 augustus 2002 waarin zij uiteenzet hoe zij zichzelf verplaatste wanneer haar zoon haar auto in gebruik had;

- een kopie van een verklaring van Fa. C van 9 september 2002 waarin staat vermeld dat in de periode van 1 september 1998 tot en met 10 oktober 1998 een auto aan belanghebbende is uitgeleend.

4. In geschil is het antwoord op de vraag of de Inspecteur de aftrek van de kosten ter zake van midweekreizen terecht heeft geweigerd, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

5. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft belanghebbende - samengevat en voorzover hier van belang - het volgende gesteld. De berekeningen die de Inspecteur heeft gemaakt, kunnen niet als juist worden aanvaard. In 1998 is in verband met diefstal van zijn eigen auto gebruik gemaakt van een leenauto van de Firma C. Omdat het thuis een hectische tijd was in verband met de verhuizing, had zijn vrouw nu en dan ook een auto nodig. Hij kon in dat geval de auto van zijn moeder gebruiken. Zijn moeder had de auto niet nodig en zijn vader rijdt geen auto omdat hij invalide is. De werkzaamheden lieten het toe dat hij eenmaal per week naar huis ging. Na afloop van de les, ca. 15.30 uur reed hij naar huis. Thuis bereidde hij de lessen voor de volgende dag voor. De volgende dag moest hij om 10.00 uur terug zijn. Meestal reed hij dan om 7.00 uur van huis weg.

6. Ingevolge het bepaalde in artikel 37, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1999) wordt het bedrag van de beroepskosten gesteld op ten hoogste ƒ 3.174, tenzij een hoger bedrag blijkt.

7. Gelet op hetgeen door partijen in het geding is gebracht en de toelichting die belanghebbende ter zitting daarop heeft gegeven is naar het oordeel van het Hof voldoende gebleken dat belanghebbende de opgevoerde kosten ter zake van midweekreizen heeft gemaakt. De functie van belanghebbende liet het toe dat hij eenmaal per week naar huis reisde om bij zijn gezin te kunnen zijn. Het Hof acht het dan ook aannemelijk dat belanghebbende gedurende de eerste helft van het onderhavige jaar 27 keer op doordeweekse dagen naar huis is gereisd. Voorts acht het Hof het aannemelijk dat belanghebbende in 1998 gebruik heeft gemaakt van een leenauto en dat hij in 1999 de auto van zijn moeder mocht gebruiken, zodat de berekeningen van de Inspecteur met betrekking tot de gereden kilometers niet als maatgevend kunnen worden beschouwd.

8. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond. De overige door belanghebbende aangevoerde grieven behoeven geen behandeling meer. De aanslag dient te worden verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 34.291 (€ 15.560).

9. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 805 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (2,5 punten à € 322 x 1 (gewicht van de zaak)) en € 17 wegens reiskosten van belanghebbende, in totaal derhalve op € 822. Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig. Voorts dient aan belanghebbende het voor deze zaak gestorte griffierecht te worden vergoed.

Deze uitspraak is vastgesteld op 27 juni 2003 door mr. Schuurman en op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier drs. Bravenboer.

(Bravenboer)

(Schuurman)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt, is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.

nummer BK-01/03725 blz. 4/4