Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AH9732

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-07-2003
Datum publicatie
11-07-2003
Zaaknummer
2200018203
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdediging heeft een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie op een vijftal gronden. Deze verweren missen (ten dele) feitelijke grondslag. Waar deze verweren evenwel op feitelijke grondslag berusten, is naar het oordeel van het hof de verdachte redelijkerwijs niet in zijn belangen geschaad, noch is er sprake geweest van een grove of doelbewust veronachtzaming van de belangen van de verdediging. Evenmin heeft het openbaar ministerie een zodanige inbreuk gemaakt op de beginselen van behoorlijke procesorde van een zo fundamenteel karakter dat dit dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid.

Verdachte wordt vrijgesproken van de hem tenlastegelegde feiten (te weten (mede)plegen van moord of doodslag en (mede)plegen van verkrachting, subsidiair medeplichtigheid aan voormelde delicten), niettegenstaande de voor zichzelf belastende verklaringen van de verdachte tegenover de politie. Zo deze verklaringen, welke belastend kunnen zijn voor de verdachte en een door hem met name genoemde medeverdachte, gelet op de psychische gesteldheid van de verdachte, al eenduidig zijn op te vatten, komen deze inhoudelijk niet overeen met de in het sectieverslag gestelde conclusies met betrekking tot de doodsoorzaak of vinden deze enige bevestiging in ander bewijsmateriaal, zoals de uitvoerige biologische sporenonderzoeken en DNA-onderzoeken of getuigenverklaringen. Evenmin kan gesteld worden dat de verdachte in de hem belastende verklaringen specifieke daderwetenschap naar voren heeft gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

rolnummer 2200018203

parketnummer 0975326701

datum uitspraak 11 juli 2003

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 1 augustus 2002 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren op [datum] te [plaats].

1 Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 7 maart 2003, 16 mei 2003 en 27 juni 2003.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie gewijzigd.

Van de dagvaarding en van de vorderingen wijziging tenlastelegging zijn kopieƫn in dit arrest gevoegd.

3 Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het tenlastegelegde vrijgesproken, met beslissing omtrent het inbeslaggenomene als vermeld in het vonnis.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4 Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

Van de zijde van de verdachte is een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging, waartoe het volgende is aangevoerd.

a. Aan de verdachte is bij de verhoren door de politie niet te allen tijde de cautie gegeven. Gelet op de persoon van de verdachte, had bij aanvang van ieder verhoor, ook indien dit verhoren betrof die volgden op eerdere verhoren op dezelfde dag, de cautie gegeven moeten worden.

b. De verdachte heeft op vele momenten - vruchteloos - aangegeven dat hij (telefonisch) contact wenste met zijn raadsman. Door niet of nauwelijks op deze verzoeken te reageren zijn de belangen van de verdachte, het recht op vrije toegang en bijstand van zijn raadsman, mede gelet op de persoon van de verdachte, op grove wijze veronachtzaamd.

c. Er is sprake van een ernstige schending van beginselen van behoorlijke procesorde, waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan, nu het openbaar ministerie zowel in eerste aanleg als in hoger beroep meerdere malen voor de verdachte ontlastende onderzoeksbevindingen onnodig lang aan de verdediging heeft onthouden en pas in een laat stadium aan het procesdossier heeft toegevoegd. Daarenboven is de verdediging vooraf niet op de hoogte gesteld van en betrokken bij de - na het vrijsprekend vonnis van de rechtbank plaatsgehad hebbende - (herhaalde) verhoren van de getuigen Van L., J., A., I. en M., dit niettegenstaande het feit dat de raadsman zich er in hoger beroep op de zittingen van 7 maart 2003 en 16 mei 2003 over heeft beklaagd dat de verdediging op die momenten verstoken bleef van essentiƫle informatie uit het opsporingsonderzoek, met name de verhoren van genoemde Van L., en het hof, hoewel het verzoek tot het verstrekken van nadere stukken dienaangaande aan de verdediging niet werd ingewilligd, het openbaar ministerie in ieder geval had opgedragen de verdediging ten spoedigste te betrekken bij het (nader) horen van (nieuwe) getuigen en op de hoogte te stellen van verdere opsporingshandelingen. Zelfs al zouden de belangen van de verdachte door een en ander niet zijn geschaad, dan nog dient het openbaar ministerie in de vervolging niet ontvankelijk te worden verklaard, aangezien in hoger beroep een inbreuk van fundamenteel karakter op de beginselen van behoorlijke procesorde is gemaakt doordat de advocaat-generaal, achteraf bezien misleidend en in strijd met de waarheid, op voormelde zittingen heeft gesteld dat er alstoen nog slechts sprake was van een pro-actief onderzoek, reden waarom volgens de advocaat-generaal de verdediging niet bij dat onderzoek was betrokken en ter zake nog geen proces-verbaal was opgemaakt.

d. Het openbaar ministerie heeft door gebruik te maken van de verklaringen van getuige De K., die door te verklaren haar beroepsgeheim als verschoningsgerechtigde heeft geschonden, een ernstige inbreuk gemaakt op het recht op privacy van de verdachte en daarmee artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geschonden.

e. Het gebruik in het huis van bewaring van de burgerinformant in de zin van artikel 126 v van het Wetboek van Strafvordering, C. van L., leverde, mede gelet op de persoon van de verdachte en van de burgerinformant, een schending op van de artikelen 6 en 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Voorts was het gebruik van dit opsporingsmiddel niet proportioneel en heeft het openbaar ministerie dit opsporingsmiddel onvoldoende zorgvuldig gehanteerd, nu Van L. in zijn handelen niet werd begeleid of begrensd. Het op deze wijze gebruik maken van een opsporingsmiddel levert een inbreuk op het beginsel van 'equality of arms' in de zin van artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden op.

Het hof overweegt daarbij als volgt.

ad a. De stelling van de raadsman mist voorzover hij heeft verwezen naar in zijn pleitnota vervatte pagina's ten dele feitelijke grondslag, aangezien de cautie bij aanvang van het merendeel van de door hem aangehaalde (voortgezette) verhoren wel is gegeven. Voorzover de cautie niet wederom aan de verdachte is gegeven, is er sprake geweest van een voortzetting van het verhoor. Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat de verdachte op dat moment -noch op enig ander moment- niet langer op de hoogte was van zijn zwijgrecht.

ad b. Het hof is van oordeel dat uit het procesdossier naar voren komt dat de politie geregeld voorafgaand aan de verhoren de (toenmalige) raadsman op de hoogte heeft gesteld van geplande verhoren (zie bijvoorbeeld pagina's 851, 1397 en 3951 van het proces-verbaal) en de verdachte met regelmaat in de gelegenheid is geweest (telefonisch) contact te hebben met zijn raadsman (zie bijvoorbeeld pagina's 1746 en 4097). Anders dan de raadsman stelt, ligt in wet noch jurisprudentie besloten dat het recht op vrije toegang van een raadsman voor de verdachte een onbeperkt recht inhoudt tijdens een verhoor op ieder moment contact te hebben met zijn raadsman. Het hof merkt hier voorts bij op dat voor de effectuering van het recht van een raadsman om aanwezig te zijn bij een verhoor de raadsman die in een vroeg stadium aan de verdachte was toegevoegd, zich actief had dienen op te stellen (zie de uitspraken van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, d.d. 24 november 1993, NJ 1994/459 en de Hoge Raad der Nederlanden, d.d. 13 mei 1997, NJ 1998/152). Zo, achteraf bezien in de ogen van de huidige raadsman, de vorige raadsman daarin tekort is geschoten kan het openbaar ministerie daarvoor niet verantwoordelijk worden gehouden.

Op grond van het vorenoverwogene is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden dat er sprake is geweest van een grove veronachtzaming van de belangen van de verdediging, dan wel dat er is gehandeld in strijd met artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

ad c. De rechtbank heeft in haar vonnis van 1 augustus 2002 als volgt overwogen:

De omstandigheid dat bepaald ontlastend bewijsmateriaal pas in een zeer laat stadium aan de verdediging is verstrekt, kan niet worden beschouwd als een omstandigheid waardoor de verdediging in haar belangen is geschaad. De rechtbank is weliswaar met de raadsman van oordeel dat evenbedoeld bewijsmateriaal eerst in een laat stadium aan de verdediging is verstrekt, doch zij is voorts van oordeel dat de toevoeging van dat bewijsmateriaal aan de processtukken niet pas in een zodanig laat stadium heeft plaatsgevonden dat daarmee een niet meer te herstellen inbreuk op de rechten van de verdediging is gemaakt. De stelling van de verdediging dat de officier van justitie daarbij willens en wetens gedurende lange tijd dat ontlastend materiaal aan de verdediging heeft onthouden acht de rechtbank voorts niet aannemelijk.

Het hof neemt de overweging van de rechtbank voor zover betrekking hebbende op het onderzoek in eerste aanleg over. Met betrekking tot het onderzoek in hoger beroep overweegt het hof als volgt.

Het hof stelt voorop dat geenszins aannemelijk is geworden dat de verdediging en de rechter in hoger beroep door het openbaar ministerie zijn misleid. Met de stelling, dat slechts sprake was van een "pro-actief" onderzoek, heeft de advocaat-generaal blijkens het verhandelde ter terechtzitting van 16 mei 2003 slechts beoogd aan te geven dat het op dat moment lopende onderzoek zich niet concentreerde op de verdachte, doch op (een) ander(e) perso(o)n(en) die mogelijkerwijze bij de verkrachting van en moord dan wel doodslag op M. de G. was/waren betrokken, (een) perso(o)n(en) van wie de na(a)m(en) met het oog op het onderzoeksbelang op dat moment nog niet kon(den) worden prijsgegeven. Uit de nadien ter zake aan het procesdossier toegevoegde stukken blijkt dat deze mededeling van de advocaat-generaal niet bezijden de waarheid is geweest.

Waar het de na het vrijsprekend vonnis van de rechtbank plaatsgehad hebbende verhoren van de in het verweer bedoelde getuigen betreft, behoeven de in dat kader door de raadsman aangevoerde stellingen deze nuancering, dat het hof ter terechtzitting van 16 mei 2003 heeft aangegeven dat het aan het openbaar ministerie was om te bepalen op welk concreet moment de raadsman bij nadere getuigenverhoren betrokken diende te worden, waarbij het hof, zo dat noodzakelijk mocht blijken, de daarbij door het openbaar ministerie gevolgde handelwijze achteraf zou beoordelen. Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat nog opsporingsonderzoek - waaronder het horen van getuigen door de politie buiten aanwezigheid van de raadsman van de verdachte - wordt verricht in een zaak die reeds in appel aanhangig is. Uit de beginselen van behoorlijke procesorde en uit het bepaalde in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden kan evenwel voortvloeien dat het openbaar ministerie onder omstandigheden verplicht is de verdediging in de gelegenheid te stellen bij dergelijke verhoren aanwezig te zijn. Die omstandigheden hebben zich ten dezen evenwel niet voorgedaan, nu de betreffende verhoren zich hebben geconcentreerd op de mogelijke betrokkenheid van een ander dan de verdachte bij de verkrachting van en moord dan wel doodslag op M. de G. en de door de betreffende getuigen afgelegde verklaringen ook overigens geen (nieuwe) voor de verdachte belastende informatie hebben opgeleverd. Het openbaar ministerie, de belangen van strafvordering ten dezen afwegend tegen de belangen van de verdachte, heeft daarom in redelijkheid kunnen besluiten de litigieuze verhoren te laten plaatsvinden zonder de raadsman de gelegenheid te bieden bij die verhoren aanwezig te zijn. De getuige Van L. is daarenboven nog ter terechtzitting van 27 juni 2003 in hoger beroep gehoord. Voor het overige is het hof van oordeel dat, voor zover in hoger beroep bepaalde ontlastende onderzoeksbevindingen al in een laat stadium aan het procesdossier zijn toegevoegd, niet aannemelijk is geworden dat daarbij het openbaar ministerie de intentie heeft gehad de belangen van de verdachte te frustreren, terwijl ook de conclusie, dat die belangen door de gewraakte handelwijze van het openbaar ministerie grovelijk zijn veronachtzaamd, niet gewettigd is.

ad d. De verschoningsgerechtigde is, zo al de getuige De K. een verschoningsgerechtigde is, niet verplicht om van dit recht gebruik te maken. De Hoge Raad heeft bepaald dat de verschoningsgerechtigde een eigen afweging van belangen moet verrichten (HR 1 maart 1985, NJ 1986, 173 ). Het hof is van oordeel dat, mede gelet op het opsporingsbelang en de omstandigheid dat de getuige De K. zonder enige bemoeienis van de zijde van het openbaar ministerie of de politie met haar verklaring naar voren is getreden, niet gesteld kan worden dat er door het gebruikmaken van die verklaring door het openbaar ministerie sprake is van een schending van artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden of een zodanige inbreuk op de beginselen van behoorlijke procesorde dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging.

ad e. In navolging van de rechtbank is het hof van oordeel dat het door de officier van justitie inzetten van het opsporingsmiddel van de burgerinformant onder de gegeven omstandigheden geen inbreuk op de artikelen 6 en 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden oplevert, aangezien dit is gebeurd op grond van en overeenkomstig artikel 126 v van het Wetboek van Strafvordering en derhalve is gebaseerd op een wettelijke regeling. Tevens kan het inzetten van dit middel in onze democratische samenleving noodzakelijk en proportioneel geacht worden in het belang van de openbare veiligheid. De stelling voorts, dat de officier van justitie heeft nagelaten om grenzen te stellen aan het handelen van de burgerinformant mist feitelijke grondslag nu deze grenzen - overeenkomstig de eisen die artikel 126 v van het Wetboek van Strafvordering daartoe stelt - in de tussen de informant en het openbaar ministerie aangegane en ondertekende overeenkomst afzonderlijk zijn aangegeven. Ook overigens acht het hof niet aannemelijk geworden dat het opsporingsmiddel op onzorgvuldige wijze is gehanteerd.

Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat de in de verweren besloten liggende stellingen, noch ieder op zich, noch in onderling verband en samenhang beschouwd, dienen te leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging en het hof deze verweren mitsdien verwerpt.

5 Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

6 Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

De betrokkenheid van de verdachte bij de dood van M. de G. zou uitsluitend kunnen volgen uit zijn eigen verklaringen, afgelegd ten overstaan van politieambtenaren, medegedetineerden of zijn familie. De verklaringen van de verdachte over die betrokkenheid - en overigens ook over die van de door hem genoemde andere persoon - voor zover deze al eenduidig zijn op te vatten, komen niet overeen met de bevindingen van de patholoog dr. R. Visser, neergelegd in het sectieverslag van het Nederlands Forensisch Instituut (d.d. 5 november 2001). Waar immers de verdachte op enig moment heeft verklaard dat hij of een door hem met name genoemde andere persoon met een steen tegen het hoofd van het slachtoffer heeft geslagen of een steen heeft gegooid, stemmen deze verklaringen inhoudelijk niet overeen met de in voormeld rapport genoemde doodsoorzaak van het slachtoffer M. de G..

Weliswaar valt op basis van dat rapport, in samenhang met de door de patholoog tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring, niet uit te sluiten dat een aantal geconstateerde letsels is veroorzaakt door het slaan met een hard voorwerp, bijvoorbeeld een steen, maar uit de conclusie van dat rapport blijkt dat niet die letsels de dood van M. de G. hebben veroorzaakt, maar dat de doodsoorzaak verstikking als gevolg van samendrukkend geweld ter plaatse van de hals is. Het feit dat de verklaringen van de verdachte niet overeenstemmen met de bevindingen van de patholoog klemt des te meer nu niet aannemelijk is geworden dat de aanwezigheid van een steen op de plaats delict specifieke daderwetenschap was.

Ook in (het ontbreken van) ander bewijsmateriaal ten laste van de verdachte of de door hem met name genoemde andere persoon, zoals voldoende betrouwbare getuigen omtrent de aanwezigheid van de verdachte of die andere persoon op de plaats van het delict en in hetgeen naar voren is gekomen uit het uitvoerige biologische sporenonderzoek / DNA-onderzoek, vindt het hof geen enkele ondersteuning om betrokkenheid van de verdachte bij de hem tenlastegelegde feiten aan te nemen, noch waar het betreft het onder 1 primair, 1 subsidiair, 1 meer subsidiair en 1 meest subsidiair tenlastegelegde, noch waar het betreft het onder 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde.

Gelet op het vorenoverwogene dient de verdachte derhalve hiervan worden vrijgesproken.

7 Beslag

Ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zoals deze voorkomen op de in kopie aan dit arrest gehechte samenvattende beslaglijst, te weten de voorwerpen onder nummer 1 en 2 van pagina 1993, zal het hof de teruggave gelasten aan de [naam rechthebbende].

Ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zoals deze voorkomen op de in kopie aan dit arrest gehechte samenvattende beslaglijst, te weten de voorwerpen onder nummer 3 en 4 van pagina 1993, zal het hof de teruggave gelasten aan de [naam rechthebbende].

Ten aanzien van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp zoals dit voorkomt op de in kopie aan dit arrest gehechte samenvattende beslaglijst, te weten het voorwerpen onder nummer 1 van pagina 2033, zal het hof de teruggave gelasten aan [naam rechthebbende].

Ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zoals deze voorkomen op de in kopie aan dit arrest gehechte samenvattende beslaglijst, te weten de voorwerpen onder nummer 49 en 50 van pagina 2018, 2 en 3 van pagina 2000, 1 van pagina 2003 en 1 van pagina 1996, zal het hof de teruggave gelasten aan de ouders van [naam rechthebbende].

Ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zoals deze voorkomen op de in kopie aan dit arrest gehechte samenvattende beslaglijst, te weten de voorwerpen onder nummer 1 en 2 van pagina 2046 en 1 tot en met 8 van pagina's 2053 en 2054, zal het hof de teruggave gelasten aan de verdachte.

Ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zoals deze voorkomen op de in kopie aan dit arrest gehechte samenvattende beslaglijst, te weten de voorwerpen onder nummer 1 van pagina 2042, zal het hof de teruggave gelasten aan [naam rechthebbende].

Ten aanzien van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp zoals dit voorkomt op de in kopie aan dit arrest gehechte samenvattende beslaglijst, te weten het voorwerp onder nummer 2 van pagina 2042, zal het hof de teruggave gelasten aan [naam rechthebbende].

Ten aanzien van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp zoals dit voorkomt op de in kopie aan dit arrest gehechte samenvattende beslaglijst, te weten het voorwerp onder nummer 3 van pagina 2043, zal het hof de teruggave gelasten aan [naam rechthebbende].

Ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zoals deze voorkomen op de in kopie aan dit arrest gehechte samenvattende beslaglijst, te weten de voorwerpen onder nummer 4 van pagina 2043 zal het hof de teruggave gelasten aan het [naam rechthebbende].

Ten aanzien van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp zoals dit voorkomt op de in kopie aan dit arrest gehechte samenvattende beslaglijst, te weten het voorwerp onder nummer 5 van pagina 2043, zal het hof de teruggave gelasten aan [naam rechthebbende].

Ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zoals deze voorkomen op de in kopie aan dit arrest gehechte samenvattende beslaglijst, te weten de voorwerpen onder nummer 6 van pagina 2043, zal het hof de teruggave gelasten aan [naam rechthebbende].

Ten aanzien van de overige inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zoals deze voorkomen op de in kopie aan dit arrest samenvattende gehechte beslaglijst, te weten de voorwerpen onder nummer 1 tot en met 5 van pagina's 2037 en 2038, zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten nu niet kan worden vastgesteld aan wie deze voorwerpen toebehoren.

Het hof merkt overigens op dat de beslissingen ter zake van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, niet betreffende voorwerpen van de verdachte, mogelijkerwijs uitstel van executie behoeven, gelet op het nog lopende politieonderzoek inzake onderhavig feitencomplex.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Wijst af de vordering van het openbaar ministerie ex artikel 65 van het Wetboek van Strafvordering.

Gelast de teruggave van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zoals deze voorkomen op de in kopie aan dit arrest gehechte samenvattende beslaglijst, te weten de voorwerpen onder nummer 1 en 2 van pagina 1993, aan de [naam rechthebbende].

Gelast de teruggave van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zoals deze voorkomen op de in kopie aan dit arrest gehechte samenvattende beslaglijst, te weten de voorwerpen onder nummer 3 en 4 van pagina 1993, aan de [naam rechthebbende].

Gelast de teruggave van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp zoals dit voorkomt op de in kopie aan dit arrest gehechte samenvattende beslaglijst, te weten het voorwerpen onder nummer 1 van pagina 2033, aan [naam rechthebbende].

Gelast de teruggave van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zoals deze voorkomen op de in kopie aan dit arrest gehechte samenvattende beslaglijst, te weten de voorwerpen onder nummer 49 en 50 van pagina 2018, 2 en 3 van pagina 2000, 1 van pagina 2003 en 1 van pagina 1996, aan de ouders van M. de G..

Gelast de teruggave van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zoals deze voorkomen op de in kopie aan dit arrest gehechte samenvattende beslaglijst, te weten de voorwerpen onder nummer 1 en 2 van pagina 2046 en 1 tot en met 8 van pagina's 2053 en 2054, aan de verdachte.

Gelast de teruggave van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zoals deze voorkomen op de in kopie aan dit arrest gehechte samenvattende beslaglijst, te weten de voorwerpen onder nummer 1 van pagina 2042, aan [naam rechthebbende].

Gelast de teruggave van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp zoals dit voorkomt op de in kopie aan dit arrest gehechte samenvattende beslaglijst, te weten het voorwerp onder nummer 2 van pagina 2042, aan [naam rechthebbende].

Gelast de teruggave van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp zoals dit voorkomt op de in kopie aan dit arrest gehechte samenvattende beslaglijst, te weten het voorwerp onder nummer 3 van pagina 2043, aan [naam rechthebbende].

Gelast de teruggave van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zoals deze voorkomen op de in kopie aan dit arrest gehechte samenvattende beslaglijst, te weten de voorwerpen onder nummer 4 van pagina 2043, aan [naam rechthebbende].

Gelast de teruggave van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp zoals dit voorkomt op de in kopie aan dit arrest gehechte samenvattende beslaglijst, te weten het voorwerp onder nummer 5 van pagina 2043, aan [naam rechthebbende].

Gelast de teruggave van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zoals deze voorkomen op de in kopie aan dit arrest gehechte samenvattende beslaglijst, te weten de voorwerpen onder nummer 6 van pagina 2043, zal het hof de teruggave gelasten aan [naam rechthebbende].

Gelast de bewaring van de overige inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zoals deze voorkomen op de in kopie aan dit arrest samenvattende gehechte beslaglijst, te weten de voorwerpen onder nummer 1 tot en met 5 van pagina's 2037 en 2038, ten behoeve van de rechthebbende.

Dit arrest is gewezen door mrs B.A. Stoker-Klein, L.A.J.M. van Dijk en

M.L.A. Filippini, in bijzijn van de griffier mr M. van Kuilenburg.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 11 juli 2003.