Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AH9666

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-06-2003
Datum publicatie
10-07-2003
Zaaknummer
BK-02/03539
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen toepassing tariefgroep 5 (aanvullende alleenstaande-oudertoeslag) voor de inkomstenbelasting (jaar 2000).

De Inspecteur verklaarde belanghebbende ten onrechte niet-ontvankelijk in het bezwaar. In zoverre is het beroep gegrond.

Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij een van haar kinderen in belangrijke mate heeft onderhouden. Reeds hierom heeft zij geen recht op toepassing van tariefgroep 5.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

zevende enkelvoudige belastingkamer

11 juni 2003

nummer BK-02/03539

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak op het beroep van mevrouw X te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Particulieren Y van de Belastingdienst, op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan haar opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2000.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 28 mei 2003, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn verschenen belanghebbende, tot haar bijstand vergezeld van P en Q, alsmede namens de Inspecteur R.

Beslissing

Het Gerechtshof

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep,

- verklaart belanghebbende alsnog ontvankelijk in het bezwaar,

- wijst het bezwaar af,

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het beroep aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 16,50, en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden,

- gelast die rechtspersoon het gestorte griffierecht van € 29 aan belanghebbende te vergoeden.

Gronden

1. Het aanslagbiljet waaruit van de onderwerpelijke aanslag blijkt, is gedagtekend op 13 december 2001. Het bezwaarschrift tegen die aanslag is gedagtekend op 23 januari 2002. Dit is binnen zes weken na de dagtekening van het aanslagbiljet. Belanghebbende heeft het bezwaarschrift ter post bezorgd. Het is op 29 januari 2002, dat wil zeggen binnen zeven weken na de dagtekening van het aanslagbiljet, door de Inspecteur ontvangen. De Inspecteur heeft de desbetreffende enveloppe niet bewaard.

2. De vorenvermelde feiten laten de mogelijkheid open dat het bezwaarschrift binnen zes weken na de dagtekening van het aanslagbiljet ter post is bezorgd. Mitsdien kan niet worden vastgesteld dat dat later is gebeurd. Zoals de Inspecteur terecht heeft gesteld, moet het er dan voor worden gehouden dat belanghebbende tijdig in bezwaar is gekomen. Mitsdien is belanghebbende bij de bestreden uitspraak ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in het bezwaar. Die uitspraak kan dan ook niet in stand blijven. In zoverre slaagt het beroep.

3. De onder de punten 1 tot en met 5 van het verweerschrift van de Inspecteur genoemde feiten zijn door belanghebbende niet of onvoldoende betwist. Daarom merkt het Hof die feiten als vaststaand aan.

4. In geschil is of belanghebbende recht heeft op de aanvullende alleenstaande-ouderaftrek. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend; de Inspecteur ontkennend.

5. Artikel 55, vijfde en zesde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 luidt, voor zover thans van belang:

" 5. De in Nederland wonende belastingplichtige geniet de alleenstaande-ouderaftrek indien hij, ongehuwd zijnde, in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden een huishouding heeft gevoerd met een kind of pleegkind dat in belangrijke mate door hem is onderhouden, en hij deze huishouding gedurende die tijd heeft gevoerd met geen ander dan kinderen of pleegkinderen die bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 27 jaar niet hebben bereikt. (...).

6. De belastingplichtige als bedoeld in het vijfde lid geniet de aanvullende alleenstaande-ouderaftrek ingeval hij werkzaamheden buiten zijn huishouden heeft verricht en in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden tot zijn huishouden een kind heeft behoord dat bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 12 jaar niet heeft bereikt."

6. Artikel 2 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 luidt, voor zover thans van belang:

" Voor de toepassing van de artikelen (...) 55, vijfde lid (...) van de wet (...) wordt een kind geacht in belangrijke mate op kosten van de ouder te worden onderhouden indien de ouder voor het kind recht heeft op kinderbijslag ingevolge de Algemene kinderbijslagwet, dan wel indien de op de ouder drukkende bijdrage in de kosten van het onderhoud van het kind ten minste ƒ 56 per week beloopt."

7. Uit deze bepalingen vloeit voort dat, voor zover thans van belang, voor het recht op de (aanvullende) alleenstaande-ouderaftrek moet zijn voldaan aan twee voorwaarden, namelijk:

- dat belanghebbende met ten minste één kind een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd, en

- dat dat kind in belangrijke mate door haar is onderhouden.

De Inspecteur heeft gemotiveerd gesteld dat noch aan de eerste, noch aan de tweede genoemde voorwaarde is voldaan.

8. Wat betreft de als tweede genoemde voorwaarde, die er in het onderhavige geval op neerkomt dat in het jaar 2000 ten minste één van de kinderen van belanghebbende door haar in belangrijke mate is onderhouden, rust op belanghebbende de last daartoe voldoende feiten te stellen en deze - voor zover door de Inspecteur betwist - aannemelijk te maken.

9. Belanghebbende heeft niet gesteld, en het blijkt ook niet uit de stukken van het geding, dat zij voor ten minste twee kwartalen in het jaar 2000 recht had op kinderbijslag ingevolge de Algemene kinderbijslagwet. Te dezen moet er dan van worden uitgegaan dat zulks niet het geval is.

10. De Inspecteur heeft gemotiveerd betwist dat belanghebbende één van haar kinderen in het jaar 2000 in belangrijke mate heeft onderhouden in de zin dat de op haar drukkende bijdrage in het levensonderhoud van dat kind ten minste ƒ 56 per week heeft belopen.

11. Hiertegenover heeft belanghebbende ter zitting aangevoerd dat zij voor haar kinderen schoeisel en kleding heeft gekocht, dat zij het zwemmen van de kinderen heeft bekostigd en dat zij hen van school heeft opgehaald als de ex-echtgenoot het in dit opzicht liet afweten. Alleen al aan voeding en kleding heeft zij, naar zij stelt, voor de kinderen per week een bedrag van ƒ 214,75 uitgegeven.

12. Belanghebbende heeft voor haar stellingen, die de Inspecteur heeft betwist, geen bewijs geleverd. Mitsdien moet worden geoordeeld dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de op haar drukkende bijdrage in het levensonderhoud van ten minste één van haar kinderen in het jaar 2000 ten minste ƒ 56 per week heeft belopen.

13. Het vorenoverwogene betekent dat aan één van de onder 7 genoemde voorwaarden niet is voldaan, zodat dat geoordeeld moet worden dat de Inspecteur belanghebbende terecht heeft ingedeeld in tariefgroep 2 en dat het beroep in zoverre faalt.

14. De vraag of is voldaan aan de andere onder 7 genoemde voorwaarde behoeft gelet op het vorenstaande geen beantwoording meer.

15. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 16,50 aan reiskosten in verband met het bijwonen van de zitting. Van andere kosten in de zin van voormeld artikel is niet gesteld of gebleken dat belanghebbende die heeft gemaakt.

Voorts dient het voor deze zaak gestorte griffierecht aan belanghebbende te worden vergoed.

Deze uitspraak is vastgesteld op 11 juni 2003 door mr. Schuurman en op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mr. Otto.

(Otto) (Schuurman)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt, is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.