Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AH6675

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-05-2003
Datum publicatie
23-06-2003
Zaaknummer
00/02318
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Groot scala aan ziektekosten in aftrek toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 1128
FutD 2003-1177 met annotatie van Fiscaal up to Date

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

achtste enkelvoudige belastingkamer

6 mei 2003

nummer BK-00/02318

UITSPRAAK

op het beroep van [X] te [Z] tegen de uitspraak van de Inspec-teur, het hoofd van de eenheid Particulieren/Ondernemingen [P] van de Belastingdienst (thans: de voorzitter van het manage-mentteam van de Belastingdienst [P-1], kantoor [P]) op het be-zwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 1996.

1. Aanslag en bezwaar

1.1 Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 29.867.

1.2 De tegen deze aanslag gerichte bezwaren van belanghebbende zijn bij de bestreden uitspraak afgewezen.

2. Loop van het geding

2.1 Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van ƒ 60 (€ 27,23). De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2 Belanghebbende heeft vervolgens een conclusie van repliek ingediend, waarop de Inspecteur heeft gereageerd met een conclusie van dupliek.

2.3 De eerste mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 9 april 2002, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen.Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2.4 Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft het Hof het onderzoek ter zitting geschorst en heeft vervolgens tussen het Hof en partijen een briefwisseling plaatsgevonden.

Een nadere zitting van het Gerechtshof heeft plaatsgehad op 20 november 2002, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

3. Vaststaande feiten

3.1 Belanghebbende was in het onderhavige jaar werkzaam als medewerker bij [W]. Hij genoot een inkomen van ƒ 66.100, waar-op een bedrag van ƒ 13.595 als loonheffing is ingehouden. Zijn echtgenote genoot een uitkering van het GAK van ƒ 22.334, waarop als loonheffing is ingehouden ƒ 5.502.

3.2 Belanghebbende heeft aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen van ƒ 10.780. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur een aantal correcties op het aangegeven inkomen aangebracht en het belastbare inkomen vastgesteld op ƒ 29.867.

3.3 De onderwerpen van geschil zijn uiteindelijk nog de vol-gende:

a. uitgaven voor opleiding echtgenote ad ƒ 6.570;

b. ziektekosten echtgenote (eigen bijdrage geneesmidde-len) ad ƒ 1.824;

c. kosten reactiveringszwemmen ad ƒ 853;

d. kosten huishoudelijke hulp ad ƒ 13.965;

e. bezoekkosten zoon ad ƒ 1.708.

De posten c. en d. waren niet in de aangifte opgevoerd.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1 Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de Inspecteur terecht heeft geweigerd de in 3.3 vermelde uitgaven in mindering op het inkomen toe te laten, welke vraag door belanghebbende ontkennend en door de Inspecteur bevestigend wordt beantwoord.

4.2 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen in de stukken zijn aangevoerd. Partijen heb-ben hun standpunten ter zitting toegelicht, doch aldaar aan de door hen in de gedingstukken gegeven uiteenzettingen geen grieven of weren toegevoegd.

5. Conclusies van partijen

Het beroep van belanghebbende strekt, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak en vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen, berekend met inachtneming van de in 3.3 vermelde posten, terwijl de Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

6. Overwegingen omtrent het geschil

Met betrekking tot de buitengewone lasten: algemeen

6.1 De Inspecteur heeft aan de correcties met betrekking tot de buitengewone lasten in zijn algemeenheid ten grondslag ge-legd dat uit een vermogensvergelijking blijkt dat belangheb-bende deze uitgaven niet kan hebben gedaan. Belanghebbende heeft de door de Inspecteur gemaakte vermogensvergelijking ge-motiveerd bestreden en daarbij aangevoerd dat in deze bereke-ningen enige dubbeltellingen voorkomen. Voorts heeft belang-hebbende onder overlegging van bankafschriften aangevoerd dat spaartegoeden zijn aangesproken en heeft hij gesteld dat hij in het onderhavige jaar enig antiek speelgoed heeft verkocht, zulks met vermelding van de namen van de, in het buitenland wonende, kopers. Het Hof heeft onvoldoende aanleiding deze verklaringen van belanghebbende niet geloofwaardig te achten, zodat het Hof uitgaat van de juistheid van belanghebbendes stelling dat de het genoten inkomen en aanwezige vermogen vol-doende zijn geweest onderhavige uitgaven te kunnen doen.

Met betrekking tot de uitgaven voor opleiding echtgenote

6.2 In het onderhavige geval heeft belanghebbendes echtgenote een opleiding voor zorgassistent gevolgd. Zij heeft in dat ka-der stage gelopen bij het verpleeghuis [S]. De opleiding heeft zij op 2 juli 1997 afgerond met het diploma "zorgassistent" van de Stichting OVDB Landelijk Orgaan van het Beroepsonder-wijs Gezondheidszorg, Dienstverlening, Welzijn en Sport. Voor-namelijk als gevolg van een whiplash die een gevolg was van een ongeval dat haar in juni 1995 was overkomen, is zij na het behalen van het diploma niet beroepsmatig werkzaam geweest. De daarmee in verband staande fysieke (en mogelijk ook psychi-sche) toestand van de echtgenote brengt niet mee dat zij niet in redelijkheid kon verwachten de verworven kennis na het vol-tooien van de opleiding productief te maken en aldus haar maatschappelijke positie te verbeteren. Daaraan doet niet af dat de whiplash is ontstaan voordat het diploma is behaald. De Inspecteur heeft de betaling van de onderwerpelijke bedragen niet bestreden. Het Hof laat derhalve ter zake van deze uitga-ven een bedrag van ƒ 5.770 (ƒ 6.570 minus drempel ad ƒ 800) in aftrek toe.

Met betrekking tot de uitgaven voor ziekte echtgenote

6.3 Belanghebbende heeft verklaringen van medici overgelegd waarin deze verklaren dat zijn echtgenote aan diverse kwalen leed. Hierin wordt tevens verklaard dat aan de echtgenote op medische gronden was geadviseerd om vezelrijk voedsel te ge-bruiken. Hierbij heeft de arts vezeltabletten aangeduid als geneesmiddel. Het Hof acht aannemelijk dat het gebruik van de-ze tabletten heeft plaatsgevonden onder verantwoordelijkheid van de betrokken arts, nu de echtgenote onder voortdurende me-dische controle stond. Hetzelfde geldt voor het door de echt-genote gebruikte geneesmiddel priorin. De Inspecteur heeft ge-steld dat deze middelen vrij verkrijgbaar zijn, hetgeen het Hof begrijpt als dat deze niet (uitsluitend) op recept kunnen worden verkregen. Dit staat er echter niet aan in de weg dat deze middelen onder de buitengewone lasten kunnen worden gere-kend. Ook is de enkele stelling van de Inspecteur dat de mid-delen ook voor andere doeleinden dan therapie worden gebruikt, gelet op de door de arts gegeven kwalificatie van geneesmid-del, niet voldoende om tot een ander oordeel te komen. Dit is anders voor de door de echtgenote gebruikte vitamines, waarvan van algemene bekendheid is dat zij ook voor andere doeleinden dan therapie worden aangewend. Het Hof komt derhalve tot de slotsom dat de uitgaven voor de vezeltabletten en priorin wel en die voor vitamines niet kunnen worden aangemerkt als uitga-ven ter zake van ziekte. Het Hof zal, anders dan de Inspecteur heeft gesteld, niet kunnen treden in de vraag of de door art-sen geconstateerde fibromyalgie al dan niet een ziekte is. Het Hof stelt het deel van de door belanghebbende opgevoerde ziek-tekosten dat betrekking heeft op vitamines vast op ƒ 300. Ter zake van de kosten van het lidmaatschap van een kruisvereni-ging heeft de Inspecteur een correctie aangebracht van ƒ 20, stellende dat belanghebbende het door hem opgevoerde bedrag niet heeft aangetoond. Belanghebbende heeft evenwel een af-schrift van de Postbank overgelegd, waaruit de betaling tot dat bedrag blijkt. Per saldo komt derhalve in mindering ter zake van deze uitgaven een bedrag van ƒ 1.524.

Met betrekking tot de uitgaven voor reactiveringszwemmen

6.4 Belanghebbende heeft een verklaring van een reumatoloog overgelegd waarin deze verklaart in het onderhavige jaar be-langhebbendes echtgenote reactiveringszwemmen te hebben gead-viseerd. Ook is een in hoofdzaak overeenkomstige verklaring van de afdeling Reumatologie van het Medisch Centrum [U] over-gelegd waarin wordt gesteld dat zij daartoe is verwezen naar de [A-] Groep (thuiszorg). Voorts is een verklaring overgelegd van een docent reactiveringszwemmen, waaruit blijkt dat dit zwemmen onder begeleiding geschiedt. Gelet op het feit dat me-disch specialisten de echtgenote naar deze docent hebben ver-wezen en deze zorg draagt voor de begeleiding, acht het Hof deze verklaringen voldoende om de betreffende uitgaven als uitgaven ter zake van ziekte aan te merken. Weliswaar zijn de-ze verklaringen opgesteld in een later jaar dan het belasting-jaar waar het onderhavige geschil betrekking op heeft, maar het Hof acht dit geen beletsel deze verklaringen geloofwaardig te achten. De Inspecteur heeft tenslotte in het verweerschrift de betaling bestreden. Bij conclusie van repliek heeft belang-hebbende twee afschriften van de Postbank overgelegd, waaruit van een betaling blijkt in mei en december 1996 van totaal ƒ 210. Tot dit bedrag acht het Hof het gedaan zijn van de uitga-ven aangetoond.

Met betrekking tot de uitgaven voor huishoudelijke hulp

6.5.1 Uitgaven voor extra huishoudelijke hulp kunnen slechts in mindering op het inkomen worden gebracht, indien en voor zover de betreffende uitgaven een gevolg zijn van ziekte en hoger zijn dan zonder die ziekte in een gezin als dat van be-langhebbende, rekening houdende met diens financiële omstan-digheden, normaal zouden zijn geweest.

6.5.2 Belanghebbende heeft een verklaring overgelegd van een zenuwarts waarin deze verklaart dat de echtgenote altijd huis-houdelijke hulp op indicatie heeft gekregen (in 1996 12½ uur en ten tijde van het opstellen van de verklaring 15 uur) en dat zij die hulp ook ten stelligste nodig had. Blijkens deze verklaring bestaat daartoe een medische indicatie. De stelling van de Inspecteur dat de echtgenote is staat moet zijn geweest huishoudelijke taken te verrichten, nu zij stage heeft kunnen lopen als zorgassistent, komt het Hof in dit licht als onjuist voor. Ook acht het Hof door belanghebbende aannemelijk gemaakt dat laatstbedoelde werkzaamheden in fysiek opzicht licht wa-ren.

6.5.2 Met betrekking tot de vraag in hoeverre de door belang-hebbende gedane uitgaven buitengewoon zijn, overweegt het Hof als volgt. Uit de door belanghebbende overgelegde kwitanties blijkt dat drie personen de huishoudelijke werkzaamheden heb-ben verricht. Een van hen was een inwonende dochter, geboren in 1980. Het Hof acht de door haar verrichte werkzaamheden in de familiesfeer liggen, gelet op het aantal door haar gewerkte uren van 490 en het feit dat ook andere personen deze taken vervulden. De uitgaven voor deze derden verrichte werkzaamhe-den, totaal belopende ƒ 7.350, kunnen naar het oordeel van het Hof wel worden aanvaard. Het Hof acht door belanghebbende aan-nemelijk gemaakt dat hijzelf en de inwonende zoon niet in de gelegenheid waren deze werkzaamheden te verrichten. Voor het overige heeft de Inspecteur geen feiten en omstandigheden ge-steld op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de on-derhavige uitgaven naar objectieve maatstaven gemeten niet als buitengewoon zouden moeten beschouwd. Het Hof gaat er derhalve vanuit dat zulke overige feiten en omstandigheden, nu deze ook niet overigens uit de gedingstukken blijken, niet aanwezig wa-ren.

Met betrekking tot de uitgaven voor bezoek zoon

6.6 De Inspecteur heeft in de na de eerste zitting gevoerde briefwisseling gesteld dat het aantal kilometers dat door be-langhebbende is geclaimd voor bezoek van zijn gehandicapte zoon hoger is dan het totaal aantal in het onderhavige jaar gereden kilometers. Nu belanghebbende dat onvoldoende heeft weerlegd en ook overigens niet aannemelijk maakt dat deswege sprake is van reiskosten, kunnen de betreffende reiskosten niet in mindering op het inkomen komen.

Met betrekking tot interne compensatie

6.7 De Inspecteur doet tot een bedrag van ƒ 245 beroep op in-terne compensatie in verband met een, naar hij stelt, door be-langhebbende in aftrek gebracht bedrag van ƒ 298 voor kosten huisapotheek en ƒ 97 voor kosten autoverbandtas. Hiertegenover heeft belanghebbende gewezen op een brief van de Inspecteur van 31 juli 2000 (ten onrechte noemt belanghebbende als datum 4 november 1999), waaruit blijkt dat ter zake niet in totaal ƒ 342 in aftrek is toegelaten, maar slechts een bedrag van ƒ 50. Op grond hiervan ziet het Hof geen aanleiding tot inter-ne compensatie.

Met betrekking tot overige grieven

6.8 Hetgeen belanghebbende voor het overige heeft aangevoerd, zoals met betrekking tot gelijke behandeling en gestelde dis-criminerende behandeling door de Inspecteur, kan niet tot een verdere verlaging van het belastbare inkomen leiden.

Slotsom

6.9 Op grond van vorenstaande kan als uitgaven ter zake van opleiding in mindering worden gebracht een bedrag van ƒ 5.770 en als uitgaven ter zake van ziekte een bedrag van in totaal ƒ 9.084 (ƒ 1.524 voor geneesmiddelen plus ƒ 210 voor reactive-ringszwemmen plus ƒ 7.350 voor extra huishoudelijke hulp.)

Het belastbare inkomen dient derhalve te worden vastgesteld op ƒ 29.867 minus ƒ 14.854 is ƒ 15.013 (€ 6.812).

7. Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op

€ 1.690,50 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (3,5 punt wegens proceshandelingen à € 322 maal factor 1,5 wegens gewicht van de zaak) vermeerderd met € 18 wegens reiskosten, derhalve totaal € 1.708,50. Voor een hogere vergoeding ziet het Hof geen aanleiding.

8. Beslissing

Het Gerechtshof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

- vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 15.013;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het beroep, aan de zijde van belanghebbende gevallen en vastgesteld op € 1.708,50, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden], en

- gelast die rechtspersoon het voor deze zaak gestorte griffierecht van ƒ 60 (€ 27,23) aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld op 6 mei 2003 door mr. Savelbergh. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Antonis.

(Antonis) (Savelbergh)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uit-spraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daar-bij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.