Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AG4935

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-05-2003
Datum publicatie
19-06-2003
Zaaknummer
BK-02866
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WOZ; ontvankelijkheid bezwaar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

twaalfde enkelvoudige belastingkamer

23 mei 2003

nummer BK-02/02866

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak op het beroep van [X] te [Z] tegen de uitspraak van de ambtenaar, belast met de heffing van gemeentelijke belastingen van de gemeente Schiedam (hierna: de Inspecteur), op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de beschikking, genomen op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet) betreffende de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [a-straat 1] te [Z].

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 15 mei 2003, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn verschenen belanghebbende alsmede drs. [A] en [B] namens de Inspecteur. Van de zijde van belanghebbende is niemand ter zitting verschenen.

Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Gronden

1. Het afschrift van de onderhavige WOZ-beschikking is gedag-tekend 19 maart 2001. Vaststaat dat het op 3 mei 2001 gedagtekende bezwaarschrift op 4 mei 2001 door de Inspecteur is ontvangen. Gelet op hetgeen de Inspecteur daaromtrent ter zitting heeft toegelicht, acht het Hof aannemelijk dat het bezwaarschrift is ingediend per post.

2. De ter-mijn voor indie-ning van een bezwaarschrift bedraagt zes weken. Een bezwaar-schrift is tijdig ingediend, indien het vóór het einde van de termijn door de Inspecteur is ontvangen. Bij verzen-ding per post is een bezwaarschrift eveneens tijdig ingediend indien het vóór het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

3. De bezwaartermijn vangt aan met ingang van de dag na die van de dagtekening van de beschikking (19 maart 2001), tenzij de beschikking eerst na die datum aan belanghebbende is toegezonden. Dit laatste is evenwel niet gesteld of gebleken. De bezwaartermijn is derhalve aangevangen met ingang van de dag na die van de dagtekening van de beschikking, zodat de bezwaartermijn, mede rekening houdend met de artikelen 1 en 3 van de Algemene Termijnenwet, eindig-de met 1 mei 2001.

4. Uit het hiervoor overwogene volgt weliswaar dat het bezwaarschrift binnen een week na afloop van de bezwaartermijn door de Inspecteur is ontvangen, maar gesteld noch gebleken is dat het bezwaarschrift uiterlijk op 1 mei 2001 ter post is bezorgd. Het bezwaarschrift is derhalve te laat inge-diend. Voorts zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan redelij-kerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende ten aanzien van de te late indiening in ver-zuim is geweest. Uitgaande van het vorenstaande heeft de Inspecteur bij de bestreden uitspraak belang-heb-bende te-recht niet-ont-vankelijk verklaard in het bezwaar. Aan een beoordeling van de juistheid van de bestreden WOZ-beschikking kan alsdan niet meer worden toegekomen.

5. Op grond van het vorenoverwogene is het beroep ongegrond. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Deze uitspraak is vastgesteld op 23 mei 2003 door mr. Vonk en op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mr. Holdert.

(Holdert) (Vonk)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt, is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.