Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AG1645

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-02-2003
Datum publicatie
12-08-2003
Zaaknummer
509-H02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-wijzigingsbeding partneralimentatie. Behoefte vrouw nihil gelet op haar vermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak : 12 maart 2003

Rekestnummer : 509-H-02

Rekestnr. rechtbank : 99/4023

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[appellant],

wonende te Lisse,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. W. Taekema,

tegen

[verweerster],

wonende te 's-Gravenhage,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. J. Dongelmans.

PROCESVERLOOP

De man is op 19 juli 2002 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van de rechtbank te 's-Gravenhage van 22 april 2002.

De vrouw heeft op 8 oktober 2002 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof aanvullende stukken ingekomen bij brief van 4 februari 2003.

Op 19 februari 2003 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door mr. drs. J. Hemelaar, advocaat te Zoetermeer en de procureur van de vrouw. De vrouw is niet in persoon verschenen, met bericht.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de partijen het volgende vast.

De man en de vrouw zijn op 17 april 1968 te Kerkrade met elkaar gehuwd. De man had ten tijde van het huwelijk de Duitse nationaliteit, in 1985 heeft hij door naturalisatie de Nederlandse nationaliteit verkregen, de vrouw had en heeft de Nederlandse nationaliteit.

De partijen hebben tijdens de eerste jaren van het huwelijk in Duitsland gewoond. Sedert 1973 woont de vrouw in Nederland en de man sedert 1975.

Staande het huwelijk hebben de partijen een kind geadopteerd, [dochter], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] welke adoptie bij vonnis van 27 april 1988 van de rechtbank te 's-Gravenhage is uitgesproken. Daarbij zijn haar voornamen gewijzigd in [kind] hierna te noemen: [kind]. Zij verblijft sinds het uiteengaan van de partijen bij haar moeder.

De partijen hebben de gevolgen van een scheiding van tafel en bed in een convenant vastgelegd, welk convenant door hen op 2 oktober 1991 is ondertekend. Zij beschouwen de door hen op 6 juni 1974 gesloten overeenkomst (nr. 225 Urkundenrolle 1974 notaris H. Kleine te Essen, Duitsland) als ontbonden.

In het eerst genoemde convenant zijn partijen - voor zover van belang en verkort weergegeven - het volgende overeengekomen:

1.2 de man zal een kinderalimentatie voldoen van ƒ 800,- met ingang van 1 oktober 1991 en na het bereiken van de 21e jarige leeftijd van [kind], de kosten van het volgen van een studie of opleiding, zulks tot zij de leeftijd van 27 jaar heeft bereikt;

1.3 de man zal totdat [kind] de 27-jarige leeftijd heeft bereikt alle kosten van ziekte en medische verzorging en verpleging voor zijn rekening nemen, inclusief de premies van ziektekostenverzekering;

2.1 de man zal met ingang van 1 oktober 1991 aan de vrouw een alimentatie betalen ter hoogte van ƒ 5.500,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

2.2 de in 2.1 genoemde uitkering zal niet bij rechterlijke uitspraak kunnen worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden tot het tijdstip dat de man (op 60-jarige leeftijd) pensioengerechtigd wordt;

2.3 bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van de man zal de in 2.1 genoemde uitkering voor wat betreft de alimentatie voor de vrouw, wat de hoogte betreft, worden aangepast aan het pensioeninkomen van de man, en wel aldus dat de uitkering dan zal worden gesteld op 60% van de bruto-pensioenuitkeringen waarop de man dan aanspraak zal kunnen maken;

2.4 de man zal ten behoeve van de vrouw alle kosten van ziekte en medische verzorging en verpleging voor zijn rekening nemen, inclusief de premies van ziektekostenverzekering;

3.5 aan de vrouw zullen ook worden toegescheiden alle aanspraken op weduwepensioen en andere voorzieningen die voor haar zijn getroffen in verband met overlijden van de man, ongeacht of zijn overlijden zou plaatsvinden vóór danwel na het bereiken van zijn pensioengerechtigde leeftijd. Pensioenverevening laten partijen achterwege;

4.1 partijen komen overeen dat het hiervoor in de artikelen 1, 2 en 3 bepaalde tussen hen van kracht zal blijven, indien het huwelijk van partijen na de scheiding van tafel en bed om enigerlei redenen zal worden ontbonden;

5.3 partijen doen hierbij afstand van het recht om ontbinding van de onderhavige overeenkomst te vorderen uit hoofde van artikel 1302, respectievelijk 1303 BW.

Bij beschikking van 30 november 1992 heeft de rechtbank te 's-Gravenhage de scheiding van tafel en bed uitgesproken tussen partijen. Voorts heeft de rechtbank in die beschikking verstaan dat de partijen de onderling getroffen regeling van hun vermogensrechtelijke betrekking hebben neergelegd in een echtscheidingsconvenant, waarvan de inhoud als in de beschikking opgenomen moet worden beschouwd. Tevens is bepaald dat de vrouw de ouderlijke macht zal uitoefenen over [kind] en is de kinderalimentatie bepaald, met ingang van de dag dat de uitoefening van de ouderlijke macht begint, op ƒ 829,- (ƒ800,- + 3,7% index) per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, naast alle uitkeringen waarop de vrouw ten behoeve van het kind en haar opvoeding aanspraak zal kunnen maken en alle kosten van ziekte, medische verzorging en verpleging, inclusief de premies van de ziektekostenverzekering. Voorts is beslist dat, volgens de onderling getroffen regeling, de man vanaf de dag dat het vonnis (het hof leest: de beschikking) van scheiding van tafel en bed in kracht van gewijsde zal zijn gegaan tegen kwijting aan de vrouw een alimentatie zal moeten betalen:

1. een bedrag van ƒ 5.703,50 (ƒ 5.500,- + 3,7% index) per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en wel tot het tijdstip dat de vrouw pensioengerechtigd wordt;

2. vanaf het tijdstip dat de man pensioengerechtigd wordt: maandelijks een bedrag gelijk aan 60% van de bruto pensioenuitkeringen, waarop de man dan aanspraak zal kunnen maken en dit te vermeerderen met het totale bedrag (c.q. 100%) van de bijzondere uitkeringen (allowances) waarop de man aanspraak zal kunnen maken en onverminderd de eventuele eigen aanspraken van de vrouw op allowances als vorenbedoeld;

3. naast de onder 1. en 2. vermelde uitkeringen ten behoeve van de vrouw: alle kosten van ziekte en medische verzorging en verpleging van de vrouw, inclusief de premies van de ziektekostenverzekering, waarin de vorenbedoelde ziektekosten eventueel gedeeltelijk worden vergoed.

Op 28 juni 1999 heeft de man bij de rechtbank te 's-Gravenhage een verzoek tot ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed met nevenverzoeken ingediend. Hij heeft tevens verzocht de kinderalimentatie en de alimentatie voor de vrouw opnieuw vast te stellen, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. De vrouw heeft verweer gevoerd tegen het verzoek betreffende de ontbinding van het huwelijk en de wijziging van de alimentaties.

Bij de beschikking van 18 december 2000 heeft de rechtbank de behandeling van de zaak aangehouden en de vrouw verzocht schriftelijk aan de man te berichten welke artikelen/passages van het pensioenreglement zij vertaald wil zien. De man diende aan de wederpartij en de rechtbank tevens een afschrift te doen toekomen van een vertaling in de Nederlandse taal door een beëdigd vertaler van de door de vrouw gewenste artikelen/passages van het ESA-pensioenreglement. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

Bij opvolgende beschikking van 13 maart 2001 is de behandeling aangehouden tot 1 juni 2001. Partijen dienden zich uiterlijk op die dag uit te laten over de voortgang van de zaak. Tegen deze tussenbeschikking is de man in hoger beroep gegaan. Hij is bij beschikking van 7 november 2001 door het hof niet-ontvankelijk verklaard omdat de bestreden beschikking een tussenbeschikking is.

Bij de bestreden eindbeschikking van 22 april 2002 heeft de rechtbank het verzoek van de man tot ontbinding van het huwelijk met nevenvoorzieningen afgewezen.

Ten aanzien van de man

De man is geboren op 3 april 1943. Hij woont samen met een partner die in eigen levensonderhoud voorziet. Hij is werkzaam als werktuigbouwkundig ingenieur en bereikt op 3 april 2003 de pensioengerechtigde leeftijd.

Ten aanzien van de vrouw

De vrouw is geboren op 6 april 1944. Zij is alleenstaand. Zij heeft geen woonlasten. Het appartement waarin zij woont is haar eigendom en vrij van hypotheek.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn het verzoek tot ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed, de kinderalimentatie en de alimentatie voor de vrouw.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende het verzoek van de man in eerste instantie toe te wijzen, alsmede de vrouw te veroordelen in de kosten van het geding, zowel in eerste instantie als in hoger beroep. De vrouw bestrijdt zijn beroep. Zij verzoekt het beroep af te wijzen met veroordeling van de man in de kosten van de procedure.

3. In eerste aanleg heeft de man verzocht het huwelijk tussen hem en de vrouw te ontbinden na scheiding van tafel en bed. Daarnaast heeft hij gevraagd de kinderalimentatie en de alimentatie voor de vrouw opnieuw vast te stellen, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

4. Ter zitting heeft de raadsvrouwe van de vrouw medegedeeld dat de alimentatie voor de dochter van partijen, [kind], met ingang van 1 januari 2003 niet langer nodig is. [kind] woont inmiddels in Rotterdam bij haar vriend met hun beider dochter. Partijen gaan er van uit dat [kind] door haar nieuwe partner wordt onderhouden en hebben afgesproken dat met ingang van 1 januari 2003 geen kinderalimentatie meer zal worden betaald.

5. Voor wat betreft de alimentatie voor de vrouw overweegt het hof het navolgende. In het tussen partijen gesloten convenant van 2 oktober 1991 is in artikel 2.2 opgenomen een beding van niet-wijziging, inhoudende dat de alimentatie voor de vrouw niet bij rechterlijke uitspraak zal kunnen worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden tot het tijdstip dat de man (op 60-jarige leeftijd) pensioengerechtigd wordt. Voor wat betreft de periode tot aan de dag dat de man de 60-jarige leeftijd zal bereiken (3 april 2003) is wijziging van de alimentatie in onderhavig geval dus slechts mogelijk, indien sprake is van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding kan worden gehouden. Dat doet zich voor bij een volkomen wanverhouding tussen wat partijen bij het sluiten van het convenant voor ogen stond en wat zich in werkelijkheid heeft voorgedaan, en wel zo, dat het in hoge mate onbillijk zou zijn als de vrouw de man aan het beding zou houden. Daarvan is het hof in de periode voordat de man de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, niet gebleken. Met ingang van 3 april 2003 geldt het beding van niet wijziging niet meer en kan de alimentatie voor de vrouw op grond van art. 1:401 BW gewijzigd worden, indien zij door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Wanneer de man 60 jaar wordt, wordt zijn inkomen gewijzigd, omdat hij dan, in plaats van salaris, pensioen gaat ontvangen. Dit is een wijziging van omstandigheden die een hernieuwde beoordeling van de hoogte van de alimentatie rechtvaardigt. Voor wat betreft de behoefte van de vrouw overweegt het hof het navolgende. Het is het hof gebleken dat de vrouw beschikt over een (zowel absoluut als relatief ten opzichte van de man) zeer aanzienlijk vermogen. Dit vermogen bestaat uit het onbelast recht van appartement dat zij bezit aan de [adres], welk appartementsrecht onbetwist een waarde heeft van ruim €500.000,-. Daarnaast beschikt zij nog over spaartegoeden. Alsmede zal zij een lijfrente-uitkering verkrijgen. Daartegenover heeft de man geen eigen woning en slechts een klein spaarbedrag van €21.000,-. Het hof is van oordeel dat de vrouw onder deze omstandigheden geacht wordt per 3 april 2003 geen behoefte te hebben aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. In redelijkheid kan van haar verwacht worden dat zij haar vermogen aanwendt om in haar levensonderhoud te voorzien. Het hof zal de alimentatie voor de vrouw met ingang van 3 april 2003 op nihil stellen.

6. Ter zitting is voorts komen vast te staan dat de overlijdensrisicoverzekering op het leven van de man, ten gunste van de vrouw, vervalt met ingang van 3 april 2003.

7. Gelet op het vorenstaande gaat bij de vrouw, bij toewijzing van het verzoek tot ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed, na vooroverlijden van de man geen vooruitzicht op uitkeringen in verband met dat overlijden teloor, noch wordt een dergelijk vooruitzicht daardoor in ernstige mate verminderd. Dientengevolge is het inleidende verzoek tot ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed voor toewijzing vatbaar.

8. Het vorenstaande brengt met zich dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd. Het hof zal de kosten van de procedure tussen partijen compenseren, gelet op het karakter van de procedure.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw beschik-ken-de:

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen kin-derali-mentatie met ingang 1 januari 2003 op nihil;

bepaalt de ali-mentatie voor de vrouw ten laste van de man, met ingang van 3 april 2003 op nihil;

wijst het inleidend verzoek van de man tot ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed toe;

verklaart deze beschikking ten aanzien van de alimentatie voor de vrouw en de dochter uitvoerbaar bij voor-raad;

compenseert de kosten van het geding in eerste aanleg en hoger beroep tussen partijen in die zin, dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Stille en Duindam, bijge-staan door mr. Louwinger-Rijk als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 12 maart 2003.