Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AF9689

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-02-2003
Datum publicatie
06-06-2003
Zaaknummer
BK-01/03791
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

negende enkelvoudige belastingkamer

28 februari 2003

nummer BK-01/03791

UITSPRAAK

op het beroep van [X] te [Y] tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid [Z] van de Belastingdienst, op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te noemen beschikking.

1. Beschikking en bezwaar

Bij de aan belanghebbende opgelegde definitieve aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2000 is aan belanghebbende heffingsrente in rekening gebracht. Het bedrag aan heffingsrente, groot ƒ 401, is bij een voor bezwaar vatbare beschikking vastgesteld. De beschikking is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, door de Inspecteur bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

2. Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. De griffier heeft in verband daarmee van belanghebbende een grif-fierecht geheven van € 29. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 27 september 2002, gehouden te Middelburg. Aldaar zijn verschenen belanghebbende en namens de Inspecteur [A]. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt.

2.3. Naar aanleiding van de ter zitting door het Hof aan de Inspecteur geboden gelegenheid om schriftelijk nadere inlichtingen te verstrekken heeft tussen het Hof en partijen een briefwisseling plaatsgevonden.

2.4. Ter zitting is ieder van de partijen bij voorbaat ermee akkoord gegaan dat het Hof schriftelijk uitspraak doet aan de hand van de stukken en het ter zitting verhandelde en dat een nadere zitting achterwege blijft.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende heeft bij zijn aangifte voor de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het onderhavige belastingjaar (2000) melding gemaakt - voor zover hier van belang - van een bedrag aan ingehouden loonheffing van ƒ 27.349. Bij het vaststellen van de naar aanleiding van de aangifte opgelegde voorlopige aanslag is de Inspecteur daarentegen uitgegaan van ƒ 37.349. De aanslag resulteert in een teruggaaf van ƒ 12.525. Ter zake van die teruggaaf is een bedrag aan heffingsrente vergoed van ƒ 123.

3.2. Bij de definitieve aanslag heeft de Inspecteur de met betrekking tot het bedrag aan ingehouden loonheffing gemaakte fout gecorrigeerd. De aanslag resulteert in een te betalen bedrag van ƒ 10.000. Ter zake van die belasting is bij de onderwerpelijke beschikking een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van ƒ 401. Bij de bestreden uitspraak is belanghebbendes bezwaar tegen de beschikking afgewezen.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. In geschil is uitsluitend het bedrag van de in rekening gebrachte heffingsrente. Partijen houdt wat dat betreft verdeeld, zo begrijpt het Hof, het antwoord op de vraag of in dit geval de Inspecteur niet meer heffingsrente in rekening had mogen brengen dan de bij de voorlopige aanslag te veel vergoede heffingsrente, groot ƒ 98 (10.000/12.525 x ƒ 123), welke vraag belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt.

4.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de stukken. Zij hebben hun standpunten ter zitting toegelicht.

4.3. Met betrekking tot de in 2.3 vermelde briefwisseling zij nog erop gewezen dat de Inspecteur ter zake van de, ter zitting door het Hof onder de aandacht van partijen gebrachte, publicatie in Vakstudie Nieuws 1999/39.3, het volgende - zakelijk weergegeven - heeft gesteld:

- mogelijk betreft de publicatie geen beleidsregel;

- zo de publicatie als een beleidsregel is aan te merken, moet het Hof daaraan voorbijgaan, daar belanghebbende geen beroep daarop heeft gedaan, het Hof niet is gehouden tot het ambtshalve toepassen van beleidsregels en het Hof niet de bevoegdheid heeft om feitelijke gronden aan te vullen; en

- dat de onderhavige casus bovendien afwijkt van die in de publicatie, in dier voege dat belanghebbende, ondanks dat hij wist dat hij ƒ 10.000 te veel had terugontvangen, de belastingdienst niet in kennis heeft gesteld van de fout.

5. Conclusies van partijen

5.1. Het beroep van belanghebbende strekt tot vaststelling van het bedrag aan heffingsrente op ƒ 98.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1. Het Hof stelt voorop dat met betrekking tot de huidige heffingsrenteregeling - voor zover hier van belang - het uitgangspunt geldt dat als het vaststellen van de belastingschuld leidt tot een per saldo te betalen bedrag in alle gevallen heffingsrente in rekening wordt gebracht (vgl. memorie van toelichting, Tweede Kamer 1996/1997, 25 051, nr. 3, onderdeel II, sub 1).

6.2. Uit hetgeen belanghebbende in zijn beroepschrift daaromtrent heeft gesteld - door de Inspecteur niet weersproken - leidt het Hof af dat belanghebbende de te veel terugontvangen belasting ad ƒ 10.000 kennelijk niet voor zichzelf maar voor de belastingdienst ter beschikking heeft gehouden en overigens met betrekking tot dat bedrag geen rente heeft ontvangen.

6.3. Wat er ook zij van die omstandigheid, een situatie als de onderhavige, waarin een belastingplichtige door het in rekening brengen van heffingsrente schade lijdt, en wel als direct gevolg van een bij het vaststellen van de voorlopige aanslag door de belastingdienst zelf begane fout, staat naar 's Hofs oordeel niet aan een onverkorte berekening van heffingsrente in de weg. Voor een andersluidende conclusie is geen steun te vinden in de redactie of de ontstaansgeschiedenis van de heffingsrenteregeling.

6.4. Voor zover belanghebbende zich heeft beroepen op de in Vakstudie Nieuws 1999/39.3 gepubliceerde beslissing van de staatssecretaris van Financiën, faalt naar 's Hofs oordeel dat beroep, omdat uit die beslissing, zo al sprake is van enig daaruit te destilleren beleid, redelijkerwijs niet is af te leiden dat voortaan ook in gevallen als het onderhavige van de berekening van heffingsrente wordt afgezien. Het Hof acht aannemelijk, kennelijk met de Inspecteur, dat een van de bijzondere omstandigheden die tot de beslissing in kwestie hebben geleid, vooral de omstandigheid is dat de desbetreffende belastingplichtige "verschillende malen bij de Belastingdienst heeft geïnformeerd of de teruggaaf wel juist was". Tussen partijen staat vast dat belanghebbende de belastingdienst nimmer ervan op de hoogte heeft gebracht dat hij (mogelijk) een bedrag van ƒ 10.000 teveel heeft terugontvangen.

6.5. Het vorenstaande voert het Hof tot de slotsom dat belanghebbendes beroep ongegrond is.

7. Proceskosten en griffierecht

7.1. Met partijen is het Hof van oordeel dat aanleiding bestaat de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten van de zaak stelt het Hof op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 25, conform partijen ter zitting met elkaar zijn overeengekomen.

7.2. Gelet op het bepaalde in artikel 8:74 van de Algemene wet bestuursrecht dient het door belanghebbende gestorte griffierecht ad € 29 te worden vergoed.

8. Beslissing

Het Gerechtshof:

- verklaart het beroep ongegrond,

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het beroep, aan de zijde van belanghebbende gevallen en vastgesteld op € 25, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden, en

- gelast de Staat der Nederlanden aan belanghebbende te vergoeden het voor deze zaak gestorte griffierecht van € 29.

De uitspraak is vastgesteld op 28 februari 2003 door mr. Tromp. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Crabbendam.

(Crabbendam) (Tromp)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is ge-richt;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.