Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AF9646

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-03-2003
Datum publicatie
10-06-2003
Zaaknummer
325-R-02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 19 maart 2003

Rekestnummer : 325-R-02

Rekestnr. rechtbank : FA RK 01-6209

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te Spijkenisse,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. M.G. Cantarella,

tegen

[verweerster],

wonende te Rotterdam,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. A.A. Th. Boender.

PROCESVERLOOP

De man is op 21 mei 2002 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van de rechtbank te Rotterdam van 25 maart 2002.

De vrouw heeft op 7 oktober 2002 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof aanvullende stukken ingekomen bij brieven van 7 november 2002 en 15 januari 2003.

Op 22 januari 2003 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door mr. P. Vermeulen, advocaat te Spijkenisse en de vrouw, bijgestaan door mr. N.A. de Graaff, advocaat te Rotterdam.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de partijen het volgende vast.

De man en de vrouw zijn op 17 april 1996, in gemeenschap van goederen, met elkaar gehuwd. Partijen zijn eerder met elkaar gehuwd geweest uit welk huwelijk is geboren de thans nog minderjarige:

[kind], geboren op 25 januari 1986, verder: [kind].

[kind] verblijft sinds het uiteengaan van de partijen bij de vrouw. Na echtscheiding oefenen de ouders gezamenlijk het gezag uit over [kind].

Bij verzoekschrift van 13 december 2001 heeft de vrouw bij de rechtbank te Rotterdam een verzoek tot echtscheiding met nevenverzoeken ingediend. Zij heeft (onder meer) verzocht de scheiding tussen partijen uit te spreken en de boedel te verdelen zoals door haar verzocht. De man heeft geen verweer gevoerd.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank onder meer tussen de partijen de echtscheiding uitgesproken.

Bij die beschikking heeft de rechtbank verder - uitvoerbaar bij voorraad - de verdeling van de tussen de partijen bestaande gemeenschap van goederen als volgt vastgesteld:

Aan de man worden toegescheiden:

- de activa van de huwelijksgoederengemeenschap met uitzondering van de zaken welke de vrouw thans in haar bezit heeft;

- de passiva van de huwelijksgoederengemeenschap;

met bepaling dat de man zal overgaan tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 71.470,38/ ƒ 157.500,- ter zake van overbedeling, te betalen binnen twee maanden nadat de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijk stand.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. Ter zitting van 22 januari 2003 bij het hof is de man niet ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep ten aanzien van de echtscheiding. In geschil is dan ook thans nog de boedelverdeling. Ter zitting heeft de man het hof mondeling subsidiair verzocht te willen bepalen dat de boedel ten overstaan van een notaris zal worden verdeeld. Conform artikel 283 Rv dient een verzoek tot verandering of vermeerdering van verzoek schriftelijk te geschieden, mitsdien zal het hof de man niet ontvankelijk verklaren in zijn verzoek tot verandering van verzoek.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende het bedrag van de overbedeling op nihil te bepalen, zodat de vrouw geen enkel bedrag meer toekomt, alsmede de vrouw te veroordelen om haar medewerking te verlenen aan de overdracht van de woning op naam van de man, te weten binnen twee maanden na de beschikking van het hof, zodanig dat tegenover die toedeling c.q. overdracht door de man aan de vrouw geen bedrag hoeft te worden voldaan, zulks op straffe van een dwangsom van

ƒ 500,- voor iedere dag dat de vrouw nalatig zal zijn aan deze veroordeling te voldoen, dan wel een zodanige uitspraak te doen als het hof juist acht. De vrouw bestrijdt zijn beroep.

3. Ter ondersteuning van zijn beroep voert de man aan dat hij in eerste aanleg heeft verzuimd een verweerschrift in te dienen. Hij is van mening dat de vrouw niets van hem te vorderen heeft in het kader van de verdeling van de voormalige huwelijksgoederengemeenschap.

4. Voor wat betreft de waarde van de boedel brengt de man naar voren dat de echtelijke woning getaxeerd is op ƒ 305.000,-, terwijl er een restant hypotheekschuld is van ƒ 300.000,-, zodat er sprake is van een overwaarde van ƒ 5.000,-. Tevens behoorde tot de onverdeelde boedel een auto, zijnde een Opel Astra, welke volgens de man is verkocht voor ƒ 11.000,-. Met voornoemd bedrag zijn diverse schulden afgelost en betalingen gedaan ten behoeve van de dochter van partijen. Voorts heeft de vrouw volgens de man voor ƒ 5.000,- meer inboedelgoederen meegenomen. De man is op basis van vorenstaande feiten en omstandigheden van oordeel dat de verdeling van de voormalige huwelijksgoederengemeenschap is geëffectueerd.

5. De vrouw verweert zich tegen hetgeen de man naar voren heeft gebracht. Met betrekking tot de auto stelt de vrouw dat deze op 25 april 2000 is gekocht voor ƒ 27.400,-. De vrouw acht het niet aannemelijk dat de waarde van deze auto in een jaar tijd met ƒ 16.400,- is gedaald.

De vrouw betwist de taxatiewaarde van de echtelijke woning en stelt dat de waarde van de onroerende zaak door een door partijen gezamenlijk te benoemen taxateur dient te worden vastgesteld. Ook betwist zij dat de certificaten van Stichting SHB personeelsparticipatie, die de man heeft, waardeloos zijn en stelt dat de man bescheiden in het geding moet brengen waaruit de waarde kan worden afgeleid.

6. Zowel in de procedure in eerste aanleg als in hoger beroep hebben partijen geen volledige boedelbeschrijving opgesteld. Voorts bestaat tussen partijen verschil van inzicht betreffende de waarde van de onroerende zaak, de auto en de personeelsopties. Het hof beschikt over onvoldoende verificatoire bescheiden om in redelijkheid de waarde van de hiervoor genoemde boedelbestanddelen vast te stellen. Een verdeling conform 3:185 BW kan slechts geschieden indien de rechter over voldoende feitelijke informatie beschikt van de voormalige huwelijksgoederengemeenschap, hetgeen in deze volstrekt ontbreekt. Het hof is derhalve niet in staat om conform artikel 3:185 BW de verdeling van de voormalige huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen of anderszins een oordeel te geven over de door de vrouw voorgestelde wijze van verdeling zoals vastgelegd in haar inleidend verzoekschrift. Het primaire verzoek van de vrouw in eerste aanleg moet dan ook worden afgewezen. De bestreden beschikking dient terzake de wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, waarbij de man is veroordeeld om aan de vrouw ƒ 157.500,- te betalen, te worden vernietigd.

7. Ter zitting heeft de man nog mondeling verzocht de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de bestreden beschikking te schorsen. Zoals het hof reeds onder 1 heeft overwogen dient een verandering of vermeerdering van verzoek schriftelijk te geschieden. Daarenboven heeft de man thans bij een zodanig verzoek geen belang meer aangezien het hof de beschikking terzake de verdeling, zoals onder 6 overwogen, vernietigt. De man zal derhalve ook in dit verzoek niet ontvankelijk worden verklaard.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart de man niet ontvankelijk in de vermeerdering, dan wel verandering van zijn verzoek;

vernietigt de bestreden beschikking voorzover de rechtbank de verdeling van de voormalige huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen heeft vastgesteld, en waarbij de man is veroordeeld om aan de vrouw te betalen de somma van ƒ157.500,-, en opnieuw rechtdoende:

wijst het inleidende verzoek van de vrouw terzake de wijze van verdeling van de voormalige huwelijksgoederengemeenschap, alsmede dat de man aan de vrouw terzake die verdeling ƒ157.500,- aan de vrouw moet voldoen, af,

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. De Bruijn-Lückers, Gerretsen-Visser en Labohm, bijge-staan door mr. Louwinger-Rijk als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 19 maart 2003.