Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AF9644

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-03-2003
Datum publicatie
10-06-2003
Zaaknummer
848-H-02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 26 maart 2003

Rekestnummer : 848-H-02

Rekestnr. rechtbank : 02-847

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[appellant]

wonende te Sablet, Frankrijk,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. W. Taekema,

tegen

[verweerder],

wonende te Gigondas, Frankrijk,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur eerst mr. H.C. Grootveld thans mr. J.J.M. Schlicher

PROCESVERLOOP

De vrouw is op 25 november 2002 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van de rechtbank te 's-Gravenhage van 26 augustus 2002.

Van de zijde van de man zijn bij het hof pleitaantekeningen ingekomen bij brief van 3 februari 2003.

Van de zijde van de vrouw is bij het hof een pleitnotitie ingekomen bij brief van 4 februari 2003.

Op 5 februari 2003 is de ontvankelijkheid van de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn procureur en namens de vrouw mr. S.L. Raphaël, advocate te Utrecht. De vrouw is, hoewel daar-toe behoor-lijk opge-roepen, niet versche-nen.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat - voor zover in hoger beroep ten aanzien van de ontvankelijkheid van belang - tussen de partijen het volgende vast.

De man en de vrouw zijn op 28 april 1998, op huwelijkse voorwaarden, met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn geen kinderen geboren.

Bij de bestreden beschikking van 26 augustus 2002 heeft de rechtbank te 's-Gravenhage de echtscheiding uitgesproken.

DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP TEN AANZIEN VAN DE ECHTSCHEIDING

1. De vrouw richt haar eerste grief tegen het uitspreken van de echtscheiding. De vrouw stelt dat zij er belang bij heeft dat de echtscheidingsbeschikking nog niet wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand teneinde te bewerkstelligen dat de alimentatieverplichting 12 jaren zal duren, althans langer dan de termijn gelijk aan de duur van het huwelijk en dat haar belang prevaleert boven het belang van de man bij een alimentatieverplichting gelijk aan de duur van het huwelijk. De vrouw voert aan dat het hier immers een kinderloos huwelijk betreft dat niet langer dan 5 jaar geduurd heeft, zodat op grond van art. 1: 157 lid 6 BW de verplichting tot het verstrekken van levensonderhoud van rechtswege eindigt wanneer een termijn is verstreken gelijk aan de duur van het huwelijk. Zij meent dat er sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan zij recht en belang heeft bij het instellen van hoger beroep tegen de echtscheiding teneinde te voorkomen dat de beschikking in kracht van gewijsde gaat. De vrouw stelt dat van belang is het feit dat de partijen voor het huwelijk reeds negen jaar met elkaar hebben samengeleefd. Zij is van mening dat in de onderhavige situatie de duur van de affectieve relatie met zich brengt dat de zorgplicht van de man jegens de vrouw rechtvaardigt dat hij gedurende een periode van 12 jaar alimentatieplichtig is. Voorts voert zij financiële omstandigheden aan.

2. De man verzoekt de vrouw niet ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, althans haar grief tegen de echtscheiding af te wijzen, met bekrachtiging van de bestreden beschikking, zo nodig met verbetering en aanvulling van de gronden en met veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure. De man betwist dat er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor het gerechtvaardigd is dat de band tussen de echtscheiding en het verzoek om vaststelling van partneralimentatie hersteld dient te worden. De man meent dat het door de vrouw ingediende hoger beroep misbruik van procesrecht oplevert nu zij immers zelfstandig heeft verzocht de echtscheiding uit te spreken.

3. Het hof is van oordeel dat de vrouw in haar hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De echtscheiding is op verzoek van de vrouw uitgesproken. De vrouw heeft geen inhoudelijke grief tegen de echtscheiding zelf gericht. De vrouw heeft - ook naar haar eigen zeggen - louter en alleen hoger beroep ingesteld om de inschrijvingstermijn van de echtscheidingsbeschikking te verlengen, en aldus de man in een andere wettelijke regeling, namelijk in die van art. 1:157, lid 3 te dwingen. Tenzij er zich bijzondere omstandigheden voordoen, is de termijn, als bedoeld in art. 1: 157, lid 6, in beginsel niet oprekbaar. Het hof is van oordeel dat zodanige bijzondere omstandigheden zich hier niet voordoen. Het hof heeft daarbij ook in aanmerking genomen dat de wetgeving zelf ( art. 1: 157, lid 6 jo art. 157, lid 5 BW) de mogelijkheid biedt om verlenging van de termijn als bedoeld in art. 1: 157, lid 6 BW te verzoeken. Het door de vrouw gestelde, dat de uitkomst van een dergelijke procedure onzeker is, doet hieraan niet af.

4. Uit bovenstaande volgt dat de vrouw in haar hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar hoger beroep ten aanzien van de echtscheiding;

houdt verder iedere beslissing aan;

bepaalt dat de voortzetting van de behandeling van de zaak zal plaatsvinden op een nader te bepalen datum waarvoor de partijen nog een afzonderlijke oproep zullen ontvangen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Duindam, Dusamos en Pannekoek-Dubois, bijge-staan door A. Snel als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 26 maart 2003.