Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AF9601

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-01-2003
Datum publicatie
10-06-2003
Zaaknummer
385-R-02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2003, 41
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 22 januari 2003

Rekestnummer : 385-R-02

Rekestnr. rechtbank : FA RK 01-4656

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[verzoeker]

wonende te Hellevoetsluis,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. P.H. Mahieu,

tegen

[verweerster],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de gemeente.

PROCESVERLOOP

De man is op 6 juni 2002 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van de rechtbank te Rotterdam van 8 maart 2002.

Van de zijde van de gemeente is op 21 november 2002 een faxbericht ingekomen.

Van de zijde van de man zijn aanvullende stukken ingekomen bij brieven van 22 juli 2002 en 17 september 2002. Voorts is van zijn zijde een faxbericht ingekomen op 21 november 2002.

Op 27 november 2002 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat mr. W.M. Smeets. De gemeente is, hoewel daar-toe behoor-lijk opge-roepen, niet ter zitting vertegenwoordigd.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de partijen het volgende vast.

De man is van 9 augustus 1988 tot 14 januari 1998 gehuwd geweest met [de vrouw], verder: de vrouw. Zij hebben samen een thans nog minderjarig kind, [het kind], geboren op 24 november 1988. Sinds het uiteengaan van de man en de vrouw verbeef het kind bij de vrouw; sedert januari 2002 verblijft [het kind] in het gezin van de man, zijn huidige partner en haar twee kinderen.

Bij de echtscheidingsbeschikking is ten laste van de man een kinderalimentatie ten behoeve van [het kind] opgelegd van ƒ 600,- per maand.

De gemeente verleent sinds 16 januari 1995 bijstand - naar de norm van een alleenstaande ouder - aan de vrouw, mede ten behoeve van voornoemd kind.

Bij brieven van 28 maart 2001 en van 18 april 2001 heeft de gemeente de man verzocht inlichtingen te verstrekken, zodat in verband met zijn onderhoudsplicht jegens de vrouw en zijn kind, een verhaalsbijdrage zou kunnen worden vastgesteld. De man heeft aan het verzoek van de gemeente niet naar behoren voldaan.

Op 18 september 2001 heeft de gemeente de rechtbank te Rotterdam verzocht de door de man aan de gemeente te betalen verhaalsbijdrage vast te stellen ter hoogte van de door de gemeente voor de vrouw en voornoemd kind te maken kosten van bijstand, zijnde ongeveer ƒ 2.640,- per maand; aan de gemeente met ingang van 1 augustus 2001 maandelijks te voldoen, zolang de bijstandsverlening aan de vrouw voorduurt; alsmede te bepalen dat de man de inmiddels ontstane achterstand in de betalingen over de periode van 1 april 2001 tot met 31 juli 2001, zijnde ƒ 10.489,96, dient af te lossen met ƒ 250,- per maand.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het onweersproken verzoek van de gemeente toegewezen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;

- de door de man te betalen verhaalsbijdrage met ingang van 1 april 2001 tot en met januari 2002 op € 1.173,12 per maand te bepalen, althans op een zodanig bedrag, niet hoger dan € 1.197,98 per maand, als het hof in goede justitie vermeent te behoren;

- te verstaan dat de man zijn verplichtingen tot en met januari 2002 is nagekomen en dat er mitsdien geen achterstand in betalingen betstaat;

- de door de man met ingang van 1 februari 2002 te betalen verhaalsbijdrage vast te stellen op € 396,54 per maand, althans op een zodanig bedrag, niet hoger dan € 1.197,98 per maand, als het hof in goede justitie vermeent te behoren.

2. Uit het faxbericht dat zijdens de man op 21 november 2002 bij het hof is ingekomen, is gebleken dat tussen de man en de gemeente overeenstemming bestaat over de door de man aan de gemeente verschuldigde verhaalsbijdrage, als volgt:

- € 1.173,12 per maand van 1 april 2001 tot en met 31 januari 2002;

- € 396, 54 per maand met ingang van 1 februari 2002.

3. Het geschil tussen de man en de gemeente beperkt zich thans nog tot de kwestie hoe groot de achterstand in de betaling van de voormelde verhaalsbijdragen is.

Het hof overweegt, dat de onderhavige procedure bedoeld is ter vaststelling van de hoogte van een verhaalsbijdrage, die iemand in verband met zijn familierechtelijke verplichting tot het verschaffen van levensonderhoud aan een ander, aan de bijstandverlenende instantie dient te betalen. Naar zijn aard is deze procedure niet bestemd ter vaststelling van eventuele achterstanden in de betaling van een eenmaal vastgestelde verhaalsbijdrage; dit betreft immers een executiegeschil.

Het hof zal dan ook de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de vaststelling van de achterstand in betaling van de verhaalsbijdragen vernietigen, en de gemeente alsnog niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoeken de hoogte van de betalingsachterstand van de man aan de gemeente alsmede een maandelijks aflossingsbedrag in verband daarmee te bepalen. De man dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn verzoek in hoger beroep, te verstaan dat hij zijn verplichtingen tot en met januari 2002 is nagekomen en dat er mitsdien geen achterstand in betalingen bestaat.

Overigens heeft de man ter zitting medegedeeld dat hij met de gemeente een gesprek zal voeren met betrekking tot de vraag of er een achterstand in betaling van de man jegens de gemeente bestaat en op welke wijze deze in dat geval dient te worden afgelost.

4. De bestreden beschikking dient derhalve te worden vernietigd.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw beschik-ken-de:

bepaalt dat de man aan de gemeente moet voldoen ter zake van - ten behoeve van de vrouw en voornoemd kind - gemaakte en nog te maken kosten van bijstand, een bedrag van € 1.173,12 per maand van 1 april 2001 tot en met 31 januari 2002 en van € 396, 54 per maand met ingang van 1 februari 2002, zolang deze bijstandsverlening voortduurt doch uiterlijk tot 14 januari 2010;

verklaart de gemeente alsnog niet-ontvankelijk in haar inleidend verzoek tot vaststelling van de achterstand in de betalingen die de man jegens de gemeente heeft en tot bepaling van een maandelijkse aflossing hierop van ƒ 250,-;

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek in hoger beroep, te verstaan dat hij zijn verplichtingen tot en met januari 2002 is nagekomen en dat er mitsdien geen achterstand in betalingen betstaat.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Duindam, Dusamos en Labohm, bijge-staan door

mr. Verkuil als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 22 januari 2002.

Bij afwezigheid van de voorzitter getekend door de oudste raadsheer.