Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AF9579

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-02-2003
Datum publicatie
12-08-2003
Zaaknummer
437-R-02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Behoeftecriterium ten aanzien van minderjarigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak : 5 februari 2003

Rekestnummer : 437-R-02

Rekestnr. rechtbank : FA RK 01-1054

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[verzoekster],

wonende te Rotterdam,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. S. de Kluiver,

[verweerder]:

[verweerder],

wonende te Vlaardingen,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader.

PROCESVERLOOP

De moeder is op 24 juni 2002 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van de rechtbank te Rotterdam van 2 april 2002.

De vader heeft geen verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof aanvullende stukken ingekomen bij brief van 13 november 2002 en 9 januari 2003.

Op 10 januari 2003 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door mr. O.G. Schuur, advocaat te Rotterdam en de vader. De moeder heeft ter terechtzitting haar inleidend verzoek gewijzigd in die zin dat zij thans nog verzoekt de eerder bij beschikking van 8 november 1994 vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [y] te wijzigen en nader te bepalen op ƒ 400,- per maand, tot 1 december 2002.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de ouders het volgende vast.

De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, waaruit zijn geboren de door de vader erkende kinderen:

[kind], geboren op 20 juli 1982, verder: [x], en

[kind], geboren op 3 december 1984, verder: [y].

[y] woont sinds het einde van de relatie van de ouders bij de moeder, [x] woont sinds eind 1997 bij de vader.

Bij beschikking van 8 november 1994 heeft de rechtbank te Rotterdam de kinderalimentatie voor de destijds minderjarige [x] en [y] ten laste van de vader met ingang van 8 november 1994 - uitvoerbaar bij voorraad - vastgesteld op ƒ 125,- per maand per kind, vermeerderd met het bedrag van iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten of regelingen ten behoeve van de kinderen kan of zal worden verleend.

Bij verzoekschrift van 28 februari 2001 heeft de moeder de rechtbank te Rotterdam verzocht - met wijziging van de beschikking van 8 november 1994 en uitvoerbaar bij voorraad - de bijdrage voor [y] ten laste van de vader vast te stellen op ƒ 400,- per maand, althans deze te bepalen zoals de rechtbank juist zou achten. De vader heeft bij verweerschrift zelfstandig verzocht de bijdrage voor [y] met ingang van 28 mei 2001 op nihil te stellen.

Bij de bestreden beschikking is - met wijziging van de beschikking van 8 november 1994 - de bijdrage voor [y] ten laste van de vader, met ingang van 28 mei 2001, op nihil bepaald.

Hieronder zal het hof zonodig op hele bedragen afronden.

Ten aanzien van de vader

De vader is geboren op 6 juni 1950. Hij woont samen met een nieuwe partner, hun gezamenlijk kind en de kinderen van zijn partner uit een eerdere relatie. Zijn nieuwe partner verricht arbeid in loondienst. [x] volgt sedert september 2000 een opleiding in Goes, en woonde daar op kamers. Met ingang van 1 mei 2001 woont [x] weer in het gezin van zijn vader. Over de recente inkomsten en lasten van de vader en zijn partner heeft het hof geen verificatoire bescheiden ontvangen.

Ten aanzien van de moeder

De moeder is geboren op 13 mei 1949. Zij is in loondienst voor 36 uur per week. Per maand be-draagt haar netto inkomen € 1.497,-/ƒ 3.300,-. Zij woont in gezinsverband met [y]. [y] bezoekt vanaf september 2001 geen school meer. Hij is vanaf dat moment in loondienst en verdiende daarmee € 317,65/ƒ 700,- netto per maand. Vanaf januari 2002 verdiende hij

€ 453,78/ƒ 1.000,- netto per maand. In maart 2002 werd [y] werkloos. In de periode 1 maart 2002 tot 1 december 2002 heeft hij daadwerkelijk 15 weken gewerkt bij vier werkgevers. [y] betaalt geen kostgeld aan zijn moeder.

BEOORDELING

1. In geschil is de bijdrage ten behoeve van [y].

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, de bij de beschikking van 8 november 1994 vastgestelde kinderalimentatie voor [y] alsnog te wijzigen en met ingang van 1 maart 2001 nader vast te stellen op € 181,51 (ƒ 400,-) per maand, althans nader te bepalen op een wijze als het hof juist acht .

3. Ter ondersteuning van haar beroep voert de moeder aan dat de rechtbank ten onrechte als vaststaand feit heeft aangemerkt dat de vader en de moeder gehuwd zijn geweest. Het is het hof gebleken dat dit inderdaad niet het geval is geweest.

Bovendien spreekt de rechtbank over de "oudste minderjarige" [x], terwijl die al meerderjarig is in de periode waarop het verzoek betrekking heeft. Het is de moeder niet duidelijk of haar verzoek door deze misslag van de rechtbank is afgewezen, omdat de rechtbank van onjuiste feitelijke gegevens is uitgegaan, of dat het een verschrijving betreft. Het is het hof gebleken dat [x] inderdaad reeds meerderjarig was in de periode waarop het verzoek betrekking heeft.

4. Tevens voert de moeder aan dat de rechtbank over de periode 28 mei tot 1 september 2001 ten onrechte geen beslissing heeft genomen. In het verzoek in eerste aanleg is weliswaar geen ingangsdatum opgenomen, maar de moeder heeft bedoeld de datum van indiening van het verzoekschrift de ingangsdatum te laten zijn.

5. Ook meent de moeder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen over de periode 28 mei 2001 tot 1 september 2001 dat de door de rechtbank in 1994 vastgestelde bijdrage overeen zou komen met de wettelijke maatstaven, althans redelijk zou zijn. Voor de periode na 1 september meent de moeder dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist dat [y] geen behoefte meer heeft en dat de moeder om die reden geen recht meer heeft op een bijdrage.

De moeder wijst er op dat ten aanzien van minderjarigen de kosten van opvoeding en verzorging door de ouders moeten worden voldaan, ongeacht de vraag of er behoefte bestaat. De moeder kan wel instemmen met een iets lagere bijdrage met ingang van 1 december 2001. Op dat moment is [y] 17 jaar geworden en ook iets meer gaan verdienen.

6. De stelling van de moeder dat ten aanzien van minderjarigen geen behoefte-criterium dient te worden gehanteerd, is onjuist, gelet op artikel 1:392 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek. Daaruit blijkt slechts dat er geen behoeftigheid benodigd is voor het toekennen van kinderalimentatie ten behoeve van minderjarigen. Het hof is van oordeel dat [y], naast de door hem gegenereerde inkomsten (die met name in de periode 1 maart 2002 tot 1 december 2002 sterk varieerden, [y] heeft in deze periode 15 weken gewerkt bij vier verschillende werkgevers) nog behoefte had aan een bijdrage van de zijde van zijn vader. Deze behoefte dient te worden gesteld op de bij beschikking van 8 november 1994 opgelegde, inmiddels door indexering gestegen bijdrage.

7. De vader heeft noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep, zijn draagkracht om een bijdrage te betalen bestreden.

8. Het voorgaande brengt met zich mee dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd en dat de inleidende verzoeken van zowel de moeder als de vader dienen te worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking, en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst het inleidende verzoek van de moeder alsnog af;

wijst het inleidende verzoek van de vader alsnog af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van den Wildenberg, Kok en Mulder, bijge-staan door mr. Louwinger-Rijk als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 5 februari 2003.