Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AF9578

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-02-2003
Datum publicatie
10-06-2003
Zaaknummer
256-H-02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak : 26 februari 2003

Rekestnummer : 256-H-02

Rekestnr. rechtbank : 01-5852

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te Waddinxveen,

verzoeker, tevens inciden-teel verweer-der, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. W. Plessius,

tegen

[verweerster],

wonende te Waddinxveen,

verweerder, tevens inciden-teel verzoe-ker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. J.M. van Baardewijk.

PROCESVERLOOP

De man is op 23 april 2002 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van de rechtbank te 's-Gravenhage van 19 februari 2002.

De vrouw heeft op 26 juni 2002 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appèl ingediend.

De man heeft op 26 juli 2002 een verweerschrift op het incidenteel appèl ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof aanvullende stukken ingekomen bij brief van 30 mei 2002.

Op 6 november 2002 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn procureur en de vrouw, bijgestaan door haar procureur.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de partijen het volgende vast.

Uit het huwelijk van de ouders zijn de volgende nog minderjarige kinderen geboren:

[kind], geboren op 2 november 1992, en

[kind], geboren op 9 maart 1996, verder: de kinderen.

De kinderen verblijven bij de vrouw.

Bij beschikking van 22 januari 1997 heeft de rechtbank te 's-Gravenhage onder meer tussen de par-tijen, met elkaar gehuwd op 17 juli 1992, de echtscheiding uitgespro-ken, die is ingeschreven op 16 mei 1997, waarbij de door de man te betalen alimentatie voor de vrouw is bepaald op

ƒ 410,- per maand, met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Voorts is de verdere behandeling voor wat onder meer betreft de kinderalimentatie, aangehouden.

Bij opvolgende beschikking van 14 november 1997 heeft de rechtbank bepaald dat het ouderlijk gezag over de minderjarige kinderen voortaan alleen aan de vrouw zal toekomen en is aan de man een kinderalimentatie van ƒ 250,- per maand per kind opgelegd, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en met ingang van de dag waarop het opgedragen gezag begint.

Op 20 september 2001 heeft de man de rechtbank te 's-Gravenhage verzocht - met wijziging van de beschikkingen van 22 januari 1997 en 14 november 1997 en uitvoerbaar bij voorraad - de aan de vrouw te betalen alimentatie ten laste van de man, met ingang van 1 september 2001 vast te stellen op nihil en de aan de vrouw te betalen kinderalimentatie ten laste van de man, met ingang van 1 september 2001 vast te stellen op ƒ 179,62 in totaal per maand en vanaf 1 oktober 2001 op ƒ 54,22 in totaal per maand, althans een bedrag door het rechtbank te bepalen. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd.

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de man afgewezen.

Hieronder zal het hof zonodig op hele bedragen afronden.

Ten aanzien van de man

De man is geboren op 7 augustus 1969. Hij is alleenstaand. Hij is gedeeltelijk arbeidsongeschikt en werkt gedeeltelijk als zelfstandig glazenwasser.

Ten aanzien van de vrouw

De vrouw is geboren op 14 februari 1965. Zij vormt met de kinderen van partijen een een-ouder-gezin. Zij is in loondienst als administrateur en werkt 24 uur per week. Per maand be-draagt haar inkomen € 1.361,- bruto, exclusief vakantietoeslag en dertiende maand. Zij is ziekenfondsverzekerd.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de ontvankelijkheid van zowel de man als de vrouw in het hoger beroep, respectievelijk incidenteel hoger beroep, en de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man om (kinder)alimentatie te betalen.

2. De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen conform het petitum van het inleidende verzoekschrift.

3. De vrouw bestrijdt zijn beroep en verzoekt incidenteel de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de kinderalimentatie ten laste van de man te verhogen tot

€ 200,- per maand per kind, met ingang van 1 juli 2002, althans een bijdrage boven de

€ 132,77 per maand per kind en een ingangsdatum te bepalen als het hof zal vermenen te behoren. De man verzet zich daartegen.

4. Ter ondersteuning van zijn beroep voert de man het volgende aan. De rechtbank heeft overwogen dat de man onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat een wijziging van omstandigheden heeft plaatsgevonden waardoor de beschikkingen van 22 januari 1997 en 14 november 1997 hebben opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Bij de beschikking van 22 januari 1997 is reeds uitgegaan van een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid bij de man, zodat deze arbeidsongeschiktheid thans geen wijziging van omstandigheden meer met zich meebrengt. In hoger beroep voert de man aan dat de wijziging vooral in zijn inkomen moet worden gezocht. Hij is nog wel deels actief als glazenwasser, en zijn inkomen daaruit is gedaald door de grote concurrentie.

Ten tijde van de beschikking van 14 november 1997 was de man in afwachting van de schadevergoedingsuitkering van ƒ120.000,-. Na ontvangst van dat bedrag is de man fysiek en psychisch ingestort, ook door de echtscheiding. Enige jaren heeft hij niet gewerkt. Hij had vermogen, dus geen recht op een WAZ-uitkering. Fysiek is hij nooit meer de oude geworden, merkte hij toen hij zijn werkzaamheden hervatte.

In de beschikking van 14 november (het hof leest: 22 januari) 1997 heeft de rechtbank volgens de man zijn inkomen gesteld op ƒ48.000,- per jaar. Daarin is ƒ12.000,- zwarte verdiensten meegenomen. De man weerspreekt dat hij deze verdiensten had. Zijn inkomen had gesteld moeten worden op ƒ36.000,-. Op grond daarvan is een redelijk hoge alimentatie vastgesteld, die hij eigenlijk niet kon betalen. Daardoor is hij op zijn vermogen ingeteerd.

5. De vrouw heeft ook een schadevergoeding ontvangen voor het ongeval waarvoor de man een schadevergoeding heeft ontvangen, en wel van ƒ 150.000,-. Zij genereert volgens de man inkomsten uit dit bedrag. De man vindt dat zij in eigen levensonderhoud kan voorzien, en dat zij geen behoefte heeft aan een bijdrage van zijn kant.

6. De vrouw meent dat de man in het geheel niet met een omzetdaling te maken heeft gehad. Partijen wonen beiden in Waddinxveen en de vrouw heeft kunnen constateren dat de man volledig werkt en ook altijd aan het werk is gebleven. De man heeft bovendien altijd veel "zwart" verdiend. De vrouw legt een alimentatieberekening over, waarbij zij betwist dat het inkomen van de man tot het daarin genoemde bedrag beperkt blijft. Daaruit blijkt volgens de vrouw dat de man de huidige alimentatieverplichtingen kan betalen.

7. De vrouw betwist dat zij geen behoefte aan alimentatie heeft. Haar vermogen is bijna op, zodat zij daaruit geen inkomen heeft. Bovendien verdient zij niet zoveel.

8. De vrouw is voorts van mening dat de kinderalimentatie te laag is. Gelet op hun leeftijd zijn de kinderen meer gaan kosten. Zij wenst een verhoging van de kinderalimentatie. De man meent dat de vrouw niet ontvankelijk is in dit verzoek tot verhoging van de kinderalimentatie. In een echtscheidingsprocedure kan een nevenvoorziening ook voor het eerst in appèl worden gevraagd, maar niet in een procedure tot wijziging van de alimentatie. De man wordt zo een instantie onthouden.

Mocht de vrouw ontvankelijk worden geacht, dan meent de man dat hij een te laag inkomen heeft om de kinderalimentatie te verhogen. Uit de voorlopige aanslag 2001 blijkt dat hij een inkomen had van ƒ22.075,-.

9. In de bestreden beschikking is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat er zich aan de zijde van de man geen wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan. De man heeft naar voren gebracht dat hij gedeeltelijk arbeidsongeschikt is geworden door een auto-ongeluk dat hij in 1988 heeft gehad. In de echtscheidingsbeschikking van 22 januari 1997 waarvan de man in eerste aanleg wijziging verzoekt is evenwel ook reeds van dit gegeven uitgegaan. Naar het oordeel van het hof is de rechtbank terecht tot voormelde conclusie gekomen. In hoger beroep voert de man aan dat de wijziging vooral gezocht dient te worden in de daling van zijn inkomen na 1997. In de echtscheidingsbeschikking is - zo leest het hof deze beschikking - uitgegaan van een inkomen van ƒ36.000,- in totaal, inclusief fiscaal niet verantwoorde inkomsten ter hoogte van ƒ12.000,-. Uit de voorlopige aanslag 2001 blijkt dat het inkomen van de man ƒ22.075,- bedroeg in dat jaar. Uit de stukken blijkt dat er in het glazenwassersbedrijf in zijn algemeenheid van moet worden uitgegaan dat ongeveer een derde van de inkomsten niet fiscaal wordt verantwoord. De man heeft betwist nog langer zwarte inkomsten te hebben, doch het hof acht dit, gelet op hetgeen hij daarover ten tijde van de echtscheidingsbeschikking heeft verklaard en gelet op het rapport van J.M. Heling en Partners dat zich bij het verweerschrift van de vrouw bevindt, niet aannemelijk. Het hof gaat er van uit dat de man inkomsten heeft (inclusief fiscaal niet verantwoorde inkomsten) in de orde van grootte als ten tijde van de echtscheidingsbeschikking. Dit brengt met zich mee dat de man in zijn inleidend verzoek niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

10. Voor wat betreft de stelling van de man dat de vrouw niet ontvankelijk is in haar bij verweerschrift ingestelde incidenteel appèl, oordeelt het hof als volgt. Het door de vrouw genoemde incidenteel appèl houdt geen appèl in, maar een zelfstandig verzoek. Aangezien de wet niet toelaat dat een zodanig verzoek voor het eerst in appèl wordt gedaan, dient de vrouw hierin niet ontvankelijk te worden verklaard.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw beschik-ken-de:

verklaart de man alsnog niet ontvankelijk in zijn inleidend verzoek;

verklaart de vrouw niet ontvankelijk in haar zelfstandig verzoek.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Pannekoek-Dubois, Dusamos en Gerretsen-Visser, bijge-staan door mr. Louwinger-Rijk als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 26 februari 2003.