Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AF9394

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-05-2003
Datum publicatie
03-06-2003
Zaaknummer
2200376002
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Cocaïnesmokkel m.b.v. bolletjesslikkers. 6 jaar gev. straf.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2, geldigheid: 2003-05-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummers 1100601702 en 1100512603 (ad informandum gevoegde zaken)

datum uitspraak 27 mei 2003

tegenspraak

GERECHTSHOF TE'S-GRAVENHAGE meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Dordrecht van 30 augustus 2002 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam]

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 13 mei 2003.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie gewijzigd.

Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën gevoegd in dit arrest.

3. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte terzake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van voorarrest.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4. Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

5. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

dat hij op meerdere tijdstippen gelegen in de periode van november 2001 tot en met 12 april 2002 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en te Rotterdam en te Dordrecht en te Curaçao (Nederlandse Antillen), tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht hoeveelheden cocaïne, te weten

- op 8 februari 2002 145 bolletjes ([slikker 1]) en 100 bolletjes ([slikker 2]) cocaïne (zaak 2)en

- op 18 maart 2002 107 bolletjes (ongeveer 1035 gram, [slikker 3]) en 101 bolletjes (ongeveer 940 gram, [slikker 1]) cocaïne (zaak 3) en

- op 18 maart 2002 109 bolletjes ([slikker 2]) cocaïne (zaak 4)

zijnde cocaïne telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

6. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en

omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

7. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

primair: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

8. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

9. Strafmotivering

De advocaat-generaal mr. Van der Horst heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte terzake van het primair tenlastegelegde en de door verdachte bekende feiten welke ad informandum zijn gevoegd (zie hierna) zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft samen met anderen gedurende een aantal maanden vanuit Curaçao per vliegtuig cocaïne in Nederland ingevoerd. Verdachte heeft deze cocaïne laten invoeren door personen tegen betaling te verleiden grote hoeveelheden bolletjes, gevuld met cocaïne in het lichaam te vervoeren. Gebleken is dat de bolletjes tussen de 5 en 8 gram cocaïne netto per bolletje bevatten. Uitgaande van dit gewicht is door het handelen van verdachte en zijn mededaders in een periode van vijf maanden een hoeveelheid van tussen 12 en 14 kilo cocaïne in Nederland ingevoerd.

Het opzettelijk invoeren van harddrugs is een ernstig feit. Het brengt schade toe aan de volksgezondheid omdat het invoeren en op de markt brengen van harddrugs drugsverslaving in stand houdt en stimuleert. De verkoop van deze middelen brengt bovendien ook anderszins maatschappelijk onaanvaardbare gevolgen, onder meer het plegen van strafbare feiten, met zich. Daarnaast lopen degenen die de bolletjes cocaïne in hun lichaam meedragen levensgevaarlijke risico's en is de mogelijkheid, dat tijdens de vlucht ernstige problemen ontstaan doordat "bolletjesslikkers" ziek worden geenszins denkbeeldig.

Deze risico's heeft verdachte anderen -de slikkers- laten lopen uit eigenbelang.

Het hof rekent het verdachte zwaar aan dat hij zich uitsluitend heeft laten leiden door eigenbelang om financiële middelen te verwerven om zich in de Verenigde Staten te laten behandelen aan zijn lichamelijke handicap (verdachte is als gevolg van een schietincident in 1994 vanaf zijn middel verlamd).

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister, eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Bij de bepaling van de hoogte van de straf heeft het hof rekening gehouden met het feit dat de detentie voor de verdachte tengevolge van zijn lichamelijke handicap door hem als extra zwaar wordt ervaren.

AD INFO ZAKEN

Ter terechtzitting in hoger beroep van 13 mei 2003 heeft de raadsman namens verdachte het volgende naar voren gebracht:

bij vonnis van de rechtbank Dordrecht in onderwerpelijke zaak is het openbaar ministerie om in het vonnis vermelde redenen niet ontvankelijk verklaard in de vervolging van de feiten bekend als de zaken 5, 6, 7, 10, 11, 13 en 14 als vermeld op de door de officier van justitie ingediende nadere vordering ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. Op 20 mei 2003 zal verdachte zich voor deze feiten alsnog dienen te verantwoorden bij de rechtbank te Dordrecht onder parketnummer 1100512603. Verdachte, aldus de raadsman, wenst een bekentenis af te leggen ten aanzien van deze feiten en de raadsman verzoekt het hof dringend in het belang van zijn cliënt, die de druk van nóg een rechtszaak niet aan zou kunnen, de mogelijkheid te bezien deze feiten ad informandum te betrekken in de onderhavige strafzaak in hoger beroep.

De advocaat-generaal -gehoord de officier van justitie in Dordrecht- heeft het verzoek van de raadsman ondersteund met de mededeling, dat de officier van justitie de door hem reeds uitgebrachte dagvaarding voor 20 mei 2003 zal intrekken indien het hof overeenkomstig het verzoek van de raadsman en op vordering van de advocaat-generaal zou beslissen, dat de feiten, bekend als de zaken 5, 6, 7, 10, 11, 13 en 14 ad informandum bij de onderhavige zaak worden gevoegd.

Het hof, van oordeel zijnde dat, mede gezien de door verdachte ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde bekentenis, aannemelijk is geworden dat verdachte hierna omschreven feiten, bekend als de zaken 5, 6, 7, 10, 11, 13 en 14, heeft gepleegd, besluit -mede gelet op hetgeen de raadsman namens zijn cliënt ter zitting heeft verklaard- voornoemde feiten ad informandum te voegen in de onderhavige strafzaak en mede te betrekken bij de op te leggen straf. Het betreft de volgende feiten:

"dat verdachte op één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van november 2001 tot en met

12 april 2002 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of te Rotterdam en/of te Dordrecht, in elk geval in Nederland en/of te Curaçao (Nederlandse Antillen), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (een) hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, te weten

zaak 5:

- in of omstreeks de periode van 12 januari 2002 tot en met 26 januari 2002 ongeveer 100 bolletjes

([slikker 3]) en/of ongeveer 100 bolletjes ([slikker 4]) cocaïne en/of

zaak 6:

- in of omstreeks de periode van 28 januari 2002 tot en met 7 februari 2002 ongeveer 100 bolletjes

([slikker 3]) en/of ongeveer 100 bolletjes ([slikker 4]) cocaïne en/of

zaak 7:

- in of omstreeks de periode van 17 februari 2002 tot en met 25 februari 2002 ongeveer 100 bolletjes

([slikker 3]) en/of ongeveer 100 bolletjes ([slikker 4]) cocaïne en/of

zaak 10:

- op of omstreeks 3 april 2002 ongeveer 700 gram ([slikker 4]) cocaïne en/of

zaak 11:

- op of omstreeks 12 april 2002 110 bolletjes (ongeveer 800 gram, [slikker 5]) cocaïne en/of

zaak 13:

- in of omstreeks de maand november 2001 ongeveer 100 bolletjes ([slikker 1]) cocaïne en/of

zaak 14:

- in of omstreeks de maand december 2001 ongeveer 100 bolletjes ([slikker 1]) cocaïne,

zijnde cocaïne (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I".

Het hof heeft op deze feiten acht geslagen bij de beslissing over de straf zoals hiervoor overwogen.

Het is er daarbij vanuit gegaan dat de verdachte terzake van die feiten niet afzonderlijk zal worden vervolgd.

Het hof is van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te melden duur een passende reactie vormt.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ZES JAREN.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mrs. Den Os, Gerritzen en Filippini, in bijzijn van de griffier Van der Schalk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 27 mei 2003.