Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AF9365

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-01-2003
Datum publicatie
03-06-2003
Zaaknummer
395-M-02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 15 januari 2003

Rekestnummer : 395-M-02

Rekestnr. rechtbank : 15/01

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[man],

wonende te Vlissingen,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. W. Taekema,

tegen

[vrouw],

wonende te Vlissingen,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. E.M.H. Alkemade.

PROCESVERLOOP

De man is op 10 juni 2002 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van de rechtbank te Middelburg van 13 maart 2002.

De vrouw heeft op 8 oktober 2002 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 17 september 2002 en op 23 oktober 2002 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof aanvullende stukken ingekomen bij brief van 25 november 2002.

Op 4 december 2002 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door mr. P. Buijs, advocaat te Vlissingen en de namens de vrouw: mr. M.P. Kapteijn, advocate te Middelburg. De vrouw is niet in persoon versche-nen. De man heeft ter terechtzitting grief 1 ingetrokken.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de partijen het volgende vast.

De man en de vrouw zijn op 28 oktober 1987 met elkaar gehuwd. Zij hebben samen nog minderjarige kinderen. Na echtscheiding oefenen zij samen het gezag uit over die kinderen, die krachtens de bestreden echtscheidingsbeschikking hun hoofdverblijf bij de man hebben.

Op 8 januari 2001 heeft de man bij de rechtbank te Middelburg een verzoek tot echtscheiding met nevenverzoeken ingediend. De vrouw heeft (onder meer) zelfstandig verzocht om een alimentatie van de man van ƒ 1.385,- per maand. De man heeft tegen het alimentatieverzoek verweer gevoerd.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank tussen de partijen de echtscheiding uitgesproken en (onder meer) ten laste van de man de alimentatie voor de vrouw - uitvoerbaar bij voorraad - bepaald op € 336,- per maand, met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand .

De echtscheidingsbeschikking is op 21 juni 2002 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Ten aanzien van de vrouw

De vrouw is geboren op 3 juli 1963. Zij exploiteert een boetiek. Het netto resultaat van de boetiek bedroeg volgens de jaarstukken: in 1997 ƒ 13.817,- (negatief), in 1998 ƒ 37.133,-, in 1999 ƒ 46.760,-, in 2000 ƒ 28.674,- en in 2001 € 27.417,- (negatief).

Aan haar is met ingang van 1 april 2002, voor een periode van maximaal 6 maanden een bijstandsuitkering verstrekt in de vorm van een renteloze geldlening tot (uiterlijk) 1 oktober 2002.

BEOORDELING

1. In geschil zijn ten aanzien van de alimentatie voor de vrouw, de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking, voor wat betreft de alimentatie voor de vrouw, te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het inleidende verzoek van de vrouw te dien aanzien alsnog af te wijzen. De vrouw bestrijdt zijn beroep.

De behoefte van de vrouw

3. De man meent dat de vrouw in haar eigen levensonderhoud kan voorzien uit de inkomsten van haar boetiek, zodat zij geen behoefte heeft aan aanvullende alimentatie. Hij wijst erop dat de kortlopende schulden van de boetiek niet meer op de boetiek rusten, nu deze - zoals afgesproken in het kader van de verdeling - zijn afgelost. Hij meent dat het door de vrouw overgelegde adviesrapport van IMK Intermediair van 10 oktober 2002 (verder: IMK rapport) is opgemaakt op basis van onvolledige gegevens en wijst erop dat er bij de prognoses is uitgegaan van aanzienlijke privé-onttrekkingen. Hij meent dat de boetiek goede vooruitzichten heeft en dat de vrouw altijd een goed inkomen heeft gehad uit haar boetiek. Een omzet van € 100.000,- en een goede winstmarge heeft de vrouw volgens de man altijd behaald, met uitzondering van het jaar 2001, dat een dipjaar was, omdat de boetiek in dat jaar enkele maanden gesloten is geweest. Hij merkt voorts op dat de resultaten over 2001 geen indicatie geven voor de toekomstige resultaten. Hij verwacht dat de resultaten van de boetiek over 2002 weer beter zullen zijn, omdat de boetiek in dat jaar regulier geopend is geweest en de boetiek druk bezocht is geweest. Hij stelt dat de inzet van de vrouw bepalend is voor het behalen van een goed bedrijfsresultaat.

4. De vrouw verwijst, bij monde van haar advocate, naar het IMK rapport en stelt dat de boetiek niet meer levensvatbaar is. De financieel economische kennis van de vrouw zou ontoereikend zijn en het assortiment zou moeten worden aangepast. De advocate kon namens de vrouw geen antwoord geven op 's hofs vraag of de vrouw er nooit aan heeft gedacht om de boetiek te beëindigen en een betrekking in loondienst te zoeken. De vrouw zou zich volgens haar advocate erg voor de boetiek hebben ingezet en de boetiek graag hebben willen behouden. Na het uitbrengen van het IMK rapport zou de vrouw daar wellicht een ander idee over hebben. De procureur stelt namens de vrouw dat het vermogen dat de vrouw uit de verdeling heeft ontvangen in de boetiek is geïnvesteerd.

5. Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de vrouw behoefte heeft aan aanvullende alimentatie van de man.

In het geval de visie van de man juist is en de boetiek goede vooruitzichten biedt, mits de vrouw zich voldoende voor haar zaak inspant, is het afhankelijk van die inspanningen van de vrouw of de resultaten van de boetiek de vrouw in staat stellen in haar eigen levensonderhoud te voorzien. In dit geval heeft de vrouw geen aanvullende alimentatiebehoefte.

Ook in het geval de visie van de vrouw juist is en de boetiek niet levensvatbaar is heeft de vrouw geen behoefte aan aanvullende alimentatie. In dit geval had de vrouw immers op de kortst mogelijke termijn haar bedrijfsactiviteiten dienen te staken en betaald werk in loondienst of anderszins betaald werk bij derden dienen te zoeken. Niet gesteld, gebleken of aannemelijk is dat de vrouw - gelet op haar zeer ruime ervaring met en kennis van de modewereld - niet door het verrichten van door derden betaalde werkzaamheden, al dan niet in loondienst, in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.

Nu de behoefte van de vrouw aan een aanvullende alimentatie niet aannemelijk is, is er voor de vaststelling van die alimentatie geen ruimte meer. De draagkracht van de man behoeft derhalve geen beoordeling meer.

6. Het hof zal het zelfstandige verzoek van de vrouw tot vaststelling van alimentatie alsnog afwijzen. Nu echter de man steeds aan zijn betalingsverplichtingen op basis van de bestreden beschikking heeft voldaan en de alimentatie ziet op consumptieve bestedingen, zal het hof bepalen dat de vrouw de door de man op basis van de bestreden beschikking reeds betaalde bedragen niet aan hem zal behoeven terug te betalen.

7. Uit dit alles volgt dat de bestreden beschikking moet worden vernietigd voorzover die de alimentatie voor de vrouw betreft.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zo-ver die de alimentatie voor de vrouw betreft en, in zoverre opnieuw beschik-ken-de:

wijst het zelfstandige verzoek van de vrouw dienaangaande alsnog af;

bepaalt dat de vrouw de door de man op basis van de bestreden beschikking reeds betaalde bedragen niet aan hem zal behoeven terug te betalen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voor-raad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Pannekoek-Dubois, Dusamos en Ydema, bijge-staan door mr. Oostveen als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 15 januari 2003.