Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AF9267

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-05-2003
Datum publicatie
28-05-2003
Zaaknummer
2200274202
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDOR:2002:AE3830
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 289, geldigheid: 2003-05-28
Wetboek van Strafrecht 312, geldigheid: 2003-05-28
Wetboek van Strafrecht 47, geldigheid: 2003-05-28
Wetboek van Strafrecht 57, geldigheid: 2003-05-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

rolnummer 2200274202

parketnummer 1100632901

datum uitspraak 28 mei 2003

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Dordrecht van 7 juni 2002 in de strafzaak tegen de verdachte:

[ ],

geboren te [ ] op [ ],

wonende te [ ],

thans gedetineerd in [ ] te [ ].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 30 januari 2003, 24 april 2003, 14 mei 2003 en 15 mei 2003.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair tenlastegelegde vrijgesproken en terzake van het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 subsidiair en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf, waarbij de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen zijn toegewezen en schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van de benadeelde partijen zijn opgelegd, een en ander als nader in het vonnis omschreven.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

Hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen.

De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

Bewijsoverweging

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat:

a. in de woning waar de beroving plaatsvond, tussen de verdachten [ ] en [ ] een gesprek heeft plaatsgevonden over het voornemen om de in de woning aanwezigen af te schieten, omdat "de gezichten van de verdachten waren gezien", waarna enige tijd later verdachte [ ] de fatale schoten heeft gelost;

b. de verdachte [ ] in de periode voorafgaand aan de overval een en andermaal in het bijzijn van [ ] en (eenmaal) [ ] te kennen heeft gegeven dat een of meer mensen bij de beroving zou(den) worden afgeschoten.

Op grond van deze feiten acht het hof voorbedachte raad ten aanzien van de onder 1 t/m 3 tenlastegelegde feiten bewezen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

1 primair, 2 primair en 3 primair: Medeplegen van moord, meermalen gepleegd;

4: Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het hof is van oordeel dat de onder 1 t/m 3 (telkens primair) bewezenverklaarde feiten dienen te worden gekwalificeerd als "meermalen gepleegd", aangezien zij opleveren het meermalen veroorzaken van het in de wet omschreven gevolg, te weten de levensberoving van een ander.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal mr. Van Es heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte terzake van het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken en terzake van het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 subsidiair en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf, met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [ ] tot een bedrag van € 1.089,07, alsmede oplegging van een schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [ ] tot een derde van dat bedrag, toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [ ] tot een bedrag van € 15.000,=, alsmede oplegging van een schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [ ] tot een derde van dat bedrag, toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [ ] tot een bedrag van € 14.687,05, alsmede oplegging van een schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [ ] tot een derde van dat bedrag en met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [ ] tot een bedrag van € 20.634,02, alsmede oplegging van een schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [ ] tot een derde van dat bedrag.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte en zijn mededaders hebben hun slachtoffer [ ] in zijn woning beroofd en daarna drie in de woning aanwezige personen om het leven gebracht. Dat het er niet tenminste vier zijn geworden is louter te danken aan het feit dat [ ] kans gezien heeft tijdig te ontsnappen. Het enkele feit dat de drie dodelijke slachtoffers in de woning van [ ] aanwezig waren, heeft hen het leven gekost.

De beroving was goed voorbereid. Van tevoren hadden verdachte en zijn mededaders de uitvoering gezamenlijk besproken en werden de benodigde attributen, zoals tie-wraps, tape en handschoenen aangeschaft. Voor wat betreft de tie-wraps was het aantal afgestemd op drie personen, te weten [ ], zijn vrouw en zijn dochter.

De avond tevoren zijn verdachte en zijn mededaders naar Dordrecht gereden om de woning te verkennen. Verdachte is met één van zijn mededaders naar binnen gegaan. Hierna werd met [ ] telefonisch de afspraak gemaakt om de volgende dag terug te keren om een Playstation spelcomputer om te laten bouwen.

Op 23 november 2001 zijn verdachte en zijn mededaders wederom naar Dordrecht gereden, deze keer om de plannen uit te voeren. Verdachte en één van zijn mededaders hadden beiden een vuurwapen meegenomen, waarvan in ieder geval vaststaat dat één van die wapens geladen was. Kort nadat zij door [ ] in de woning waren binnengelaten hebben verdachte en zijn mededaders de beraamde beroving ten uitvoer gebracht. Ieder van hen heeft hierbij een actieve rol vervuld, niemand liet zich onbetuigd.

[ ], zijn stiefdochter en haar vriend moesten onder bedreiging van een vuurwapen op de grond gaan liggen, hun handen werden op de rug gebonden met tie-wraps of tape en hun mond werd afgeplakt met tape, terwijl de vriendin van [ ] eveneens werd vastgebonden en evenzo werd haar mond afgeplakt. [ ] en [ ] kregen ook nog een krant over hun hoofd gelegd.

De woning werd ondertussen doorzocht en [ ] werd van zijn geld en sieraden ontdaan.

Verdachte heeft in ieder geval een Playstation-II spelcomputer meegenomen en bij zich gehouden.

[ ] is niet de enige die de beroving heeft overleefd. Onwetend van hetgeen zich op dat moment in de woning afspeelde lag de 11-jarige [ ] in haar slaapkamer te slapen. Toen zij op enig moment wakker werd en haar slaapkamerdeur opende werd zij geconfronteerd met een beeld dat naar alle waarschijnlijkheid voor altijd op haar netvlies gegrift staat. Een traumatischer ervaring in haar nog jonge leven is nauwelijks denkbaar. Ook deze omstandigheid wordt verdachte en zijn mededaders zeer zwaar aangerekend.

De verdachte en zijn mededaders hebben zich schuldig gemaakt aan een drievoudige moord, waarbij de 39-jarige [ ], haar 16-jarige dochter [ ] en [ ], de evenoude vriend van [ ], om het leven zijn gebracht, uitsluitend omdat zij toen in de woning van [ ] waren. Met deze misdrijven is op brute en volstrekt zinloze wijze aan deze drie mensen hun kostbaarste bezit, het leven, ontnomen en is aan de nabestaanden van de slachtoffers onherstelbaar leed toegebracht. Een dergelijke drievoudige moord draagt een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter en brengt daarnaast bij de burgers gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.

Het hof heeft kennisgenomen van de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die naar voren zijn gekomen uit het onderzoek ter terechtzittingen, onder meer uit het rapport van de psycholoog H.S.M. Weber, alsmede het voorlichtingsrapport van de reclassering. Blijkens het Uittreksel Algemeen Documentatie-register is verdachte eerder met justitie in aanraking gekomen.

Ter terechtzitting van het hof is in geen enkel opzicht aannemelijk geworden dat verdachte spijt heeft van de uiterst brute wijze waarop aan het leven van drie onschuldige mensen een eind is gemaakt, integendeel, hij heeft er alles aan gedaan om zijn aandeel daarin te bagatelliseren en (mede daardoor) het beeld bevestigd dat uit de psychologische rapportage over hem naar voren komt, te weten van iemand met weinig inlevingsvermogen, die er vooral op uit is de plooien in zijn eigen leven glad te strijken.

De uitzonderlijke ernst van de feiten op zichzelf rechtvaardigt alleen het opleggen van een levenslange gevangenisstraf. Het hof heeft in hetgeen naar voren is gekomen omtrent de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte noch in zijn opstelling tijdens het strafproces aanknopingspunten gevonden voor een andere beslissing. Derhalve zal voormelde straf worden opgelegd.

Verweer

Door de raadsman van verdachte is nog aangevoerd dat het opleggen van een levenslange gevangenisstraf in strijd is met de artikelen 3 en 5 lid 4 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, nu sprake is van een onmenselijke bestraffing en voorts geen sprake is van periodieke toets door een rechterlijke controle-instantie die toetst of de gronden die destijds hebben geleid tot vrijheidsbeneming nog aanwezig zijn.

Het hof verwerpt dit verweer en verwijst daarbij naar de mogelijkheid van gratie en kort geding (H.R. 9 maart 1999, N.J. 1999, nr. 435). Het door de verdediging genoemde arrest van 1 juni 1999, N.J. 1999, 565 en de gestelde aanscherping van de gratiewet - wat daar verder van zij - doen daaraan niet af.

Ook thans bestaat nog onverkort de mogelijkheid om: a) te allen tijde door middel van een gratieverzoek te doen toetsen of een situatie is ontstaan waarin met de verdere tenuitvoerlegging van de straf geen enkel in ons strafrecht erkend doel in redelijkheid meer wordt gediend; b) in kort geding de Staat aan te spreken, indien veroordeelde de mening is toegedaan dat de executie van de (levenslange) gevangenisstraf - op welke grond dan ook - niet langer als rechtmatig kan worden beoordeeld.

Voorts heeft de raadsman, voor het geval het hof niet reeds op grond van het hiervoor gevoerde verweer van mening is dat het opleggen van een levenslange gevangenisstraf in strijd is met voornoemde artikelen van het E.V.R.M., uitdrukkelijk verzocht de behandeling van de zaak aan te houden teneinde onderzoek te doen naar een drietal door hem in zijn pleitnota genoemde onderwerpen.

Het hof wijst, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dit verzoek af nu van de noodzakelijkheid van een dergelijk onderzoek niet is gebleken. Wat er zij van het aantal malen dat toetsing in het verleden tot het door een veroordeelde beoogde resultaat heeft geleid, de hiervoor genoemde toetsingsmogelijkheden dienen naar het oordeel van het hof als reële mogelijkheden te worden beschouwd.

Vorderingen tot schadevergoeding

De verdachte heeft de hoogte van de vorderingen van de benadeelde partijen weliswaar niet betwist, maar dit laat onverlet dat het hof ingevolge artikel 361 van het Wetboek van Strafvordering gehouden is de vorderingen ambtshalve te toetsen.

A. In het onderhavige strafproces heeft [ ] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 3 tenlastegelegde tot een bedrag van

fl. 2.400,= omgerekend € 1.089,07.

In hoger beroep is deze vordering wederom aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde bedrag.

De verdachte heeft de hoogte van de vordering van de benadeelde partij niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij [ ] aangetoond dat de gestelde schade is geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het ten laste van de verdachte onder 1 en 3 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Gelet op de gezamenlijke aansprakelijkheid van verdachte en zijn mededaders geldt dat verdachte gehouden is tot betaling van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voorzover het te betalen bedrag door de mededaders of een van hen aan de benadeelde partij zal zijn betaald, de verdachte zal zijn bevrijd.

Het vorenstaande brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij [ ] tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

B. In het onderhavige strafproces heeft [ ] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden shockschade als gevolg van het aan de verdachte onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde tot een bedrag van

€ 15.000,=.

In hoger beroep is deze vordering wederom aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde bedrag.

Naar het oordeel van het hof is de vordering van de benadeelde partij [ ] niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het onderhavige strafproces, gelet op de vraag of en in hoeverre deze schade het rechtstreekse gevolg in de zin van artikel 361 van het Wetboek van Strafvordering is van het ten laste van de verdachte onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde en op de vragen die zich rond zogenaamde shockschade laten stellen.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij [ ] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding. De benadeelde partij kan deze slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het vorenstaande brengt mee, dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof begroot op nihil.

C. In het onderhavige strafproces heeft [ ] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 tenlastegelegde tot een bedrag van

fl. 32.366,= omgerekend € 14.687,05.

In hoger beroep is deze vordering wederom aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde bedrag.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij [ ] onweersproken aangetoond dat in ieder geval tot een bedrag van fl. 8.193,= omgerekend € 3.717,82 schade is geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het ten laste van de verdachte onder 2 bewezenverklaarde.

De vordering van de benadeelde partij [ ] zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen.

Gelet op de gezamenlijke aansprakelijkheid van verdachte en zijn mededaders geldt dat verdachte gehouden is tot betaling van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voorzover het te betalen bedrag door de mededaders of een van hen aan de benadeelde partij zal zijn betaald, de verdachte zal zijn bevrijd.

Voor het overige acht het hof de vordering van de benadeelde partij [ ] niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het onderhavige strafproces.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij [ ] voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en deze in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Het vorenstaande brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij [ ] tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

D. In het onderhavige strafproces heeft [ ] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1, 3 en 4 tenlastegelegde tot een bedrag van

€ 20.634,02.

In hoger beroep is deze vordering wederom aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde bedrag.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij [ ] aangetoond dat in ieder geval tot een bedrag van

€ 3.044,80 schade is geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het ten laste van de verdachte onder 1, 3 en 4 bewezenverklaarde.

De vordering van de benadeelde partij [ ] zal gelet op de door het hof bewezenverklaarde en gekwalificeerde feiten tot dat bedrag worden toegewezen.

Gelet op de gezamenlijke aansprakelijkheid van verdachte en zijn mededaders geldt dat verdachte gehouden is tot betaling van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voorzover het te betalen bedrag door de mededaders of een van hen aan de benadeelde partij zal zijn betaald, de verdachte zal zijn bevrijd.

Voor het overige acht het hof de vordering van de benadeelde partij [ ], gelet op de civielrechtelijke vragen die rijzen rond dit deel van de vordering niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het onderhavige strafproces.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij [ ] voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en deze in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Het vorenstaande brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij [ ] tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de strafbare feiten is toegebracht, zal het hof tevens aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van:

- een bedrag van € 363,02 ten behoeve van [ ],

- een bedrag van € 1.239,27 ten behoeve van [ ] en

- een bedrag van € 1.014,93 ten behoeve van [ ].

Het hof heeft in de omstandigheid dat twee mededaders, te weten [ ] en [ ], bij de onderhavige feiten betrokken waren, aanleiding gezien de maatregel telkens te beperken tot 1/3 deel van de hiervoor onder A, C en D genoemde bedragen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 36f, 47, 57, 289, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte terzake van het bewezenverklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot LEVENSLANGE GEVANGENISSTRAF.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [ ], tot het gevorderde bedrag van EENDUIZENDNEGENENTACHTIG EURO EN ZEVEN EUROCENT en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan die benadeelde partij, met dien verstande dat indien en voorzover het te betalen bedrag door de mededaders of een van hen aan de benadeelde partij zal zijn betaald, de verdachte zal zijn bevrijd.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij [ ] in verband met zijn vordering heeft gemaakt -welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil- en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van DRIEHONDERDDRIEENZESTIG EURO EN TWEE EUROCENT ten behoeve van [ ], welk bedrag bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door hechtenis voor de tijd van ZEVEN DAGEN.

Verklaart de benadeelde partij [ ] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering tot schadevergoeding slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt de benadeelde partij [ ] in de kosten die de verdachte in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft gemaakt, welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [ ], tot een bedrag van DRIEDUIZENDZEVENHONDERDZEVENTIEN EURO EN TWEEËNTACHTIG EUROCENT en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij, met dien verstande dat indien en voorzover het te betalen bedrag door de mededaders of een van hen aan de benadeelde partij zal zijn betaald, de verdachte zal zijn bevrijd.

Verklaart de benadeelde partij [ ] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering tot schadevergoeding in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij [ ] in verband met zijn vordering heeft gemaakt -welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil- en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van EENDUIZENDTWEEHONDERDNEGENENDERTIG EURO EN ZEVENENTWINTIG EUROCENT ten behoeve van

[ ], welk bedrag bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door hechtenis voor de tijd van VIERENTWINTIG DAGEN.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [ ], ten kantore van zijn advocaat, tot een bedrag van DRIEDUIZEND-VIERENVEERTIG EURO EN TACHTIG EUROCENT en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij, met dien verstande dat indien en voorzover het te betalen bedrag door de mededaders of een van hen aan de benadeelde partij zal zijn betaald, de verdachte zal zijn bevrijd.

Verklaart de benadeelde partij [ ] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering tot schadevergoeding in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij [ ] in verband met zijn vordering heeft gemaakt -welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil- en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van EENDUIZENDVEERTIEN EURO EN DRIEËNNEGENTIG EUROCENT ten behoeve van [ ], ten kantore van zijn advocaat, welk bedrag bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door hechtenis voor de tijd van TWINTIG DAGEN.

Bepaalt dat volledige voldoening aan de maatregel telkens de toegewezen vordering van de betreffende benadeelde partij voor dat gedeelte doet vervallen en (omgekeerd) de vergoeding van de geleden schade tot het toegewezen bedrag door verdachte, zijn mededader(s) en/of derden de opgelegde maatregel doet vervallen.

Dit arrest is gewezen door mrs. Verheij, Wurzer en Van der Putten-Göbbels, in bijzijn van de griffier Dikshoorn.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 28 mei 2003.

Bewezenverklaring

1. hij op 23 november 2001 te Dordrecht tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachte rade [...] van het leven heeft beroofd, immers heeft een van zijn mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg genoemde […] met een vuurwapen een kogel in het hoofd geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [...] is overleden;

2. hij op 23 november 2001 te Dordrecht tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachte rade [...] van het leven heeft beroofd, immers heeft een van zijn mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg genoemde […] met een vuurwapen een kogel in het hoofd geschoten, tengevolge waarvan voornoemde […] is overleden;

3. hij op 23 november 2001 te Dordrecht tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachte rade [...] van het leven heeft beroofd, immers heeft een van zijn mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg genoemde [...] met een vuurwapen een kogel in het hoofd geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [...] is overleden;

4. hij op 23 november 2001 te Dordrecht tezamen en in vereniging met anderen in een woning gelegen aan de [...]straat, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag (van ongeveer NLG 700,--) gouden sierraden, en een spelcomputer (Playstation II) en een zakje inhoudende NEO-2 chips en een aantal condensors en ongeveer 33 tapes (merk Sony) en een aantal briljantjes en diamantjes toebehorende aan [...] en/of aan [...] en/of aan [...] welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen genoemde […], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s):

- een vuurwapen heeft/heben gericht op het hoofd van die [...] en

- tegen die [...] heeft/hebben gezegd dat hij, [...], niet moest gillen en dat hij, [...], moest doen wat hem werd gezegd en

- die [...] heeft/hebben gezegd dat hij, [...], op zijn buik op de grond moest gaan liggen en (daarbij) zijn handen op de rug moest houden en

- de polsen van die [...] heeft/hebben vastgebonden en

- de mond van die [...] heeft/hebben afgeplakt met tape