Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AF9032

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-05-2003
Datum publicatie
22-05-2003
Zaaknummer
565-H-02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak : 7 mei 2003

Rekestnummer : 565-H-02

Rekestnr. rechtbank : 01-1451

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[moeder],

wonende te Luttelgeest,

verzoekster, tevens inciden-teel verweer-ster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. R.A.M. Kamphuis-Jansen van Rosendaal,

Als belanghebbende is aangemerkt:

[vader],

wonende te Rotterdam,

verweerder, tevens inciden-teel verzoe-ker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. H.J.A. Knijff.

PROCESVERLOOP

De moeder is op 9 augustus 2002 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van de rechtbank te 's-Gravenhage van 14 mei 2002.

De vader heeft op 3 januari 2003 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appèl ingediend.

De moeder heeft op 17 februari 2003 een verweerschrift op het incidenteel appèl ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof aanvullende stukken ingekomen bij brieven van 3 september 2002, 20 december 2002 en 13 februari 2003.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof aanvullende stukken ingekomen bij brief van 26 februari 2003

Op 7 maart 2003 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar procureur en de vader, bijgestaan door mr. P.H.Ch.M. van Swaaij, advocaat te Rotterdam.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de ouders het volgende vast.

Uit het op 22 juni 1999 door echtscheiding ontbonden huwelijk van de ouders zijn de volgende nog minderjarige kinderen geboren:

[dochter], geboren op 6 juli 1992,

[zoon] geboren op 5 april 1995, hierna te noemen de kinderen.

De ouders hebben gezamenlijk het gezag over de kinderen, die bij de moeder verblijven.

Bij de echtscheidingsbeschikking van 4 juni 1999 heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch (onder meer) de kinderalimentatie ten laste van de vader vastgesteld op ƒ 277,77 per maand per kind met bepaling dat de man het verschuldigde over een periode van drie jaar ineens voldoet door betaling van ƒ 20.000,-.

Op 6 maart 2001 heeft de moeder de rechtbank te 's-Gravenhage verzocht - met wijziging van de beschikking van 4 juni 1999 - de aan de moeder te betalen kinderalimentatie ten laste van de vader, met ingang van 1 januari 2001, vast te stellen op ƒ 750,- per maand per kind, zulks bij vooruitbetaling te voldoen. De vader heeft tegen dit inleidende verzoek verweer gevoerd en het zelfstandig verzoek gedaan de tussen partijen gesloten overeenkomst betreffende de kinderalimentatie en/of de beschikking van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 4 juni 1999 aldus te wijzigen dat de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen met ingang van 1 juli 2001 op nihil zal worden gesteld. Voorts verzoekt de man te bepalen dat de vrouw binnen 14 dagen na de beschikking van de rechtbank een bedrag van ƒ 4.036,32 wegens onverschuldigd betaalde alimentatie betreffende de periode na 1 juli 2001 aan de man dient te voldoen. Tevens verzoekt hij te bepalen dat de vrouw gegevens betreffende haar inkomsten en vermogen in het geding dient te brengen indien de man na 1 juli 2001 in staat zou zijn enige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te betalen om zodoende de bijdrage vast te stellen naar rato van het inkomen en vermogen van de partijen.

Bij de bestreden beschikking is - met wijziging van de beschikking van 4 juni 1999 en uitvoerbaar bij voorraad - de kinderalimentatie ten laste van de vader over de periode van 15 maart 2001 tot 11 juni 2001 bepaald op ƒ 260,- (€ 117,98) per maand per kind, over de periode 11 juni 2001 tot 2 juli 2001 bepaald op ƒ 387,- (€ 175,61) per maand per kind en vanaf 2 juli 2001 op € 83,- ( ƒ 182,91) per maand per kind.

Hieronder zal het hof zonodig op hele bedragen afronden.

Ten aanzien van de vader

De vader is geboren op 7 december 1951. Sinds 2 juli 2001 woont de vader samen met zijn nieuwe partner en haar drie kinderen. Hij is in loondienst als spaaradviseur. Zijn inkomen uit loondienst bedraagt, volgens de jaaropgave van 2002, € 50.683,- bruto per jaar. Blijkens de salarisspecificatie van januari 2003 bedraagt zijn basisinkomen € 1.716,- bruto exclusief vakantietoeslag; daarnaast ontvangt de man maandelijks een provisie ( in januari 2003 een bedrag van € 1.042,- bruto). Hij is zie-kenfondsverzekerde. Zijn partner werkt twee ochtenden per week als alfa hulp en heeft daaruit een netto inkomen van € 100,- per week.

Van 15 maart 2001 tot 11 juni 2001 bedroeg het inkomen van de vader ƒ 3.562,- bruto per maand inclusief provisie en vakantietoeslag en in de periode 11 juni 2001 tot 2 juli 2001 bedroeg het inkomen ƒ 3.708,- exclusief vakantietoeslag en provisie. De vader heeft over de periode 11 juni 2001 tot en met 31 december 2001 een bedrag van ƒ 2.556,- aan provisie ontvangen.

De vader heeft de volgende maandlasten in 2002:

- € 187,- premie ziek-te-kosten-ver-zekering, werkgevers- en werk-nemersdeel;

- € 19,- aanvullende ziekenfondsverzekering

- € 5,- omgangskosten;

- € 7,- begrafenisverzekering.

Ten aanzien van de moeder

De moeder is geboren op 25 april 1964 en is opnieuw gehuwd op 19 juli 2001. Samen met de twee kinderen van partijen vormen zij een nieuw gezin. Sinds februari 2000 is de moeder arbeidsongeschikt en ontvangt ze een inkomen uit arbeidsongeschiktheidsuitkeringen

Haar echtgenoot voorziet in zijn eigen levensonderhoud.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen, en opnieuw beschikkende, te bepalen dat de vader een kinderalimentatie met terugwerkende kracht met ingang van 1 januari 2001, dan wel met ingang van zodanige datum als het hof juist acht, dient te betalen van € 350,- per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, dan wel een zodanig bedrag als het hof juist acht. Verder verzoekt zij de vader te veroordelen in de proceskosten.

2. De vader bestrijdt haar beroep en verzoekt in incidenteel appel vast te stellen en te verstaan dat ingevolge de door de rechtbank vastgestelde bedragen aan kinderalimentatie het door de vader teveel aan de moeder betaalde bedrag aan vooraf betaalde kinderalimentatie per 1 juli 2002 een bedrag van € 1.032,16 beloopt. Voorts verzoekt hij de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de overweging betreft dat het door de vader teveel betaalde bedrag niet aan de moeder behoeft te worden terugbetaald. Verder verzoekt de vader alsnog te bepalen dat hij dit bedrag mag verrekenen met toekomstige termijnen kinderalimentatie welke vervallen. De moeder verzet zich daartegen.

behoefte van de kinderen

3. Het hof is van oordeel dat de behoefte van de kinderen, zoals door de vader in eerste aanleg is berekend, door de moeder niet is bestreden, door de rechtbank is overgenomen en waartegen geen grief in hoger beroep is gericht, vast staat. Dit betekent dat de behoefte voor de twee kinderen in totaal € 1.615,- per maand bedraagt waarbij de moeder, gelet op haar inkomen, haar aandeel heeft berekend op in totaal € 278,- per maand.

De vader heeft terecht aangevoerd dat ook de stiefvader onderhoudsplichtig is jegens de kinderen, zodat ook hij verplicht is een deel van de kosten voor zijn rekening te nemen. De moeder heeft dit niet betwist, maar stelt dat de stiefvader al de helft van de woonlasten voor zijn rekening neemt en daarenboven onderhoudsplichtig is voor zijn eigen kinderen uit een eerder huwelijk. Nu de vrouw geen financiële informatie over de stiefvader heeft verstrekt, gaat het hof ervan uit, dat hij in staat is bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met 1/3e deel van de behoefte voor de twee kinderen, die het hof in totaliteit heeft berekend op € 1.615,- per maand. De moeder is niet in staat het 1/3e deel van de totale kosten van de kinderen te voldoen, doch maximaal € 278,- per maand. Mede gelet op de bijzondere verhouding, waarin ieder der onderhoudsplichtigen staat jegens de kinderen, acht het hof het redelijk dat de vader in die ontbrekende € 260,- voorziet, zodat zijn aandeel in de kosten van de kinderen in redelijkheid kan worden gesteld op € 800,- per maand.

draagkracht van de vader

4. Het hof zal, voor wat betreft de draagkracht, ingaan op de door de rechtbank onderscheiden periodes.

4.1 met betrekking tot de perioden 15 maart 2001 tot 11 juni 2001 en van 11 juni 2001 tot 2 juli 2001

Het hof is van oordeel dat in de perioden 15 maart 2001 tot 11 juni 2001 en van 11 juni 2001 tot 2 juli 2001, waarin de vader alleenstaand was en vanaf 11 juni 2001 een nieuwe baan aanvaard had met daaraan gekoppeld een proeftijd, niet gebleken is dat de vader een hogere bijdrage dan door de rechtbank is opgelegd, gelet op zijn inkomen uit loondienst in die periodes, kan betalen. De bestreden beschikking voldoet op dit punt aan de wettelijke maatstaven en zal voor wat betreft deze periodes worden bekrachtigd.

4.2 met betrekking tot periode vanaf 2 juli 2001

a. verdiencapaciteit partner van de vader

Anders dan de rechtbank heeft verondersteld, werkt de partner, zoals door de vader ter zitting in hoger beroep is gesteld, twee ochtenden per week als alfahulp en verdient daarmee € 100,- netto per week. Het hof is van oordeel dat de partner niet in eigen levensonderhoud kan voorzien, nu de vader voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de partner gelet op haar medische beperkingen alsmede de zorg voor de minderjarige kinderen niet in staat is meer uren te werken dan zij thans werkt.

b. inkomen van de vader

De moeder is het niet eens met de wijze waarop de rechtbank het inkomen van de vader heeft berekend. Ter zitting in hoger beroep is vast komen te staan dat de vader in zijn nieuwe werkkring (vanaf 2 juli 2001) maandelijks provisie ontvangt. Het hof gaat uit van een gemiddeld inkomen van € 40.000,- bruto per jaar inclusief vakantiegeld en provisie; deze uitkomst is gebaseerd, zoals door de vader verzocht, op de drie laatste door de vader overgelegde salarisspecificaties van november 2002, december 2002 en januari 2003, waarbij het basisinkomen inclusief vakantietoeslag en de gemiddelde provisie over die drie maanden is berekend. Het hof acht dit een redelijk gemiddelde, gezien de jaaropgave van 2002 en het gemiddelde inkomen in 2001. Naast het door de partner verdiende inkomen van € 100,- netto per week houdt het hof ook rekening met de algemene heffingskorting voor de partner. Bovendien houdt het hof rekening met een fictief rendement van 4% per jaar op het restant van het vermogen, dat door de vader ter zitting is gesteld op € 16.000,- per jaar en door de moeder niet, althans onvoldoende is betwist.

c. de lasten van de vader

Naast de volledige huur van € 330,- per maand houdt het hof voor wat betreft de overige lasten rekening met dezelfde lasten als de rechtbank heeft gedaan en die hiervoor onder de feiten zijn weergegeven. Daartegen zijn geen grieven gericht en zijn voorts onweersproken gebleven.

5. Het hof betrekt het belastingvoordeel in verband met buitengewone lasten voor de kinderen in de draagkrachtberekening, voorzover de vader daarvoor, gelet op de hoogte van de hierna te bepalen kinderalimentatie, in aanmerking komt of kan komen.

6. Uit dit alles volgt dat de draagkracht van de vader met ingang van 2 juli 2001 een kinderalimentatie toelaat van € 350,- per maand per kind-, zodat de bestreden uit-spraak op dit punt niet aan de wettelij-ke maat-staven vol-doet en derhalve dient te wor-den vernie-tigd voor wat betreft de alimentatie met ingang van 2 juli 2001.

7. Volgens de berekening van de vader heeft hij, uitgaande van de vastgestelde bedragen van de rechtbank, tot en met 30 juni 2002 een bedrag van € 1.032,16 teveel betaald. De toekomstige verschuldigde termijnen van kinderalimentatie wenst hij daarmee te verrekenen. De moeder heeft daar gemotiveerd verweer tegen gevoerd. Nu het hof de kinderalimentatie met ingang van 2 juli 2001 op een aanzienlijk hoger bedrag bepaalt dan de rechtbank heeft gedaan, heeft de vader niets teveel betaald en zal het hof het verzoek van de vader dienaangaande afwijzen.

8. Het hof ziet geen aanleiding om - zoals de moeder heeft verzocht - de vader in de kosten van het geding te veroordelen en zal het verzoek afwijzen.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE-LE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor wat betreft de vaststelling van de hoogte van de kinderalimentatie over de periode vanaf 2 juli 2001 en, in zoverre opnieuw beschik-ken-de:

bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschik-king van 4 juni 1999 van de rechtbank te 's-Hertogenbosch - de door de vader aan de moeder te betalen kin-derali-mentatie met ingang van 2 juli 2001 op € 350,- per maand per kind, voor wat de na heden te ver-schij-nen termijnen betreft bij voor-uitbe-ta-ling te vol-doen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voor-raad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Zonnenberg, Dusamos en Stille, bijge-staan door A. Snel als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 7 mei 2003.

Bij afwezigheid van de voorzitter is

deze beschikking ondertekend door

mr. Dusamos