Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AF9030

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-05-2003
Datum publicatie
22-05-2003
Zaaknummer
053-H-03
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak : 7 mei 2003

Rekestnummer : 053-H-03

Rekestnr. Rechtbank, sector kanton: EJ VERZ 02-83215

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[de man],

wonende te 's-Gravenhage,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. G. Janssen.

Als belanghebbende is aangemerkt:

1. [mentor],

wonende te 's-Gravenhage,

hierna te noemen: de mentor,

procureur mr. R.H. Kuiper,

[echtgenote],

wonende te 's-Gravenhage.

PROCESVERLOOP

De man is op 23 januari 2003 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 28 oktober 2002 van de rechtbank te 's-Gravenhage, sector kanton.

De mentor heeft op 9 april 2003 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 15 april 2003 aanvullende stukken ingekomen.

Op 16 april 2003 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn procureur, en de mentor, bijgestaan door haar procureur.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen partijen het volgende vast.

De man is 81 jaar oud en gehuwd met [echtgenote], die wegens dementie in Verpleeghuis Houtwijk te 's-Gravenhage verblijft. Bij beschikking van de kantonrechter te 's-Gravenhage van 17 december 2001 is op verzoek van de man een mentorschap ten behoeve van zijn echtgenote ingesteld, met benoeming van [mentor] voornoemd tot mentor.

Op 11 oktober 2002 heeft de man bij de rechtbank, sector kanton, een verzoekschrift ingediend strekkende tot opheffing van het mentorschap. Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van de man afgewezen.

OORDEEL VAN HET HOF

1. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en zijn inleidend verzoek tot opheffing van het mentorschap van [mentor] alsnog toe te wijzen. De man heeft zijn gronden in hoger beroep vermeerderd door in hoger beroep subsidiair te verzoeken [mentor] te ontslaan als mentor. De mentor bestrijdt zijn beroep.

2. Uit de wet volgt dat de kantonrechter het mentorschap kan opheffen op verzoek van de betrokkene, zijn mentor, dan wel op vordering van het openbaar ministerie, waarbij met betrokkene wordt bedoeld, de persoon ten behoeve van wie het mentorschap is ingesteld. Aangezien de man niet tot de kring van personen behoort die een verzoek tot opheffing van het mentorschap kan doen, had de kantonrechter de man niet ontvankelijk dienen te verklaren in zijn verzoek.

3. Ten overvloede overweegt het hof dat uit de stukken en uit hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen, niet blijkt dat de man in zijn inleidende verzoek en hoger beroep gronden heeft aangevoerd voor opheffing van het mentorschap. Het appèl richt zich immers feitelijk alleen tegen de persoon van de mentor en niet tegen het mentorschap op zich. Op grond van het voorgaande is het hof dan ook van oordeel dat de noodzaak van het mentorschap nog steeds bestaat.

4. Ten aanzien van het subsidiaire verzoek van de man om de mentor te ontslaan, heeft eveneens te gelden dat de man niet ontvankelijk is, nu hij niet tot degenen behoort, die een dergelijk verzoek kunnen doen. Nu de man daarenboven ook heeft nagelaten een andere persoon als mentor voor te dragen, zou het verzoek ook inhoudelijk dienen te worden afgewezen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking van de rechtbank, sector kanton, en verklaart de man alsnog niet-ontvankelijk in zijn inleidende verzoek van 9 oktober 2002.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Duindam, Gerretsen-Visser en De Bruijn-Lückers, bijge-staan door mr. Sijbesma als griffier en uit-gespro-ken ter openba-re terechtzit-ting van 7 mei 2003 .