Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AF9005

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-03-2003
Datum publicatie
21-05-2003
Zaaknummer
02/644
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 7 maart 2003

Rolnummer:02/644 KA

Rolnr. rechtbank: 195880/01-1044

HET GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE, negende civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

HOLLAND TELEMATICA B.V.,

gevestigd te Rijswijk,

appellante,

hierna te noemen: Holland Telematica,

procureur: mr. M.W.F.M. de Leeuw,

tegen

de werknemer,

wonende te X,

geïntimeerde,

hierna te noemen: De werknemer,

procureur: mr. E. Grabandt.

Het geding

Bij exploot van 15 mei 2002 is Holland Telematica in hoger beroep gekomen van het vonnis van 19 februari 2002 door de rechtbank te 's-Gravenhage, sector kanton, locatie 's-Gravenhage gewezen tussen partijen.

Bij memorie van grieven heeft Holland Telematica onder overlegging van drie producties vier grieven tegen het vonnis aangevoerd.

Bij memorie van antwoord heeft De werknemer de grieven bestreden.

Tenslotte hebben partijen arrest gevraagd.

De beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat kort gezegd om het volgende. Holland Telematica heeft De werknemer op 11 juli 2000 tijdens een proeftijd ontslagen. De werknemer betwist de geldigheid van de proeftijd en van het ontslag. Hij heeft een verklaring voor recht gevorderd dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst nietig is en een loonvordering met nevenvorderingen ingesteld. De rechtbank heeft de vordering grotendeels toegewezen. Hiervan is Holland Telematica in hoger beroep gekomen.

2. Bij beoordeling van de zaak gaat het hof uit van de volgende feiten.

2.1. De werknemer heeft met Holland Telematica een overeenkomst voor een half jaar gesloten, waarbij hij met ingang van 1 december 1999 in de functie van monteur in dienst trad van Holland Telematica tegen een salaris van bruto ƒ 3.500,- per maand. In de arbeidsovereenkomst staat dat de CAO voor de kleinmetaal van toepassing is. In deze CAO staat, dat de eerste twee maanden van de arbeidsovereenkomst als proeftijd gelden, tenzij schriftelijk is overeengekomen dat een kortere, danwel geen proeftijd geldt. De werknemer is op 31 december 1999 tijdens de proeftijd ontslagen omdat De werknemer een verbod had om voor KPN Telecom te werken en KPN Telecom de grootste opdrachtgever van Holland Telematica was.

2.2.. De werknemer heeft op 31 mei 2000 met Holland Telematica een overeenkomst gesloten, waarbij hij met ingang van 5 juni 2000 voor onbepaalde tijd in dienst trad van Holland Telematica in de functie van ISDN-monteur tegen een salaris van ƒ 3.800,- bruto per maand. Ook staat in deze arbeidsovereenkomst dat de CAO voor de kleinmetaal van toepassing is. Met ingang van 1 juli 2000 is het salaris van De werknemer verhoogd naar ƒ 3.900,- bruto per maand. Holland Telematica heeft De werknemer op 11 juli 2000 ontslagen.

3. Grief 1 luidt:

"De Kantonrechter stelt in zijn vonnis ten onrechte dat er zowel qua tijd als qua inhoud sprake zou zijn van elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten. Daarmee gaat de Kantonrechter voorbij aan het feit dat de functies inhoudelijk volledig verschilden en het feit dat de periode gelegen tussen de twee arbeidsovereenkomsten dermate lang was (5 maanden), dat er niet langer van elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten gesproken kan worden."

4. Grief 2 luidt:

"Ten onrechte stelt de Kantonrechter dat in casu de door De werknemer in verschillende proeftijden gewerkte tijd bij elkaar opgeteld dient te worden. Hierdoor komt de Kantonrechter tot de onjuiste conclusie dat er hoe dan ook sprake is van een overschrijden van de wettelijk maximaal toegestane proeftijdperiode van 2 maanden."

5. Het hof zal beide grieven gezamenlijk behandelen. Als na beëindiging van een arbeidsovereenkomst tussen dezelfde partijen een nieuwe arbeidsovereenkomst wordt aangegaan, mag in beginsel een nieuwe proeftijd worden overeengekomen tenzij de op te dragen werkzaamheden in beide overeenkomsten gelijkwaardig zijn en er in redelijkheid niet aan getwijfeld kan worden dat de werkgever zich in de eerste arbeidsovereenkomst voldoende op de hoogte heeft kunnen stellen van de hoedanigheid en de geschiktheid van de werknemer voor de op te dragen werkzaamheden en de tijd tussen het einde van de eerste en het begin van de latere arbeidsovereenkomst zo kort is dat er in redelijkheid niet aan getwijfeld kan worden dat de hoedanigheid en geschiktheid van de werknemer voor de op te dragen werkzaamheden nog steeds aanwezig zijn. Deze uitzondering doet zich in dit geval niet voor. Immers de eerste arbeidsovereenkomst tussen partijen heeft slechts een maand geduurd, zodat zich niet de situatie voordoet dat er in redelijkheid niet aan getwijfeld kan worden dat Holland Telematica zich voldoende op de hoogte heeft kunnen stellen van de hoedanigheid en de geschiktheid van De werknemer voor de op te dragen werkzaamheden. Bovendien is de tweede arbeidsovereenkomst ingegaan ruim vijf maanden na het einde van de eerste arbeidsovereenkomst. Er was dan ook geen reden waarom voor de tweede arbeidsovereenkomst geen nieuwe proeftijd zou mogen worden overeengekomen. Ook voor optellen van de duur van de proeftijden van beide arbeidsovereenkomsten is onvoldoende grond aanwezig. De situatie in deze zaak is wezenlijk anders dan in de zaak die is beschreven in het arrest HR 8 mei 1992, NJ 1992,480. Immers in dat geval had de eerste overeenkomst ruim een half jaar geduurd, zodat in redelijkheid er niet aan kon worden getwijfeld dat de werkgever zich voldoende op de hoogte had kunnen stellen van de hoedanigheid en de geschiktheid van de werknemer voor de op te dragen werkzaamheden, terwijl de tijd tussen de eerste overeenkomst en de aanvang van de latere overeenkomst in feite niet meer was dan een langere vakantie. In zoverre zijn beide grieven gegrond.

6. De werknemer heeft het verweer gevoerd dat tussen partijen is afgesproken dat bij de hernieuwde indiensttreding geen proeftijd zou gelden, en dat hij in het leveren van het hem opgedragen bewijs van die afspraak is geslaagd. Het hof verwerpt dit verweer. Naar het oordeel van het hof is De werknemer niet geslaagd in het bewijs dat deze afspraak is gemaakt. Het hof verwijst daartoe naar hetgeen de rechtbank in haar vonnis van 19 februari 2002 daarover heeft overwogen, waar het hof het mee eens is.

7. Nu op grond van de tweede arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden aangenomen dat een proeftijd van twee maanden is overeengekomen en deze proeftijd geldig is en De werknemer op 11 juli 2000 binnen de proeftijd is ontslagen, is op 11 juli 2000 aan de arbeidsovereenkomst tussen partijen een einde gekomen. Dit betekent, dat de vorderingen van De werknemer moeten worden afgewezen. Holland Telematica heeft geen belang meer bij behandeling van de grieven 3 en 4. Het vonnis van de rechtbank van 19 februari 2002 moet worden vernietigd. Het hof zal De werknemer in de proceskosten in beide instanties veroordelen.

De beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank van 19 februari 2002;

wijst de vorderingen van De werknemer af;

veroordeelt De werknemer in de proceskosten in eerste aanleg, tot aan 19 februari 2002 aan de zijde van Holland Telematica begroot op € 1.080,- aan salaris van de gemachtigde;

veroordeelt De werknemer in de proceskosten in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Holland Telematica begroot op € 964,-, waarvan € 193,- aan verschotten en € 771,- aan salaris van de procureur;

verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. In 't Velt-Meyer, De Wild en Schuering en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 maart 2003 in aanwezigheid van de griffier.