Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AF8921

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-05-2003
Datum publicatie
20-05-2003
Zaaknummer
02075.K10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2003, 382
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

Dertiende meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken (Beklagkamer)

Nummer: 02075.K10

BESCHIKKING

naar aanleiding van het op 4 juni 2002 ter griffie van dit hof ingekomen klaagschrift op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:

mr. G. Spong en mr. O. Hammerstein, advocaten en procureurs,

kantoor houdende:

Keizersgracht 278

1016 EW Amsterdam

namens:

1. Wijlen [klager sub 1], verder ook te noemen klager sub 1;

2. de Politieke Vereniging Lijst Pim Fortuyn, gevestigd te Rotterdam, verder ook te noemen klaagster sub 2.

Bij brief van 12 november 2002 heeft mr. Spong voornoemd nog volmachten ingezonden van vier erfgenamen van klager sub 1.

Al deze volmachten houden in dat betrokkenen zich met de inhoud van vorenbedoeld klaagschrift verenigen en dat zij de wens te kennen geven als belanghebbenden in de onderhavige beklagzaak te worden aangemerkt (ten bewijze waarvan zij een fotocopie van het klaagschrift voor akkoord hebben ondertekend). Op grond daarvan geven deze erfgenamen last en volnmacht aan mrs. Spong en Hammerstein voornoemd hen als belanghebbende in de zin van artikel 12 van het Wetboek van strafvordering te betrekken bij de onderhavige beklagprocedure.

De betreffende erfgenamen zijn:

- klaagster sub 3;

- klaagster sub 4;

- klager sub 5;

- klager sub 6.

Alle klagers hebben in deze zaak woonplaats gekozen ten kantore van mrs. Spong en Hammerstein voornoemd.

De klacht is gericht tegen de weigering van de hoofdofficier van justitie te Rotterdam om een strafvervolging - op basis van overtreding van artikel 137d van het Wetboek van strafrecht - in te stellen tegen:

1. A.

2. B.

3. C.

4. D.

5. E.

6. F.

7. G.

8. H.

9. I.

verder ook te noemen: beklaagden respectievelijk sub 1 t/m 9

Waar in deze beschikking de afkortingen Sr. en Sv. worden gebruikt wordt daarmee bedoeld het Wetboek van Strafrecht respectievelijk het Wetboek van Strafvordering.

INLEIDING

1.

Op 6 mei 2002 is de heer [klager sub 1] door middel van schoten uit een vuurwapen om het leven gebracht.

2.

Onder dagtekening van 13 mei 2002 hebben mrs. Spong en Hammerstein namens wijlen [klager sub 1] schriftelijk aan de hoofdofficier van justitie te Rotterdam verzocht een strafvervolging wegens het misdrijf als bedoeld in artikel 137d Sr. in te stellen tegen de beklaagden sub 1 t/m 9.

3.

Deze schriftelijke aangifte is gebaseerd op diverse uitlatingen c.q. publicaties, waarvoor telkens een van de beklaagden verantwoordelijk wordt gesteld.

4.

Bij brief gedateerd 5 (bedoeld is : 4) juni 2002 heeft bedoelde hoofdofficier aan mrs. Spong en Hammerstein medegedeeld geen aanleiding te zien tot een strafvervolging van de beklaagden. Voor de motivering van deze beslissing verwijst het hof ter bekorting naar het afschrift van die brief dat als bijlage aan deze beschikking is gehecht. Tegen deze weigering tot het instellen van een strafvervolging is de klacht van de klagers gericht.

5.

Naar aanleiding van het op 4 juni 2002 ingekomen klaagschrift heeft het hof, zoals voorgeschreven in artikel 12a, tweede lid, Sv., aan de advocaat-generaal verzocht schriftelijk verslag te doen.

6.

Na schriftelijk bericht te hebben verzocht aan meergenoemde hoofdofficier -aan welk verzoek deze bij schrijven gedateerd 3 juli 2002 heeft voldaan - heeft de advocaat-generaal mr. Renckens onder dagtekening van 17 juli 2002 het gevraagde verslag uitgebracht met als advies aan het hof de klagers niet ontvankelijk te verklaren in hun beklag.

7.

Vorenbedoelde brief van mr. Spong met bijlagen van 12 november 2002, die ten doel had een viertal erfgenamen van wijlen [klager sub 1] bij de onderhavige klachtprocedure te betrekken, is voor het hof aanleiding geweest de advocaat-generaal te verzoeken een aanvullend verslag uit te brengen.

8.

De advocaat-generaal mr. Renckens heeft bij schrijven van 5 maart 2003 aan dit verzoek voldaan en daarin geconcludeerd dat de klaagsters sub 3 en 4 en de klagers sub 5 en 6 niet kunnen worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbenden bij het instellen van een strafvervolging tegen de beklaagden en dat hun beklag deswege niet ontvankelijk zouden dienen te worden verklaard.

9.

Het hof heeft het beklag vervolgens in raadkamer behandeld op 9 april 2003. Voor deze behandeling zijn zowel de klagers als de beklaagden behoorlijk opgeroepen.

Mede gelet op de in de bijlagen 1 t/m 4 bij deze beschikking verwoorde standpunten van het openbaar ministerie heeft de voorzitter van te voren aan partijen doen weten dat de behandeling in raadkamer voorshands beperkt zou worden tot de navolgende aspecten:

a. de ontvankelijkheid van de onderscheidene klager/klaagsters in hun klacht;

b. de al dan niet toepasselijkheid in de onderhavige zaak van artikel 137 d van het Wetboek van Strafrecht; en dat, indien bij een eventuele bevestigende beantwoording van deze voorvragen een nadere inhoudelijke behandeling van de klacht nodig zou blijken, deze op een nader te bepalen datum en tijdstip plaats zou vinden.

10.

In raadkamer zijn verschenen en gehoord aan de zijde van de klagende partijen:

- mr. G.Spong, advocaat te Amsterdam, als gemachtigde dan wel als raadsman van de klagers/klaagsters sub 1 t/m 6;

- de heren E.A.M. Maas en mr. O.Hammerstein in hun kwaliteit van voorzitter, respectievelijk secretaris van het bestuur van de Politieke Vereniging Lijst Pim Fortuyn, de klaagster sub 2;

- de heer [klager sub 6], klager sub 6.

11.

Aan de zijde van de beklaagden zijn de navolgende personen verschenen en gehoord:

in persoon verschenen:

- de beklaagde sub 5;

- de beklaagde sub 8, verschenen in de persoon van de heer X, beiden bijgestaan door mr. W.G.Fischer, advocaat te Haarlem als hun raadsman.

De beklaagden sub 2, 3, 6 en 7 zijn verschenen bij gemachtigde en wel als volgt:

- namens beklaagde sub 2 is verschenen mr.R.A.Fibbe, advocaat te Rotterdam;

- namens beklaagde sub 3 is verschenen mr.A.J.P.Tillema, advocaat te Amsterdam;

- namens beklaagden sub 6 en 7 is verschenen mevrouw mr. E.Z. Perez, advocaat te Amsterdam.

Alle gehoorde personen hebben pleitnotities overgelegd, al dan niet voorzien van bijlagen, die aan het proces-verbaal van de zitting zijn gehecht.

12.

Niet verschenen zijn de beklaagden sub 1, 4 en 9.

De beklaagde sub 1 heeft echter tijdig voor de raadkamerbehandeling een schriftelijk verweerschrift ingediend dat aan het dossier is toegevoegd. Namens de beklaagde sub 4 is door mr. R.S. le Poole, advocaat te Amsterdam, een schriftelijke weergave van het standpunt van zijn cliënt ingezonden. Hiervan is aan mr. Spong een afschrift verstrekt.

13.

De advocaat-generaal mr. Kaptein heeft in raadkamer geconcludeerd dat het hof zich - zulks gelet op artikel 13a Sv. - onbevoegd zou dienen te verklaren, voorzover de klacht is gericht tegen de beklaagde sub 1, zijnde een lid van de Staten-Generaal en voor het overige de klagers niet-ontvankelijk zou dienen te verklaren in hun klacht.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Bevoegdheid van het hof

14.

Het hof is - anders dan de advocaat-generaal in haar mondelinge conclusie - van oordeel dat er niet een zodanig verband valt te leggen tussen de aan beklaagde sub 1 verweten gedraging en diens functioneren als lid van de Staten-Generaal dat die gedraging - indien strafbaar - zou kunnen worden aangemerkt als een ambtsdelict, zodat artikel 13a Sv. in casu niet van toepassing is.

Aangezien het hof ook overigens geen beletselen heeft kunnen ontwaren die aan zijn bevoegdheid in de weg staan, acht het hof zich bevoegd ten aanzien van alle onderdelen van de klacht.

Ontvankelijkheid van wijlen [klager sub 1].

15.

Het recht om bij het ter zake bevoegde gerechtshof (schriftelijk) beklag te doen wegens de niet (verdere) vervolging van een strafbaar feit is ingevolge de tekst van artikel 12 Sv. voorbehouden aan rechtstreeks belanghebbenden.

Daarbij dient sprake te zijn van een objectief bepaalbaar, redelijk, eigen, persoonlijk of kenmerkend belang.

Hoewel het slachtoffer van een strafbaar feit in beginsel steeds als rechtstreeks belanghebbende wordt aangemerkt is het hof in het voetspoor van eerdere jurisprudentie en rechtsliteratuur zoals vermeld in het eerste verslag van de advocaat-generaal en de betogen van de gemachtigden van diverse beklaagden van oordeel dat iemand die is overleden niet meer als rechtstreeks belanghebbende ex artikel 12 Sv kan worden aangemerkt omdat door het overlijden diens persoonlijk belang en daarmee diens procesbelang is verdwenen.

16.

Dit wordt niet anders indien, zoals in casu door mr. Spong is gesteld, door wijlen [klager sub 1] voor zijn overlijden opdracht zou zijn gegeven tot het doen van aangifte en - in geval van niet vervolging - het indienen van de onderhavige klacht.

17.

Een processueel belang ingevolge artikel 12 Sv ontstaat naar zijn aard eerst op het moment dat vaststaat of redelijkerwijze kan worden aangenomen dat een strafbaar feit niet (verder) wordt vervolgd.

In casu is voor wijlen [klager sub 1] dat processuele belang nimmer ontstaan, omdat de sepotbeslissing is genomen na zijn overlijden. Derhalve is er voor wijlen [klager sub 1] als gevolg van zijn vooroverlijden, nimmer een moment geweest waarop hijzelf rechtsgeldig de onderhavige klachtprocedure had kunnen starten.

Vóór zijn overlijden zou een klacht prematuur - en op die grond niet ontvankelijk - zijn geweest, omdat er nog geen sprake was van een sepotbeslissing en na zijn overlijden kon ook niet meer namens hem zodanige klacht worden gedaan omdat hij inmiddels niet meer als rechtstreeks belanghebbende kon worden aangemerkt.

18.

Mrs.Spong en Hammerstein kunnen derhalve niet worden ontvangen in hun klacht, voorzover die is gedaan namens wijlen [klager sub 1]. Ten overvloede kan dienaangaande nog worden opgemerkt dat - zoals door de gemachtigden mrs. Fibbe en Tillema terecht is gesteld - een eventuele door de heer [klager sub 1] aan hen verstrekte volmacht - wat daar ook van zijn moge - in ieder geval door diens dood is geëindigd.

Voorzover mrs. Spong en Hammerstein mochten hebben bedoeld mede uit eigen hoofde het onderhavige beklag in te stellen geldt dat zij ook in zoverre niet in de klacht kunnen worden ontvangen, omdat zij - afgezien van een mogelijk, en alsdan ter zake niet rechtens relevant, commerciëel belang - niet geacht kunnen worden een zodanig belang te hebben bij een strafvervolging ter zake van de onderwerpelijke feiten, dat zij zouden kunnen worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbenden.

Ontvankelijkheid van de Politieke Vereniging Lijst Pim Fortuyn (klaagster sub 2)

18.

Het inleidend klaagschrift was behalve door de advocaten Spong en Hammerstein namens klaagster sub 2 slechts door één persoon ( naar het hof aanneemt het vroegere bestuurslid [L.D.]) ondertekend, zodat - gelet op de statuten van klaagster sub 2 - kon worden betwijfeld of in casu bevoegdelijk namens haar was gehandeld.

In raadkamer op 9 april 2003 is dit mogelijk bevoegdheidsgebrek echter hersteld door een uitdrukkelijke verklaring dienaangaande van de aanwezige bestuursleden, onder wie de huidige voorzitter van het bestuur de heer Maas en ten overvloede door een door mr. Spong overgelegde schriftelijke volmacht van het bestuur.

19.

Het hof dient vervolgens te onderzoeken of klaagster sub 2 in de namens haar ingediende klacht kan worden ontvangen, waarbij in de eerste plaats aan de orde komt de vraag of klaagster sub 2 kan worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende in de zin van artikel 12, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.

20.

De uitlatingen en publicaties, waarop de aangifte en dientengevolge ook de klacht betrekking hadden - en waarvan sommige dateren van vóór en andere van na de oprichting van klaagster sub 2 - waren zonder uitzondering gericht op de persoon [klager sub 1] en niet of nauwelijks op de politieke groepering(en), waarvan hij lijstaanvoerder was. Klaagster sub 2 was derhalve niet aan te merken als slachtoffer van enig mogelijk handelen in strijd met artikel 137d Sr. en naar het oordeel van het hof ook in ruimere zin niet in die mate betrokken bij die uitlatingen en publicaties, dat gezegd kan worden dat zij een zodanig eigen belang bij een strafvervolging ter zake daarvan had dat dit haar stempelde tot een rechtstreeks belanghebbende in de zin van artikel 12, eerste lid, Sv.

21.

Vervolgens dient te worden bezien of klaagster sub 2 in casu mogelijk een klachtrecht zou kunnen ontlenen aan het tweede lid van artikel 12 Sv.

Ingevolge deze wetsbepaling wordt onder rechtstreeks belanghebbende mede verstaan een rechtspersoon die krachtens zijn doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een belang behartigt dat door de beslissing tot niet (verdere) vervolging rechtstreeks wordt getroffen.

22.

Waar de klacht betrekking heeft op niet vervolging ter zake van handelen in strijd met artikel 137d Sr (de verbodsbepaling met betrekking tot het aanzetten van haat, discriminatie of geweld), zou klaagster sub 2 in casu alleen als een rechtspersoon als vorenbedoeld kunnen worden beschouwd, indien haar doelstelling en feitelijke werkzaamheden specifiek gericht zijn op de behartiging van het door dat artikel 137d te beschermen belang.

23.

Daar klaagster sub 2 blijkens inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Rotterdam een vereniging is met volledige rechtsbevoegdheid, kan ervan worden uitgegaan dat zij een rechtspersoon is.

De doelstelling van klaagster sub 2 is vervat in artikel 2, lid 1 van de statuten, luidende:

"De Vereniging heeft ten doel de burgers van Nederland intensief te betrekken bij en te laten participeren in allerhande vormen van openbaar bestuur en maatschappelijke organisaties, kortom: het land terug te geven aan de mensen in het land. Terugkeer naar de menselijke maat is daartoe een noodzakelijke voorwaarde.".

24.

Deze doelstelling is dermate algemeen en ruim geformuleerd dat zij niet kan worden geacht specifiek gericht te zijn op de behartiging van het door artikel 137d Sr te beschermen belang. Evenmin is gesteld, noch ook gebleken dat klaagster sub 2 haar feitelijke werkzaamheden specifiek heeft gericht op de behartiging van dat belang.

De gemachtigde van beklaagden sub 6 en 7 mevrouw mr. Perez heeft in dit verband ook terecht gerefereerd aan de mening van Melai (aantekening 18), weergegeven in het volgende citaat: "Politieke partijen .... zullen .... niet aangemerkt kunnen worden als behartigers van specifieke (deel)belangen. Dat is niet onbevredigend, omdat politieke partijen langs andere weg (met name via de ministeriële verantwoordelijkheid) invloed op de vervolging kunnen uitoefenen. Toekenning van het beklagrecht zou de zuiverheid van de verhoudingen niet ten goede komen.".

25.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat klaagster sub 2 ook op grond van het 2e lid van artikel 12 Sv. niet kan worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende bij de onderhavige strafvervolging, zodat zij niet in haar klacht kan worden ontvangen.

De ontvankelijkheid van de erfgenamen, de klaagsters sub 3 en 4 en de klagers sub 5 en 6.

26.

De actie van de vier erfgenamen bestaande uit het verstrekken van een volmacht aan mrs. Spong en Hammerstein ieder van hen als belanghebbende te betrekken bij de klachtprocedure, ingeleid met het op 4 juni 2002 ingediende klaagschrift (ten bewijze waarvan zij een afschrift van de laatste pagina van dat klaagschrift voor accoord hebben getekend), verstaat het hof als een poging van deze erfgenamen zich in de reeds lopende klachtprocedure te voegen.

27.

De gemachtigden van beklaagden sub 2 en 3, mrs. Fibbe en Tillema, hebben er in hun pleidooi in raadkamer op gewezen dat de wettelijke regeling van het beklag ter zake van het niet (verder) vervolgen van strafbare feiten in het Wetboek van Strafvordering niet voorziet in de mogelijkheid om anderen dan degenen door of namens wie een beklag is ingediend, nadien bij dat beklag te betrekken en dat de betrokken erfgenamen reeds op die grond niet in hun beklag kunnen worden ontvangen.

28.

Het hof deelt deze visie. De artikelen 12 t/m 13a van het Wetboek van Strafvordering vormen tesamen een uitputtende regeling van het beklagrecht en het hof meent geen vrijheid te hebben aan de mogelijkheden die deze wettelijke regeling biedt de door de actie van de erfgenamen beoogde uitbreiding te geven, ook daarom, omdat aldus het in die bepalingen ingebouwde evenwicht tussen de belangen van de klager en die van de beklaagde kan worden verstoord. Reeds op deze grond kan het hof de erfgenamen niet ontvangen in hun op de vorenomschreven wijze ingeleide klacht.

29.

Het hof heeft er echter oog voor dat dit - in het bestaande wettelijk stelsel onontkoombare - standpunt in het voorliggende geval tot weinig efficiënte consequenties zou leiden, in die zin dat de erfgenamen zich gedwongen zouden kunnen zien alsnog eenzelfde aangifte te doen met naar alle waarschijnlijkheid eveneens een negatieve uitkomst, waarna zij een afzonderlijke beklagprocedure zouden moeten opstarten met alle moeite en kosten van dien. Mr. Spong heeft daarop bij repliek terecht gewezen.

30.

Om redenen van proceseconomie zal het hof daarom, zij het ten overvloede, enige overwegingen wijden aan de hypothetische situatie dat de vier erfgenamen het klaagschrift reeds bij de eerste indiening daarvan als (mede)klagers hadden ondertekend.

31.

In die hypothetische situatie dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de erfgenamen kunnen worden beschouwd als rechtstreeks belanghebbenden in de zin van artikel 12 Sv.

32.

De vier erfgenamen stellen in hun volmachten dat zij een eigen belang hebben bij een strafvervolging van de beklaagden, welke belang hierin bestaat dat de naam en nagedachtenis van wijlen [klager sub 1] ernstig zijn bezoedeld en aangetast, hetgeen een uitstralende werking jegens de erfgenamen heeft. In raadkamer heeft de heer [klager sub 6], de klager sub 6, dit nog mondeling toegelicht.

33.

Naar aanleiding van diens betoog wil het hof niet nalaten tot uitdrukking te brengen zich geheel te kunnen vinden in het begrip dat de advocaat-generaal mr.Renckens in haar aanvullend verslag heeft getoond voor de omstandigheid dat de nabestaanden zeer getroffen zijn door het verlies van hun broer en de wrede wijze waarop hij hun is ontvallen. Terecht heeft zij er echter op gewezen dat ter zake van de moord op hun broer reeds vervolging heeft plaatsgevonden en dat het rechtstreeks belang dat de klaagster c.q. klagers sub 3 t/m 6 hadden bij de vervolging van de verdachte van dit misdrijf, bij het onderhavige beklag, dat immers betrekking heeft op handelen in strijd met artikel 137d Sr., niet aan de orde is.

De gemachtigde van beklaagde sub 4, mr. Le Poole heeft in zijn verweerschrift terecht opgemerkt dat het enkele overlijden van het slachtoffer door een oorzaak gelegen buiten het delict waar het beklag op is gericht, nog geen beklagrecht voor de nabestaanden schept.

34.

Naar het oordeel van het hof is het belang bij strafvervolging van de beklaagden dat de vier erfgenamen in de onderhavige zaak hebben niet op één lijn te stellen met het belang dat het slachtoffer zou hebben gehad, ware hij in leven gebleven. Hun eigen belang in deze is als indirect aan te merken en mist daardoor de kenmerken van het rechtstreeks belang waarop artikel 12 Sv. het oog heeft.

35.

Naast het eventuele eigen belang van de erfgenamen bij een strafvervolging dient ook onder ogen te worden gezien of en zo ja in hoeverre zij in hun kwaliteit van nabestaanden van wijlen [klager sub 1] - als het ware bij plaatsvervulling - als rechtstreeks belanghebbenden kunnen worden aangemerkt.

36.

De gemachtigden van diverse beklaagden hebben er in dit verband terecht op gewezen dat in de rechtsliteratuur en - schaarse - jurisprudentie het beklagrecht van nabestaanden uitsluitend wordt erkend bij delicten waarbij sprake is van een ernstige fysieke aantasting van de persoon van het slachtoffer, zoals levensberoving, mishandeling met dodelijk gevolg en verkrachting.

37.

Het hof meent dat er goede gronden zijn het beklagrecht van nabestaanden op deze wijze in te perken en dat zulks past binnen een redelijke wetsuitleg.

Artikel 137d is - als vallende onder de categorie misdrijven tegen de openbare orde -niet op één lijn stellen met de in punt 36 van deze beschikking bedoelde misdrijven. Voor een beklagrecht van nabestaanden ter zake van niet vervolging ter zake van artikel 137d Sr is daarom geen plaats. Het hof wijst er in dit verband nog op, dat, indien de wetgever voor nabestaanden de mogelijkheid had willen scheppen om in gevallen als het onderhavige een strafvervolging te bewerkstelligen, het invoeren van een daarop toegesneden strafbepaling, vergelijkbaar met artikel 270 Sr voor de hand had gelegen.

38.

Een en ander leidt tot de conclusie dat de klaagsters en klagers sub 3 t/m 6 niet kunnen worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbenden bij een strafvervolging van de beklaagden sub 1 t/m 9 ter zake van handelen in strijd met artikel 137d, begaan ten opzichte van hun later overleden broer.

Deze omstandigheid zou - indien al niet op grond van het gestelde in de punten 27 en 28 van deze beschikking tot hun niet ontvankelijkheid was besloten - er alsdan aan in de weg staan dat zij in hun beklag zouden kunnen worden ontvangen.

39.

Het hof wil - zoals reeds in raadkamer aan partijen is medegedeeld - niet volstaan met de uit het vorenstaande voortvloeiende conclusie dat de klagers niet in de door of namens hen gedane klacht kunnen worden ontvangen, doch - gelet op het belang van de onderliggende rechtsvraag - ten overvloede een korte beschouwing wijden aan de vraag of - ware één of meer van de klachten ontvankelijk geweest - een vervolging ter zake van handelen in strijd met artikel 137d Sr in beginsel tot de mogelijkheden zou hebben behoord.

De toepasselijkheid van artikel 137d in de onderhavige zaak.

40.

De aangifte en de klacht hadden betrekking op publicaties of uitingen van de diverse beklaagden die op de een of andere wijze waren gericht tegen de opvattingen van (thans wijlen) [klager sub 1], welke publicaties of uitingen de strekking zouden hebben het zaaien van haat tegen hem wegens die opvattingen. Die opvattingen zijn naar het oordeel van het hof te karakteriseren als politieke opvatttingen, en niet, althans niet in hoofdzaak, als opvattingen van levensbeschouwelijke aard.

Naar de mening van de aangevers, thans klagers, was door de beklaagden door die publicaties of uitingen gehandeld in strijd met artikel 137d Sr.

41.

De hoofdofficier van justitie te Rotterdam heeft de toepasselijkheid van die strafbepaling bestreden, onder meer met een beroep op de wetsgeschiedenis. Voor een volledige weergave van diens argumentatie verwijst het hof naar diens al eerder vermelde brief, die in afschrift aan deze beschikking is gehecht.

42.

Het standpunt dat mr.Spong namens de klagers heeft verdedigd komt in de kern hierop neer dat een eigentijdse interpretatie van het begrip levensovertuiging in artikel 137d Sr. betekent dat daaronder (mede) wordt begrepen iemands politieke overtuiging.

43.

Het hof kan dit standpunt niet onderschrijven. Naar het oordeel van het hof zijn levensovertuiging en politieke overtuiging twee verschillende begrippen.

Bij levensovertuiging gaat het om fundamentele opvattingen over het leven in al zijn facetten, anders gezegd om beginselen waarnaar men zijn leven inricht. Een politieke overtuiging heeft geen betrekking op de inrichting van iemands leven, maar op de inrichting van de staat en het bestuur. Weliswaar kunnen die twee begrippen elkaar raken en zelfs ten dele overlappen, doch zij zijn in de kern verschillend van karakter.

44.

Tegen de door mr. Spong verdedigde opvatting pleit, naast de door de hoofdofficier te Rotterdam gereleveerde wetsgeschiedenis, waaraan het hof voor de interpretatie van artikel 137d Sr.3 dezelfde betekenis toekent als die hoofdofficier, ook de omstandigheid dat - zoals door de gemachtigden mrs. De Prez, Fibbe en Tillema bij pleidooi is aangevoerd - zowel in artikel 1 van de Grondwet, als in artikel 1 van de Algemene Wet Gelijke Behandeling de begrippen levensovertuiging en politieke gezindheid nevengeschikt worden vermeld. Bij een eigentijdse interpretatie zoals door mr. Spong bepleit, kan aan die twee wetten niet worden voorbijgezien.

45.

Uit het overwogene in de punten 43 en 44 van deze beschikkking vloeit voort dat het hof met de hoofdofficier van justitie te Rotterdam van oordeel is dat een strafvervolging van één of meer van de beklaagden terzake van handelen in strijd met artikel 137d van het Wetboek van Strafrecht geen kans van slagen zou hebben geboden.

46.

Het hof merkt tenslotte - eveneens ten overvloede - nog op dat de kwestie, of en zo ja onder welke voorwaarden en beperkingen ook politieke overtuigingen onder de reikwijdte van artikel 137d Sr. zouden moeten worden gebracht, naar zijn oordeel geenszins onomstreden is gelet op het bestaande spanningsveld tussen dit artikel en het grondrecht op vrijheid van meningsuiting. Voorzover ten deze al sprake zou zijn van een leemte in de wetgeving - het hof is daarvan op voorhand overigens niet overtuigd - ligt het naar zijn oordeel in een principiële aangelegenheid als de onderhavige veeleer op de weg van de wetgever om daarin te voorzien door wijziging van de betrokken wetsbepaling, dan dat de rechter zulks zou doen door middel van een zeer extensieve interpretatie van het begrip levensovertuiging.

Een politieke partij als klaagster sub 2, die vertegenwoordigd is in de Staten-Generaal, beschikt bij uitstek over de mogelijkheden om desgewenst de indiening van een initiatief-voorstel van wet tot aanvulling van artikel 137d Sr. te bewerkstelligen.

47.

Gezien al het vorenstaande moet worden beslist als volgt.

BESLISSING

Het hof:

Gezien de stukken en gelet op het verhandelde in raadkamer op 9 april 2003;

verklaart de klagers sub 1 t/m 6 NIET ONTVANKELIJK in de namens hen gedane klacht.

Aldus beslist door mrs. De Vries, vice-president, tevens voorzitter, De Hoogh en Herstel, raadsheren, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Bakker-Otjens en door hen ondertekend op 19 mei 2003.