Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AF8867

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-03-2003
Datum publicatie
19-05-2003
Zaaknummer
BK-02/01344
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-0996
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

achtste enkelvoudige belastingkamer

25 maart 2003

nummer BK-02/01344

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak op het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid A B.V. te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Particulieren/Ondernemingen P van de Belastingdienst op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar voor het jaar 1999 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting, alsmede tegen de beschikking als bedoeld in artikel 20a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 betreffende het jaar 1999.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 11 maart 2003, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn verschenen belanghebbende, vertegenwoordigd door haar directeur X, alsmede namens de Inspecteur B.

Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Gronden

1. Belanghebbende is opgericht op 8 oktober 1987. Haar activiteiten bestaan uit de uitoefening van een adviesbureau op financieel, sociaal en juridisch terrein en het uitvoeren van interim-management.

2. De aandelen in belanghebbende worden gehouden door X (hierna: X) en diens echtgenote. X is enig directeur van deze vennootschap. X was in dienst van het Ministerie van Economische Zaken en op 1 april 1988 is aan hem eervol ontslag verleend onder toekenning van een aanspraak op wachtgeld op de voet van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 (hierna: het Besluit).

3. Artikel 8 van het Besluit bevat een zogenoemde anticumulatieregeling en het eerste lid van dit artikel luidt als volgt:

"De inkomsten die belanghebbende geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de dag waarop het ontslag, ter zake waarvan het wachtgeld is toegekend, hem is aangezegd of door hem is aangevraagd, worden met het wachtgeld verrekend over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben. Deze verrekening geschiedt aldus dat het wachtgeld wordt verminderd met het bedrag waarmede het wachtgeld, vermeerderd met die inkomsten, de bezoldiging overschrijdt."

4. Tussen X en de Dienst Uitvoering Ontslaguitkeringen (hierna: USZO) is een geschil ontstaan over de vraag of de door belanghebbende behaalde winsten eveneens in de door artikel 8 van het Besluit voorgeschreven verrekening dienen te worden begrepen. Het standpunt van USZO, opgenomen in een tot de gedingstukken behorende brief van 12 januari 1998, is dat "(…) onder inkomsten uit of in verband met arbeid in de zin van artikel 8, eerste lid, van het Rijkswachtgeldbesluit, mede worden begrepen de aan betrokkenen toe te rekenen winst uit onderneming. " Hieraan heeft USZO nog toegevoegd: "De vraag of de winst al dan niet aan de betrokkene wordt uitgekeerd is hierbij niet van belang. " Deze uitleg van het Besluit is onderschreven door de arrondissementsrechtbank Den Haag in een door haar in 1999 gedane uitspraak in een door X aangespannen beroepsprocedure en vervolgens in hoger beroep door de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 1 november 2001. Op grond hiervan rust op X een verplichting tot terugbetaling van door hem over de jaren 1994 tot en met 1996 genoten wachtgelduitkering tot een bedrag van ƒ 279.027.

5. Belanghebbende heeft voor het onderhavige jaar aangifte gedaan naar een belastbaar bedrag van negatief ƒ 362.320. Bij het bepalen van de winst heeft zij een voorziening gevormd van

ƒ 384.000. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur deze voorziening gecorrigeerd het belastbare bedrag vastgesteld op ƒ 57.680.

6. Belanghebbende bestrijdt deze correctie en neemt het standpunt in - kort samengevat - dat USZO winst tot inkomsten verklaart, naar het Hof begrijpt in de zin van artikel 8 van het Besluit, als gevolg waarvan X een loonvordering op haar verkrijgt. Voorts heeft de Inspecteur, naar belanghebbende stelt, in eerdere instantie ten opzichte van haar het standpunt ingenomen dat feitelijke uitbetaling van loon via X als een bedrijfslast zou gelden. De Inspecteur heeft de standpunten van belanghebbende gemotiveerd bestreden.

7. Een eerste voorwaarde voor het kunnen vormen van een voorziening ter zake van een toekomstige uitgave is dat deze uitgave een, in beginsel, aftrekbare kostenpost vormt. Naar het oordeel van het Hof is niet aan deze voorwaarde voldaan. De uitleg die USZO aan het bepaalde in artikel 8, eerste lid, van het Besluit heeft gegeven, moet aldus worden verstaan dat de winst van belanghebbende mede in aanmerking wordt genomen voor de bepaling van de omvang van de verrekening met het wachtgeld. Deze verrekening bestaat dan uit een korting op de wachtgelduitkering of een terugbetaling van reeds genoten uitkeringen. Zoals ook blijkt uit de in 4 aangehaalde passage uit de brief van USZO worden uitsluitend voor de toepassing van artikel 8, eerste lid, van het Besluit winsten van belanghebbende mede onder inkomsten uit of in verband met arbeid van X begrepen. De stelling van belanghebbende dat X door de door USZO aangehangen uitleg van genoemde bepaling een loonvordering op haar verkrijgt, is onjuist en mist feitelijke grondslag. Nu X in het onderhavige jaar een salaris heeft genoten, waarvan gesteld noch gebleken is dat de hoogte daarvan niet overeenstemming is met de door hem geleverde arbeidsprestatie, bestaat geen aanleiding alsnog een salarispost in aanmerking te nemen. De door belanghebbende gewenste voorziening kan derhalve niet worden gevormd. Zij heeft geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan moet worden aangenomen dat voor de andere jaren waar de gevormde voorziening op ziet, anders zou moeten worden geoordeeld.

8. De overige stellingen van belanghebbende die onder meer betrekking hebben op de haar inziens onbillijke gevolgen van het standpunt van USZO en van de Inspecteur en het onrechtmatige en politieke karakter daarvan kunnen niet tot een ander oordeel leiden.

9. Op belanghebbende die een beroep doet op het vertrouwensbeginsel, rust de last feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting door de Inspecteur aannemelijk te maken, op grond waarvan kan worden geoordeeld dat de Inspecteur ten opzichte van haar het standpunt heeft ingenomen, althans bij haar de indruk heeft gewekt van een standpuntbepaling, dat een aanvullende loonbetaling aan X ter voldoening door laatstgenoemde aan een terugvorderingactie van USZO voor haar een bedrijfslast zou vormen. Belanghebbende heeft geen bewijs voor deze stelling aangevoerd, zodat zij niet aan deze bewijslast heeft voldaan. De Inspecteur heeft verder ter bestrijding van het standpunt van belanghebbende een fotocopie van een notitie van 18 november 1998 overgelegd waaruit blijkt dat een medewerker van de Belastingdienst, kennelijk naar aanleiding van een brief van belanghebbende van 14 november 1998, aan haar een tegenovergesteld standpunt kenbaar heeft gemaakt.

10. op grond van al het overwogene moet het beroep zowel wat betreft de aanslag vennootschapsbelasting als de verliesbeschikking ongegrond worden verklaard.

11. Belanghebbende heeft verzocht dat de zaak door een meervoudige kamer wordt behandeld. De achtste enkelvoudige kamer van het hof heeft de zaak niet van een zodanig gewicht en ingewikkeldheid geoordeeld of andere omstandigheden aanwezig geoordeeld dat verwijzing naar een meervoudige kamer geraden voorkwam.

12. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Deze uitspraak is vastgesteld op 25 maart 2003 door mr. Savelbergh en op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mr. De Fouw.

(De Fouw) (Savelbergh)

Aangetekend aan

Partijen verzonden:

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt, is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.