Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AF8864

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-03-2003
Datum publicatie
19-05-2003
Zaaknummer
BK-01-01521
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-0990 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

achtste enkelvoudige belastingkamer

25 maart 2003

nummer BK-01/01521

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Particulieren/Ondernemingen P van de Belastingdienst, op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1998.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 11 maart 2003, gehouden te

Den Haag. Aldaar zijn verschenen belanghebbende, alsmede zijn gemachtigde A, en B namens de Inspecteur.

Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Gronden

1. Belanghebbende is gehuwd met mevrouw M. De ouders en de broer van mevrouw M wonen in Thailand. Belanghebbende heeft voor het jaar 1998 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen van ƒ 25.448. Daarbij heeft hij rekening gehouden met een aftrek buitengewone lasten ten bedrage van ƒ 10.729 (ƒ 11.529 -/- drempel van ƒ 800) wegens bijdragen in het levensonderhoud van zijn schoonfamilie in Thailand. Voor de berekening van het huurwaardeforfait is belanghebbende uitgegaan van een waarde van zijn woning van ƒ 150.000.

2. Bij de aanslagregeling heeft de Inspecteur de aftrek buitengewone lasten met een bedrag van ƒ 8.605 gecorrigeerd. De Inspecteur heeft als buitengewone lasten een bedrag van ƒ 2.124 in aftrek toegelaten (forfait van ƒ 2.600 + kosten banden invalidewagen ƒ 324 -/- drempel van ƒ 800). Tevens is een correctie op het huurwaardeforfait aangebracht van ƒ 1.275 uitgaande van de vastgestelde WOZ-waarde van ƒ 222.000. Het belastbare inkomen is vervolgens vastgesteld op ƒ 35.328.

3. Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar is de aanslag door de Inspecteur bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

4. In geschil is of bij de berekening van het huurwaardeforfait uitgegaan dient te worden van een waarde van de woning van ƒ 177.000 of ƒ 222.000. Voorts is in geschil of een bedrag groter dan ƒ 2.924 als buitengewone lasten in aftrek kan worden gebracht.

5. Blijkens de WOZ-beschikking van de woning van belanghebbende is de waarde vastgesteld op ƒ 222.000. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de werkelijke waarde van de woning ƒ 177.000 is. Hij beroept zich daarbij op een bij de gemeente ingediend bezwaarschrift en de naar zijn mening onjuiste afhandeling daarvan, alsmede op een beroepsprocedure die hierover zou lopen.

6. Ingevolge artikel 42a, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) wordt bij de bepaling van het huurwaardeforfait uitgegaan van de waarde in het economisch verkeer van de woning. Ingevolge lid 4 van voornoemd artikel wordt ingeval ter zake van een eigen woning de waardevaststelling heeft plaatsgevonden ingevolge hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken, de waarde in het economische verkeer van die eigen woning gesteld op de op de voet van dat hoofdstuk voor die woning vastgestelde waarde.

7. Het Hof ziet geen reden bij de berekening van het huurwaardeforfait van de vastgestelde WOZ-waarde af te wijken. De grief van belanghebbende dat hier sprake zou zijn van prematuur handelen ziet het Hof niet in, nu de Inspecteur heeft toegezegd dat de aanslag ambtshalve zal worden verminderd indien de WOZ-waarde alsnog zou worden verlaagd. Dat het karakter van de beslissing van de Inspecteur in dit opzicht strijdig zou zijn met internationale wetgeving zoals belanghebbende - zonder nadere toelichting - betoogt, valt evenmin in te zien. Het gelijk is derhalve op dat punt aan de Inspecteur.

8. Ingevolge artikel 46, eerste lid, aanhef en onderdeel a, ten tweede, van de Wet kunnen als buitengewone lasten worden aangemerkt de op de belastingplichtige drukkende uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van andere bloed- en aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn, voor zover die uitgaven meer bedragen dan ƒ 800 of, zo dit minder is, 2 percent van het onzuivere inkomen, doch niet meer bedragen dan 10 percent van het onzuivere inkomen, en mits die uitgaven met schriftelijke bescheiden worden aangetoond en in geld of in geldeenheden andere dan de gulden worden gedaan.

9. Blijkens de Resolutie van 11 juni 1977, nr. 277-3749,

(BNB 1977/210) zoals deze is gewijzigd bij de resolutie van 30 maart 1982, nr. 282-3183 (BNB 1982/125), kan in gevallen waarin de belastingplichtige een hoger bedrag dan ƒ 2.600 aan zijn verwanten overmaakt en aantoont dat ook het meerdere strekt ter voorziening in een daadwerkelijke behoefte aan levensonderhoud van die verwanten, een hoger bedrag als buitengewone last in aanmerking worden genomen.

10. Belanghebbende heeft, met al hetgeen hij heeft aangevoerd en aan stukken heeft overgelegd, naar 's Hofs oordeel niet aannemelijk gemaakt dat de ondersteunden meer dan ƒ 2.924 voor een uitkering ter voorziening in hun levensonderhoud behoefden, nu hij onvoldoende inzicht in de inkomens- en vermogenspositie van de ondersteunden heeft verschaft. De stelling van belanghebbende dat door middel van de kostwinnersverklaring tevens een inkomensverklaring is overgelegd is onjuist, nu de kostwinnersverklaring geen inzicht geeft in de individuele situatie van de verwanten zoals hun plaats in de samenleving of hun inkomens- en vermogenspositie.

11. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt eveneens. Weliswaar acht het Hof aannemelijk dat de gemachtigde van belanghebbende en belanghebbende uit mededelingen van de Inspecteur tijdens het telefoongesprek van 21 februari 2001 hebben begrepen dat zij geen verdere verklaringen en/of gegevens ontrent het inkomen en vermogen van de ondersteunden behoefden te verstrekken, echter onweersproken staat vast dat de Inspecteur dezelfde dag op verzoek van de gemachtigde van belanghebbende een afschrift van de brief van 26 september 2000 aan hem heeft toegefaxt en de daaropvolgende dag een brief heeft verzonden naar aanleiding van het telefonisch onderhoud. In beide brieven staat duidelijk omschreven dat de behoeftigheid moet worden aangetoond. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende op grond van de indruk die hij heeft gekregen van het besprokene iets heeft gedaan dat niet meer hersteld zou kunnen worden. Hij (of bij zijn afwezigheid zijn partner) had de verklaring alsnog kunnen opvragen.

12. Gelet op al het vorenoverwogene is het beroep ongegrond.

13. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Deze uitspraak is vastgesteld op 25 maart 2003 door mr. Savelbergh en op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mr. De Fouw.

(De Fouw) (Savelbergh)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt, is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.