Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AF8851

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-03-2003
Datum publicatie
19-05-2003
Zaaknummer
BK-01/03584
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2003/962
FutD 2003-1003
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

negende enkelvoudige belastingkamer

21 maart 2003

nummer BK-01/03584

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het heffingsambtenaar van de gemeente Hulst (hierna: de Inspecteur), betreffende na te noemen beschikking.

1. Beschikking en bezwaar

1.1. Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking als bedoeld in hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet) de waarde van de onroerende zaak a-straat 1 te Hulst vastgesteld op ƒ 236.000 (€ 107.092).

1.2. Het na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, is door de Inspecteur bij de bestreden uitspraak ongegrond verklaard.

2. Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 29. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Voorafgaand aan de zitting heeft de Inspecteur op 14 oktober 2002 nog een stuk ingediend, te weten een taxatieverslag.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 1 november 2002, gehouden te Middelburg. Aldaar zijn beide partijen verschenen.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2.3. Het Hof heeft op 15 november 2002 mondeling uitspraak gedaan. De voor partijen bestemde afschriften van het proces-verbaal van die uitspraak zijn op 29 november 2002 ter post bezorgd. Op 23 december 2002 is van de Inspecteur een verzoek ingekomen om de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Het daarvoor verschuldigde griffierecht ad € 163,50 is tijdig voldaan.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en op zichzelf aannemelijk, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende is genothebbende krachtens eigendom, beperkt recht of persoonlijk recht van de aan de a-straat 1 te Hulst gelegen onroerende zaak (hierna: de onroerende zaak).

3.2. De onroerende zaak betreft een, omstreeks 1977 gebouwde, twee-onder-een-kap-woning met grond. De inhoud van de woning bedraagt circa 348 m³ en de kaveloppervlakte circa 263 m².

3.3. Op grond van de WOZ-regelgeving, te weten de regelgeving in de hoofdstukken III en IV van de Wet, is bij de onderwerpelijke beschikking de WOZ-waarde van de onroerende zaak per 1 januari 1999 (hierna: de peildatum) vastgesteld op ƒ 236.000. Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur bij de bestreden uitspraak die waarde gehandhaafd.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of de onroerende zaak met ƒ 236.000 te hoog is gewaardeerd, welke vraag door belanghebbende bevestigend en door de Inspecteur ontkennend wordt beantwoord.

4.2. Het in punt 4.1 omschreven geschil ontleent het Hof zowel uit het bezwaarschrift als uit het beroepschrift. De tekst van die geschriften laat redelijkerwijs geen misverstand erover bestaan dat belanghebbende van mening is dat de WOZ-waarde tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Hij staat (uiteindelijk) een WOZ-waarde voor, zo heeft hij ter zitting toegelicht, van tussen de ƒ 200.000 en ƒ 210.000.

4.3. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

5. Conclusies van partijen

5.1. Het beroep van belanghebbende strekt tot wijziging van de beschikking in dier voege dat de waarde van de onroerende zaak nader wordt vastgesteld op een WOZ-waarde van tussen de ƒ 200.000 en ƒ 210.000.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1. Overeenkomstig artikel 17, tweede lid, van de Wet moet, mede blijkens de wetsgeschiedenis, de waarde van onroerende zaken als de onderhavige onroerende zaak worden vastgesteld op de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde zou zijn besteed, waarbij voorts ervan moet worden uitgegaan dat bij die veronderstelde verkoop de volle en onbezwaarde eigendom zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt onmiddellijk en in volle omvang in feitelijk gebruik zou kunnen nemen.

6.2. Ter zitting is de Inspecteur de gedachte voorgehouden, min of meer in navolging van hetgeen belanghebbende ter zitting daaromtrent naar voren heeft gebracht, dat de uit de gedingstukken naar voren komende gegevens, waarbij in het bijzonder ook is gedoeld op de (vergelijkings)gegevens in het taxatieverslag ("Taxatieverslag Woningen"), waarvan op 14 oktober 2002 een kopie ter griffie is ingekomen, zo summier zijn en wat dat betreft ook zo weinig inzicht verschaffen, dat die gegevens feitelijk volstrekt onvoldoende steun bieden voor de conclusie dat de onroerende zaak een waarde heeft van (niet minder dan) ƒ 236.000.

6.3. De Inspecteur heeft in reactie daarop, zakelijk weergegeven, verklaard: 1) dat hijzelf over niet meer gegevens beschikt dan die uit de gedingstukken blijken, 2) dat de WOZ-regelgeving de gemeente Hulst tot niet meer verplicht dan het aan de hand van het gemeentelijke referentiemodel opstellen van een taxatieverslag, 3) dat het voor de gemeente Hulst niet doenlijk is om elke onroerende zaak afzonderlijk op te nemen en te taxeren, 4) dat de gemeente Hulst niet is gehouden om aan de hand van een eventuele nadere (individuele) taxatie een taxatierapport op te stellen of te doen opstellen, dat overigens niet veel meer gegevens zal bevatten dan het taxatieverslag, en 5) dat voor het overige van belanghebbende had mogen worden verwacht dat hij, zo hij twijfelt aan de vastgestelde waarde, zelf stappen neemt om zich op basis van de hem verstrekte (vergelijkings)gegevens te vergewissen of/dat de waarde tot de juiste hoogte is vastgesteld.

6.4. Wat er ook zij van deze verklaringen, te dezen kan naar 's Hofs oordeel bezwaarlijk anders worden geconcludeerd dan dat op de Inspecteur de bewijslast rust van de juistheid van de vastgestelde WOZ-waarde.

6.5. Het Hof heeft op zichzelf geen reden om aan de betrouwbaarheid van de voorhanden zijnde gegevens, waaronder die in het taxatieverslag, te twijfelen. Niettemin acht het Hof de Inspecteur niet erin geslaagd met het geheel van die gegevens aannemelijk te maken, tegenover de betwisting ervan door belanghebbende, dat de WOZ-waarde niet minder bedraagt dan ƒ 236.000.

6.6. Bij de vorming van dat oordeel heeft het Hof in aanmerking genomen dat het taxatieverslag, ook in samenhang met al hetgeen de Inspecteur over-gens naar voren heeft gebracht, aan stukken heeft ingebracht en ter zitting heeft toegelicht, niet het nodige inzicht biedt in de wijze waarop alle daarvoor in aanmerking komende gegevens, met name die van de gehanteerde vergelijkingsobjecten, met elkaar zijn vergeleken en hebben geresulteerd in een waarde van ƒ 236.000. Dit klemt temeer, omdat uit het geheel van gegevens, in onderlinge samenhang bezien, daarbij ook gelet op belanghebbendes, door de Inspecteur niet, althans niet afdoende weersproken, stelling dat bij het vaststellen van de WOZ-waarde onvoldoende rekening is gehouden met het achterstallige onderhoud van de woning en met het gegeven dat de inrichting van de badkamer niet meer aan de hedendaagse normen voldoet, redelijkerwijs een aanzienlijk lagere WOZ-waarde dan

ƒ 236.000 is te destileren.

6.7. Gelet daarop en omdat - in samenhang daarmee - van een waarde van ƒ 200.000 als zodanig zeker niet kan worden gezegd dat die geen steun vindt in het geheel van voorhanden zijnde gegevens en overigens geen aanleiding bestaat te veronderstellen dat die waarde niet strookt met de uitgangspunten in artikel 17, tweede lid, van de Wet, stelt het Hof de aan de onroerende zaak toe te kennen waarde per de peildatum vast op ƒ 200.000 (€ 90.756).

6.8. Het vorenoverwogene voert het Hof tot de slotsom dat belanghebbendes beroep gegrond is. De uitspraak waarvan beroep moet worden vernietigd en de beschikking moet met inachtneming van de in punt 6.7 overwogen vaststelling worden gewijzigd.

7. Proceskosten en griffierecht

7.1. In de omstandigheid dat het gelijk aan de zijde van be-lang-hebbende is vindt het Hof aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten van de zaak stelt het Hof op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast, conform partijen ter zitting met elkaar zijn overeengekomen, op een bedrag van € 15 aan reiskosten.

7.2. Gelet op het bepaalde in artikel 8:74 van de Algemene wet bestuursrecht dient het voor deze zaak gestorte griffierecht ad € 29 aan belanghebbende te worden vergoed.

8. Beslissing

Het Gerechtshof:

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep,

- wijzigt de beschikking in die zin dat de waarde van de onroerende zaak a-straat 1 te Hulst wordt vastgesteld op € 90.756 (ƒ 200.000),

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding, aan de zijde van belanghebbende gevallen en vastgesteld op € 15, onder aanwijzing van de gemeente Hulst als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden, en

- gelast de gemeente Hulst aan belanghebbende te vergoeden het voor deze zaak gestorte griffierecht ad € 29.

Deze uitspraak is vastgesteld op 21 maart 2003 door mr. Tromp. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mevrouw mr. Van Duijvendijk, ter vervanging van de mondelinge uitspraak van 15 november 2002.

(Van Duijvendijk) (Tromp)

Aangetekend aan

Partijen verzonden:

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.