Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AF8792

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-01-2003
Datum publicatie
22-05-2003
Zaaknummer
337-M-02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 26 februari 2003

Rekestnummer : 337-M-02

Rekestnr. rechtbank : 130/2001

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[verweerder],

wonende te Rilland, gemeente Reimerswaal,

verzoeker, tevens incidenteel verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. R.Th.R.F. Carli,

tegen

[moeder],

wonende te Kwadendamme, gemeente Borsele,

verweerster, tevens incidenteel verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. W. Taekema.

PROCESVERLOOP

De vader is op 23 mei 2002 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te Middelburg van 27 maart 2002.

De moeder heeft op 12 december 2002 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De vader heeft op 2 januari 2003 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof aanvullende stukken ingekomen bij brief van

5 december 2002 en bij fax van 6 januari 2003. Tevens is een fax ingekomen van 27 december 2002.

Van de zijde van de moeder is bij het hof een brief ingekomen van 7 januari 2003.

Op 8 januari 2003 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. J.A.M. Dietvorst en de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. D.A.H. Veldhof. De hierna te noemen kin[dochter]kind[zoon] hebben schriftelijk hun mening ten aanzien van de kinderalimentatie kenbaar gemaakt bij brieven van 6 januari 2003. Ter terechtzitting is komen vast te staan dat [dochter] haar moeder gevolmachtigd heeft om namens haar te procederen.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de ouders het volgende vast.

Uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk van de ouders zijn de volgende kinderen geboren:

[dochter], op 17 januari 1984, hierna te noemen: [dochter],

[zoon], op 12 maart 1985, hierna te noeme[zoon]on], en

[zoon], op 13 april 1988, hie[zoon] [zoon]n: [[zoon] verblijven bij de moeder en [dochter] woont thans zelfstandig.

Bij vonnis van 24 april 1991 heeft de rechtbank te Middelburg de echtscheiding uitgesproken, die is ingeschreven op 13 juni 1991. De verdere behandeling inzake de kinderalimentatie werd daarbij aangehouden.

Bij opvolgende beschikking van 7 augustus 1991 heeft de rechtbank onder meer de moeder benoemd tot voogdes over de kinderen en de vader tot toeziend voogd. Voorts is de kinderalimentatie ten laste van de vader vastgesteld op ƒ 105,- per maand per kind.

Op 8 februari 2001 heeft de vader de rechtbank te Middelburg verzocht - met wijziging van de beschikking van 7 augustus 1991 - de kinderalimentatie ten laste van de vader met ingang van 1 december 2000 vast te stellen op nihil. De moeder heeft hiertegen verweer gevoerd en zelfstandig verzocht de kinderalimentatie vast te stellen op ƒ 265,- per maand per kind.

Bij de bestreden beschikking is - met wijziging van de beschikking van 7 augustus 1991 - de kinderalimentatie met ingang van 16 mei 2001 tot 1 september 2001 bepaald op € 120,25,- per maand per kind en met ingang van 1 september 2001 op € 109,91 per maand per kind.

Hieronder zal het hof zonodig op hele bedragen afronden.

Ten aanzien van de vader

De vader is geboren op 16 november 1954 en woont samen met een partner die niet in eigen levensonderhoud voorziet. Hij is zie-kenfondsverzekerde.

2001

Van 1 december 2000 tot 1 september 2001 werkte de vader via een uitzendbureau. Volgens de jaaropgaaf 2001 bedroeg zijn inkomen hieruit in dat jaar € 11.185,- (ƒ 24.649,-). Daarnaast ontving hij tot 1 september 2001 een WW-uitkering. Zijn inkomen hieruit bedroeg in 2001 € 6.995,- (ƒ 15.416,-), volgens de jaaropgaaf 2001. Vanaf 10 september 2001 is de vader via een uitzendbureau volledig in loondienst bij een beveiligingsbedrijf, waarmee hij in 2001 een inkomen genereerde van € 6.132,- (ƒ 13.513,-), volgens de jaaropgaaf van dat jaar. Daarnaast heeft de vader in 2001 een WAO-uitkering genoten. Zijn inkomen hieruit bedroeg in 2001 € 7.967,- (ƒ 17.557,-), volgens de jaaropgaaf 2001. Tot slot verrichtte de vader in 2001 nog werkzaamheden voor de Nationale Reserve waarmee hij volgens de jaaropgaaf 2001 in dat jaar € 2.278,- (ƒ 5.019,-) verdiende.

2002 e.v.

Volgens de salarisspecificaties van de maanden september tot en met november 2002 bedraagt zijn loon uit hoofde van zijn nieuwe dienstbetrekking, exclusief vakantiegeld, gemiddeld € 1.182,- netto per maand. Hij neemt deel aan een spaarloonregeling. Naast zijn inkomsten uit loondienst ontvangt de vader nog een uitkering uit hoofde van de WAO.

De vader heeft de volgende maandlasten:

€ 363,- huur.

Ten aanzien van de moeder

De moeder verricht werkzaamheden in het bedrijf van haar nieuwe echtgenoot, hierna te noemen: de stiefvader. Het hof beschikt niet over recente gegevens omtrent het inkomen en de maandelijkse lasten van de moeder.

ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is ten aanzien van de kinderalimentatie de draagkracht van de vader en de behoefte van [zoon] aan een door de vader te betalen bijdrage in zijn levensonderhoud, alsmede het aandeel van de moeder en de stiefvader in de kosten van de drie kinderen. Het hof leest in de brief van de zijde van de vader van 6 januari 2003 waarin hij zijn grieven aanvult in die zin dat hij de behoefte van de kinderen ontkent, dat hij uitsluitend de behoefte van [zoon] en [dochter] betwist, nu zij werken. Ook ter terechtzitting voert hij geen argumenten aan op grond waarvan hij de behoefte van [zoon] bestrijdt. Derhalve staat de behoefte van [zoon] vast. Bovendien heeft de vader ter terechtzitting verklaard dat hij de behoefte van [dochter] niet langer betwist, zodat daarmee ook haar behoefte is komen vast te staan.

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, alsnog zijn inleidende verzoek toe te wijzen, danwel de kinderalimentatie te bepalen op een zodanig bedrag als het hof juist acht.

3. De moeder verzoekt de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn appel, althans zijn verzoek af te wijzen. Voorts verzoekt de moeder in incidenteel appel de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de beslissing dat de vader met ingang van 1 september 2001 € 109,91 per kind per maand aan de moeder dient te betalen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat ook na 1 september 2001 de vader € 120,25 per kind per maand aan de moeder dient te betalen, met de uitdrukkelijke veroordeling van de vader in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep. Ter terechtzitting heeft de moeder haar verzoek vermeerderd in die zin dat ze verzoekt de kinderalimentatie na 1 september 2001 op € 125,- per kind per maand vast te stellen. De vader verzet zich hiertegen.

4. Het hof zal de moeder niet-ontvankelijk verklaren in haar ter zitting vermeerderde verzoek, nu zij dit niet schriftelijk heeft gedaan conform artikel 283 Rv.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

5. Vast staat dat [zoon] vòòr 13 augustus 2001 op school zat en met ingang van die datum een leerarbeidsovereenkomst heeft. Dit betreft een tweejarige schildersopleiding, in het kader waarvan hij als schilder in loondienst is voor 30 uur per week. Zijn inkomen uit dit dienstverband bedraagt € 543,- netto per 4 weken, volgens een salarisstrook van november 2002. Ter terechtzitting is komen vast te staan dat de kosten van de opleiding van [zoon] grotendeels worden betaald door de moeder en de stiefvader. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat [zoon] met ingang van 13 augustus 2001 in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien, zodat hij vanaf die datum geen behoefte meer heeft aan alimentatie. Voor zover de moeder meer alimentatie voor [zoon] heeft ontvangen dan haar toekomt op grond van deze beschikking, zal het hof gelet op het consumptief karakter van alimentatiebedragen bepalen dat zij het eventueel teveel ontvangene niet aan de vader behoeft terug te betalen. Met betrekking tot de behoefte van [zoon] in de periode vòòr 13 augustus 2001 overweegt het hof dat hij in die periode minimaal een behoefte had van € 120,25 per maand, zoals in de bestreden beschikking bepaald. Ook [dochter] en [zoon] hebben, gelet op het huidige inkomen van de vader, behoefte aan een bijdrage tenminste van een grootte als door de moeder verzocht, hetgeen de vader, zoals uit rechtsoverweging 1 blijkt, ook niet betwist. De draagkracht van de vader is voldoende om deze bijdrage te betalen, zoals hierna onder rechtsoverweging 11 zal blijken. De vader heeft terecht aangevoerd dat ook de stiefvader onderhoudsplichtig is jegens de kinderen, zodat ook hij verplicht is een deel van de kosten van de kinderen voor zijn rekening te nemen. De moeder erkent dit, maar stelt dat de stiefvader thans reeds bijna alles voor de kinderen betaalt en dit ook zal blijven doen naast de bijdrage van de vader, aangezien deze niet voldoende is om in alle kosten van de kinderen te voorzien. Ter terechtzitting heeft de moeder verklaard dat de stiefvader een goeddraaiende onderneming heeft op grond waarvan hij een ruim inkomen geniet. Het hof begrijpt hieruit dat het inkomen van het huidige gezin van de moeder dan ook ruimer is dan het inkomen van de vader. Dit laatste brengt mee dat de behoefte van de kinderen inmiddels groter is dan wanneer deze enkel gerelateerd is aan het huidige inkomen van de vader. In deze hogere behoefte, die niet voor rekening van de vader dient te komen, wordt, zoals de moeder ter terechtzitting onbetwist heeft gesteld, ook daadwerkelijk door de stiefvader en de moeder voorzien, zodat zij daarmede aan hun onderhoudsplicht voldoen.

draagkracht van de vader

6. De vader stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat van de nieuwe partner van de vader verwacht mag worden dat zij in haar eigen levensonderhoud voorziet. Ze heeft geen enkele opleiding genoten en thans ontbreken de financiële middelen om een opleiding te volgen. Bovendien is in de woonplaats van de partijen geen werk beschikbaar voor de nieuwe partner van de vader. Voorts begrijpt de vader niet waarom de rechtbank het krediet aangegaan voor de aanschaf van zijn auto buiten beschouwing heeft gelaten, terwijl hij deze auto nodig heeft om vanuit zijn woonplaats naar zijn werk te reizen in verband met onregelmatige diensttijden en slecht openbaar vervoer.

7. De moeder stelt dat de nieuwe partner van de vader, gelet op haar leeftijd, in staat geacht moet worden in eigen levensonderhoud te voorzien. Voorts is zij van mening dat de vader de noodzaak van het aangaan van het doorlopend krediet niet aannemelijk heeft gemaakt.

8. Bij de bepaling van de draagkracht van de vader gaat het hof uit van het inkomen van de vader zoals onder de vaststaande feiten is opgenomen. Dit betekent dat de vader in 2001 een bruto inkomen had van € 32.280,- (ƒ 71.135,-), het resultaat van de optelsom van de diverse jaaropgaven van dat jaar. In 2002 had de vader een inkomen van gemiddeld € 1.632,- netto per maand, exclusief vakantiegeld. Dit bedrag is samengesteld uit een gemiddelde van de door de vader overgelegde salarisstroken, resulterend in een inkomen van € 1.182,- netto per maand, exclusief vakantiegeld, vermeerderd met de inkomsten uit hoofde van zijn WAO-uitkering. Ter terechtzitting heeft de vader verklaard dat hij naast zijn inkomen uit loondienst nog steeds een WAO-uitkering geniet en dat zijn inkomsten uit dien hoofde onveranderd zijn gebleven ten opzichte van 2001. Op basis van deze verklaring, die door de moeder niet is betwist, en de jaaropgaaf 2001 begroot het hof deze inkomsten op gemiddeld € 450,- netto per maand.

9. Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat van de nieuwe partner van de vader verwacht mag worden dat zij in haar eigen levensonderhoud voorziet. Zij is 36 jaar en heeft geen voor haar verdiencapaciteit relevante zorg over haar kinderen uit een eerder huwelijk. Onder deze omstandigheden kan van haar gevergd worden dat zij gaat werken. Het feit dat zij geen opleiding heeft genoten doet daaraan niets af. Van haar mag in redelijkheid worden verlangd dat zij ook ongeschoold werk zal accepteren. Gelet op het vorenstaande is de bijstandsnorm voor een alleenstaande van toepassing op de vader en wordt de nieuwe partner van de vader geacht een deel van de woonlasten voor haar rekening te nemen.

10. Met betrekking tot de aflossing op het doorlopend krediet dat de vader stelt te zijn aangegaan voor de aanschaf van zijn auto overweegt het hof dat de vader onvoldoende bewijsstukken in het geding heeft gebracht waaruit blijkt dat dit krediet voor de aanschaf van zijn auto is aangegaan. Hij stelt dat hij de auto nodig heeft voor zijn huidige werk, maar het krediet is volgens hem aangegaan op 26 maart 2001, terwijl hij pas sinds 10 september 2001 in dienst is van zijn huidige werkgever. Daarnaast heeft hij geen recente betalingsbewijzen overgelegd.

11. Uit dit alles volgt dat de draagkracht van de vader voor de periode tot 13 augustus 2001 voor [zoon] en tot 1 september 2001 voor [dochter] en [zoon] een alimentatie toelaat zoals door de rechtbank in de bestreden beschikking bepaald. Voor de periode vanaf 1 september 2001 laat zijn draagkracht een alimentatie voor [dochter] en [zoon] toe van € 120,25 per kind per maand. De grief van de moeder met betrekking tot de inkomsten van de vader bij de Nationale Reserve en de grieven van de vader betreffende de kosten woon-werkverkeer en de premie aanvullende ziekenfonds behoeven geen bespreking meer, nu deze grieven niet tot een ander resultaat kunnen leiden.

12. Het hof ziet geen aanleiding om - zoals de moeder heeft verzocht - de vader in de kosten van het geding te veroordelen en zal derhalve de kosten tussen de partijen compenseren.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE-LE HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar ter zitting vermeerderde verzoek zoals hiervoor onder rechtsoverweging 3 is weergegeven;

voor wat betreft de alimentatie voor [dochter] en [zoon]:

vernietigt de beschikking voor zover die de periode betreft vanaf 1 september 2001 en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van de rechtbank te Middelburg van 7 augustus 1991 - de door de vader aan de moeder te betalen alimentatie voor [dochter] en [zoon] met ingang van 1 september 2001 op € 120,25 per kind per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

voor wat betreft de alimentatie voor [zoon]:

vernietigt de bestreden beschikking en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschik-king van de rechtbank te Middelburg van 7 augustus 1991 - de door de vader aan de moeder te betalen ali-mentatie voor [zoon] met ingang van 16 mei 2001 tot 13 augustus 2001 op € 120,25 per maand en met ingang van 13 augustus 2001 op nihil;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

bepaalt dat de moeder de door de vader eventueel teveel betaalde alimentatie niet hoeft terug te betalen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voor-raad;

compenseert de proceskosten in die zin dat ieder der partijen zijn eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Gerretsen-Visser, Pannekoek-Dubois en Labohm, bijge-staan door mr. Groenleer als griffier en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van

26 februari 2003.