Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AF8729

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-05-2003
Datum publicatie
15-05-2003
Zaaknummer
2200249402
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2, geldigheid: 2003-05-07
Wet wapens en munitie 13, geldigheid: 2003-05-07
Wetboek van Strafrecht 250a, geldigheid: 2003-05-07
Wetboek van Strafrecht 47, geldigheid: 2003-05-07
Wetboek van Strafrecht 57, geldigheid: 2003-05-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

rolnummer 2200249402

parketnummer 0975727701

datum uitspraak 7 mei 2003

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 30 mei 2002 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 19 februari 2003 en 23 april 2003.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen bij inleidende dagvaarding, zoals op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering nader omschreven, vermeld staat en zoals ter terechtzitting in hoger beroep op vordering van de advocaat-generaal gewijzigd.

Van de inleidende dagvaarding, de nadere omschrijving tenlastelegging en de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest is gevoegd.

3. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte terzake van het onder 1, 2 , 3 en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar en zes maanden, met aftrek van voorarrest, met niet-ontvankelijk- verklaring van de benadeelde partijen in hun vorderingen als nader in het vonnis omschreven.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

Van de zijde van de verdachte is een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging, omdat (1) het onderzoek tegen de verdachte is gestart op onvoldoende gronden en omdat aangiftes tegen de verdachte min of meer op verzoek van de politie in combinatie met ontoelaatbare beïnvloeding van de aangeefsters door de politie zijn verkregen en omdat (2) met vervolging van de verdachte een willekeurige selectie lijkt te zijn gemaakt en wel omdat eerdere vrienden van de slachtoffers, met name [namen], mogelijk ook voor soortgelijke feiten kunnen worden vervolgd als waarvoor de verdachte thans terechtstaat.

Deze verweren worden door het hof verworpen.

Ad 1. Het onderzoek naar de verdachte is aangevangen op een moment dat er tegen de verdachte al twee aangiftes wegens mensenhandel waren gedaan. Dat de aangiftes tegen de verdachte op verzoek c.q. door beïnvloeding van de politie zijn verkregen is het hof uit het onderzoek ter terechtzitting niet gebleken, mede gelet op het proces-verbaal van bevindingen op bladzijde 821 van het dossier.

Ad 2. De enkele omstandigheid dat eerdere vrienden van de slachtoffers, die soortgelijke feiten zouden kunnen hebben begaan als die waarvoor de verdachte terecht staat, niet worden vervolgd, brengt niet mee dat de onderhavige vervolging in strijd zou zijn met de beginselen van behoorlijke procesorde. Ook overigens is niet gebleken dat de beleidsvrijheid van het openbaar ministerie willekeurig is gebruikt.

5. Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

6. Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 is tenlastegelegd.

De verdachte moet derhalve hiervan worden vrijgesproken.

7. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

BIJLAGE

2.

dat hij op tijdstip(pen) in de periode van 01 oktober 2000 tot en met 10 december 2001 te

’s-Gravenhage en Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, vrouwen, genaamd [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 1983) (A)

en [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum] 1981) (B)

en [slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum] 1979) (A)

en [slachtoffer 4] (geboren op [geboortedatum] 1982) (B),

(telkens) door geweld of een of meer andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld of een of meer andere feitelijkhe(i)d(en),

tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling heeft/hebben gebracht,

en uit de seksuele handelingen van die vrouw(en) met derden tegen betaling onder genoemde omstandigheden opzettelijk voordeel heeft getrokken,

en door geweld of een of meer andere feitelijkheden en/of door bedreiging met geweld of een of meer andere feitelijkheden,

heeft bewogen hem en/of zijn mededader(s) uit de opbrengst van hun seksuele handelingen met een derde te bevoordelen,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s):

- die vrouw(en) naar een plaats gebracht en/of laten brengen/gaan, waar zij de prostitutie kon(den) gaan bedrijven en die vrouwen van die plaats opgehaald en/of laten ophalen en

- medegedeeld dat zij als prostituee moest(en) gaan werken en

- gecontroleerd/laten controleren of die vrouw(en) werkzaamheden (in de ‘prostitutie’) verrichtte(n) en

- bij die vrouw(en) (telefonisch) navraag gedaan/laten doen naar hun verdiensten (in de ‘prostitutie’) en

- de verdiensten die die vrouw(en) met de ‘prostitutie’ verkregen geheel of gedeeltelijk afgenomen, althans af laten staan en/of

- een en/of meer van die vrouw(en) meermalen, althans eenmaal geslagen en/of uitgescholden;

(A): alleen gepleegd

(B): gepleegd door twee of meer verenigde personen

3.

dat hij op tijdstip(pen) in de periode van 1 juni 2001 tot en met 10 december 2001 te

’s-Gravenhage, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, meermalen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

4.

dat hij op 10 december 2001 te ’s-Gravenhage een wapen van categorie I onder 7°, te weten een pistool gelijkend op een Beretta, Model 92-F, zijnde een voorwerp vermeld op lijst b van de bij de Regeling Wapens en Munitie behorende bijlage I, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd.

Het hof heeft de term "gebracht" (bladzijde B1, derde regel) begrepen als "gedwongen zich beschikbaar te stellen" en de term "bewogen" (bladzijde B1, dertiende regel) als "gedwongen".

Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte door een en ander niet geschaad in de verdediging.

8. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

9. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

2.a. Een ander door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid dwingen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, meermalen gepleegd;

en

b. een ander door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid dwingen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;

en

c. opzettelijk voordeel trekken uit seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling, terwijl hij weet dat die ander door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid zich beschikbaar stelt tot het plegen van die handelingen, meermalen gepleegd;

en

d. opzettelijk voordeel trekken uit seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling, terwijl hij weet dat die ander door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid zich beschikbaar stelt tot het plegen van die handelingen, gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;

en

e. door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid een ander dwingen hem uit de opbrengst van haar sexuele handelingen met een derde te bevoordelen, meermalen gepleegd;

en

f. door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid een ander dwingen hem uit de opbrengst van haar sexuele handelingen met een derde te bevoordelen, gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;

3. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

4. Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

10. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

11. Strafmotivering

De advocaat-generaal mr. Van Es heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte terzake van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar, met aftrek van voorarrest, en met toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen en in de beide vorderingen met bevel tot betaling aan de Staat.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft, deels alleen, deels samen met anderen gedurende een lange periode meerdere vrouwen gedwongen te werken en te blijven werken in de prostitutie en hij heeft van die werkzaamheden geprofiteerd. Daarbij hebben hij en zijn mededaders gebruik gemaakt van een combinatie van geweld, bedreiging met geweld en de afhankelijkheid van die vrouwen die door de "liefdes"relatie tussen de verdachte en die vrouwen was ontstaan. Door aldus te handelen hebben de verdachte en zijn mededaders op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de vrijheid van de vrouwen om over hun eigen lichaam te beschikken.

Tevens heeft de verdachte zich gedurende een periode van ruim vijf maanden schuldig gemaakt aan de verkoop van cocaïne. Deze harddrugs vormen een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid en het plegen van vermogensdelicten, terwijl algemeen bekend is dat drugsgebruik aanleiding geeft tot vermogensdelicten om de voor het gebruik benodigde gelden te verkrijgen. Feiten als de onderhavige brengen bovendien gevoelens van onrust teweeg in de maatschappij.

Voorts heeft de verdachte een imitatievuurwapen voorhanden gehad.

Het hof is dan ook van oordeel dat alleen een langdurige geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals reeds door de rechtbank voor alle feiten opgelegd, een passende reactie vormt.

12. Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces hebben [naam] en [naam] zich als benadeelde partijen gevoegd en ieder een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 tenlastegelegde tot een bedrag van € 7.500,--, respectievelijk € 5.000,--.

In hoger beroep zijn deze vorderingen wederom aan de orde tot telkens het in eerste aanleg gevorderde bedrag.

Naar het oordeel van het hof zijn de vorderingen van de benadeelde partijen niet van zo eenvoudige aard dat zij zich lenen voor behandeling in het onderhavige strafproces.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding. De benadeelde partijen kunnen deze slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee, dat de benadeelde partijen dienen te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof begroot op nihil.

13. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 57 en 250a(oud) van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

14. Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van VIER JAAR EN ZES MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Verklaart de benadeelde partij [naam] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering tot schadevergoeding slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft gemaakt, welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verklaart de benadeelde partij [naam] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering tot schadevergoeding slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft gemaakt, welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Dit arrest is gewezen door mrs. Borgesius, Reinking en Van den Berg, in bijzijn van de griffier Van der Mark.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 mei 2003.