Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AF8644

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-05-2003
Datum publicatie
14-05-2003
Zaaknummer
686-D-02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak : 7 mei 2003

Rekestnummer : 686-D-02

Rekestnr. rechtbank : 41420 / FA RK 01-8613

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[appellant],

wonende te Dordrecht,

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. M.M. Menheere,

tegen

[verweerder]

wonende te Eindhoven,

verweerder, tevens inciden-teel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. V.K.S. Budhu Lall.

PROCESVERLOOP

De moeder is op 23 september 2002 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van de rechtbank te Dordrecht van 10 juli 2002.

De vader heeft op 11 maart 2003 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appèl ingediend.

De moeder heeft op 25 maart 2003 een verweerschrift op het incidenteel appèl ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 25 september 2002, 19 november 2002 en

7 maart 2003 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 26 maart 2003 aanvullende stukken ingekomen.

Op 2 april 2003 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: namens de moeder, mr. J.P.M. Castelein, advocate te Dordrecht, en de vader, bijgestaan door mr. A.S. Bodha, advocate te Amsterdam. De moeder is, hoewel daartoe behoor-lijk opge-roepen, niet ter terechtzitting versche-nen.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de ouders het volgende vast.

De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, waaruit op 27 augustus 1995 is geboren de minderj[het kind]

[minderjarige], hierna te noemen: [het kind].

De vader heeft [het kind] erkend. De ouders hebben beiden het gezag over [het kind], die bij de moeder verblijft.

Op 31 oktober 2001 heeft de moeder de rechtbank te Dordrecht verzocht te bepalen - uitvoerbaar bij voorraad - dat de vader aan de moeder € 181,50 (ƒ 400,-) per maand aan kinderalimentatie dient te betalen, althans een bedrag dat de rechtbank juist acht. De vader heeft tegen dit inleidende verzoek verweer gevoerd.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank bepaald - uitvoerbaar bij voorraad - dat de vader ten behoeve van [het kind] € 125,- per maand zal betalen, bij vooruitbetaling te voldoen.

Hieronder zal het hof zonodig op hele bedragen afronden.

Ten aanzien van de vader

De vader is geboren op 29 augustus 1942 en woont samen met een partner die in eigen levensonderhoud voorziet. Hij is in loondienst en zijn inkomen hieruit bedraagt, volgens de jaaropgaaf 2002, € 38.338,- per jaar. Hij is par-ticulier verzekerd voor ziektekosten. Hij neemt deel aan een spaarloonregeling.

De vader heeft de volgende maandlasten:

- € 253,- huur en enige servicekosten;

- € 169,- premie ziek-te-kosten-ver-zekering, inclusief wettelijke bijdrage;

- € 4,- uitvaartverzekering.

Ten aanzien van de moeder

De moeder is geboren op 20 september 1959. Zij is parttime in loondienst en haar inkomen daaruit bedraagt, volgens de jaaropgaaf 2002, € 25.416,- per jaar. Zij is ziekenfondsverzeker-de.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE-LE HOGER BEROEP

1. In geschil is, ten aanzien van de kinderalimentatie, de behoefte van [het kind] en de draagkracht van de vader.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen - uitvoerbaar bij voorraad - dat de vader ten behoeve van [het kind] een alimentatie zal betalen van €181,51 per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, althans een zodanige bijdrage als het hof juist acht.

3. De vader bestrijdt haar beroep en verzoekt incidenteel de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de alimentatie voor [het kind] vast te stellen op nihil.

Behoefte

4. Volgens de moeder heeft de rechtbank bij de bepaling van de behoefte van [het kind] ten onrechte alleen gelet op het inkomen van de moeder. Als uitgangspunt heeft immers toch te gelden dat kinderen niet slechter af mogen zijn als ouders uit elkaar gaan, aldus de moeder, en derhalve had ook het inkomen van de vader moeten worden meegenomen bij de bepaling van de behoefte van [het kind].

5. Volgens de vader heeft hij nooit met de moeder samengewoond en was de relatie zelfs al verbroken toen [het kind] werd geboren. Hij is daarom van mening dat bij het bepalen van de behoefte van [het kind] alleen naar het inkomen van de moeder moet worden gekeken, en wel het inkomen dat de moeder had ten tijde van de relatie met de vader. Voorts is de vader van mening dat de kosten van [het kind] niet volledig voor zijn rekening hoeven te komen, aange-zien de moeder eigen inkomsten heeft en bovendien thans samenwoont en lasten kan delen met haar nieuwe partner.

6. Het hof overweegt het volgende. De vader heeft weliswaar - onweersproken - gesteld dat de relatie met de moeder reeds was verbroken toen [het kind] werd geboren en dat hij niet met de moeder heeft samengewoond, maar tussen de vader en [het kind] bestaat een nauwe persoonlijke betrekking. De vader en [het kind] hebben regelmatig omgang met elkaar, gaan gezamenlijk op vakantie en de vader heeft zelfs een periode voor [het kind] gezorgd. Hij koopt regelmatig kleding voor [het kind] en neemt ook andere kosten voor zijn rekening. Bij de berekening van de behoefte van het kind dient - naar het oordeel van het hof - bij deze omstandigheden niet alleen uitgangspunt te zijn de leefomstandigheden van het gezin waarin het kind opgroeit en dient derhalve niet alleen uitgegaan te worden van het netto gezinsinko-men van de moeder, maar wordt de behoefte van het kind mede bepaald door de financiële omstandigheden van de vader.

Het hof zal uitgaan van het huidige inkomen van de moeder zoals dat blijkt uit de door haar overgelegde jaaropgaaf 2002, aangezien uitgangspunt is dat dit hoger inkomen ook een positieve invloed heeft op het bedrag dat aan [het kind] wordt besteed. Uitgaand van een netto gezinsinkomen van de moeder van ongeveer € 1617,- per maand stelt het hof, rekening houdend met het netto inkomen van de vader, de behoefte van [het kind] aan een aanvullende bijdrage van de vader op € 181,51 per maand.

Draagkracht

7. De vader stelt dat hij geen draagkracht heeft om kinderalimentatie te betalen en hij heeft kopieën van nota's overgelegd, waaruit blijkt van zijn lasten. Tevens heeft de vader er op gewezen dat hij reeds kosten van [het kind] voor zijn rekening neemt, zoals bijvoorbeeld haar kleding en schoolgeld. De moeder heeft de door de vader opgegeven lasten betwist, behoudens de huur, de uitvaartverzekering en de ziektekosten.

8. Het hof zal met de kosten van [het kind] die de vader vrijwillig betaalt geen rekening houden, aangezien de moeder de noodzakelijke kosten van de (bij haar inwonende) dochter voor haar rekening dient te nemen en de vader geacht wordt hetgeen hij daarenboven wil bijdragen uit zijn vrije ruimte te voldoen. Zelfs als het hof rekening houdt met de overige betwiste lasten is de vader in staat om de door de moeder gevraagde kinderalimentatie te voldoen, welke alimentatie in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven.

9. Het hof zal de ingangsdatum van de alimentatieverplichting bepalen op 10 juli 2002, zijnde de datum van de bestreden beschikking, nu beide ouders ter terechtzitting daarmee hebben ingestemd.

10. Mitsdien moet als volgt worden beslist.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE-LE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw beschik-ken-de:

bepaalt de door de vader aan de moeder te betalen kin-derali-mentatie met ingang van 10 juli 2002 op € 181,51 per maand, wat de na heden te ver-schij-nen termijnen betreft bij voor-uitbe-ta-ling te vol-doen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voor-raad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. De Bruijn-Lückers, Dusamos en Labohm, bijge-staan door mr. Martens als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 7 mei 2003.